Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2273

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
27-09-2018
Zaaknummer
200.226.064/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie en partneralimentatie. Ontslag. Geen sprake van verwijtbaar inkomensverlies. Extra lasten. Aflossing op huwelijkse schulden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.226.064/01

rekestnummer rechtbank : FA RK 17-4274

zaaknummer rechtbank : C/10/527542

beschikking van de meervoudige kamer van 5 september 2018

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.G. Schnoor te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te Rozenburg,

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. W.M. Smeets te Hellevoetsluis.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 7 september 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 24 oktober 2017 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De vrouw heeft op 5 februari 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3

De vrouw heeft op 8 juni 2018 een incidenteel hoger beroep ingesteld.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 9 november 2017 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage;

- op 12 januari 2018 een V-formulier van 8 december 2017 met bijlagen;

- op 24 mei 2018 een V-formulier van 23 mei 2018 met bijlagen.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 20 juni 2018 plaatsgevonden.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

Beide advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van: [de minderjarige] , geboren [in] 2005 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige).

3.3

Bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 15 juli 2015 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Op 20 augustus 2015 is deze beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.4

Partijen zijn in het echtscheidingsconvenant van 9 april 2015 overeengekomen dat de man een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) zal voldoen van € 734,- bruto per maand. Verder zijn zij daarin overeengekomen dat het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de minderjarige € 675,- per maand bedraagt en dat hiervan na aftrek van het kindgebonden budget € 343,- per maand resteert. Zij zijn overeengekomen dat de man met een bedrag van € 215,- per maand zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderalimentatie), waarbij rekening is gehouden met een toegepaste zorgkorting van € 120,-. Het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan zijn opgenomen in de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 15 juli 2015.

3.5

De kinderalimentatie bedraagt (na indexering) in 2017 € 222,37 en de partneralimentatie € 759,15 per maand.

3.6

Het hof heeft bij beschikking van 10 januari 2018, met zaaknummer 200.226.604/02, de werking van de bestreden beschikking ten aanzien van de door de rechtbank opgelegde partneralimentatie met onmiddellijke ingang geschorst totdat op het hoger beroep in de bodemzaak is beslist. In dezelfde beschikking heeft het hof verder bij wijze van voorlopige voorziening de door de man op grond van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 15 juli 2015 verschuldigde partneralimentatie met onmiddellijke ingang op nihil bepaald totdat op het hoger beroep in de bodemzaak is beslist.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover van belang, het ouderschapsplan van 9 april 2015 (het hof leest: het echtscheidingsconvenant) in die zin gewijzigd, dat de daarin tussen partijen overeengekomen kinderalimentatie met ingang van 6 juli 2017 is bepaald op € 525,04 per maand, onder gelijktijdige wijziging van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 15 juli 2015 op dat punt. Tot zover is de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De verzoeken van de man tot vermindering van de kinderalimentatie en tot nihilstelling van de door hem te betalen partneralimentatie zijn afgewezen.

4.2

De man verzoekt het hof, naar het hof begrijpt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. De bestreden beschikking te vernietigen en de door de man te betalen kinderalimentatie te wijzigen in die zin dat de door hem te betalen bijdrage per 1 mei 2017 wordt gesteld op € 143,- per maand, althans op een dusdanig bedrag en met ingang van een dusdanige datum als het hof meent dat in goede justitie zal behoren en te bepalen dat de man niet meer gehouden zal zijn de in het ouderschapsplan genoemde extra kosten te betalen;

II. de door de man te betalen partneralimentatie met ingang van 1 mei 2017 te stellen op nihil, althans op een dusdanig bedrag als het hof meent dat in goede justitie zal behoren alsmede de vrouw te veroordelen om indien door het hof de door de man te betalen bijdrage wordt verminderd, hetgeen door hem te veel is betaald, door de vrouw wordt terugbetaald.

4.3

De vrouw verweert zicht daartegen en verzoekt het hof, naar het hof begrijpt:

in principaal hoger beroep:

I. de man niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel tot een afwijzing van de verzoeken van de man te komen als zijnde zijn stellingen niet, althans onvoldoende, bewezen en/of de verzoeken ongegrond, dan wel toewijzing van de desbetreffende verzoeken te weigeren nu dit in strijd met de redelijkheid en billijkheid moet worden geacht;

II. de man te veroordelen in de kosten van dit geding;

in incidenteel hoger beroep:

bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man met ingang van 1 juni 2018 een kinderalimentatie van € 615,- per maand zal voldoen.

5 De motivering van de beslissing

Kinderalimentatie

Behoefte van de minderjarige

5.1

Partijen zijn in het echtscheidingsconvenant overeengekomen dat de behoefte van de minderjarige conform de tabel eigen aandeel kosten van de kinderen € 675,- per maand bedraagt. Zij zijn het er kennelijk over eens dat in overeenstemming met de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3011, het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop niet langer in aanmerking dienen te worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind. Geïndexeerd naar 2017 bedraagt de behoefte aldus € 698,14 per maand, zodat het hof hiervan zal uitgaan.

Draagkracht van de man

5.2

De man stelt het volgende. Bij de berekening van zijn draagkracht is de rechtbank ten onrechte uitgegaan van een jaarinkomen van € 66.408,- bruto per jaar. De man had ten tijde van het huwelijk en de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan een inkomen van € 66.408,- bruto per jaar. Dit inkomen bestond uit inkomsten uit loondienst bij [onderneming 1] . en inkomsten uit de eigen B.V. van de man waarvan hij alle aandelen hield, [onderneming man] van € 700,- per maand. Thans is de man voor wat zijn inkomen betreft echter uitsluitend afhankelijk van hetgeen hij in loondienst verdient bij [huidige werkgever man] Nu de man een wijziging vraagt van zijn alimentatieverplichtingen per 1 mei 2017, is hetgeen hij verdiende in de daarvoor liggende periode, voor wat zijn draagkracht betreft niet van belang. Uit dient te worden gegaan van het werkelijk door de man verdiende inkomen van € 44.850,- in 2016 en 40.468,- in 2017, te meer nu het arbeidscontract met [onderneming 1] . vanwege een reorganisatie is beëindigd en die beëindiging de man niet valt te verwijten. Bij de draagkracht van de man dient volgens de man voorts rekening te worden gehouden met de extra lasten van de man voortkomende uit de huwelijkse periode met de vrouw. De man lost op deze schulden af, welke aflossingen drukken op zijn draagkracht. Deze extra lasten zijn volgens de man niet verwijtbaar en evenmin vermijdbaar. Uitgaande van zijn huidige inkomen en rekening houdende met de huwelijkse schulden berekent de man zijn aandeel in de kosten van de minderjarige in bijlage 23 bij V-formulier van 23 mei 2018 op € 194,- per maand.

5.3

De vrouw voert het volgende aan. Het had op de weg van de man gelegen om zich zoveel mogelijk tegen het beëindigen van de arbeidsovereenkomst bij [onderneming 1] . te verzetten, nu de man alimentatieverplichtingen had jegens de vrouw en de minderjarige. Uit geen van de overgelegde stukken blijkt volgens de vrouw dat de beëindiging van het dienstverband uiterste noodzaak was, of dat de man verweer heeft gevoerd tegen het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De opzeggingsgrond ‘reorganisatie’, opgenomen in de beëindigingsovereenkomst, geeft geenszins een garantie over de daadwerkelijke achtergrond ten aanzien van de beëindiging van het dienstverband en of de beëindiging noodzakelijk was. De vrouw voert aan dat niet aannemelijk is dat uit de vaststellingsovereenkomst volgt dat de man geen enkel verwijt kan worden gemaakt over het beëindigen van het dienstverband. Het had op de weg van de man gelegen om stukken te overleggen waaruit blijkt dat het sluiten van een vaststellingsovereenkomst een redelijke en noodzakelijke beslissing was, tegenover zijn bestaande alimentatieverplichtingen. De uit de beëindiging van het dienstverband voortvloeiende inkomensvermindering dient aldus voor rekening van de man te blijven. De vrouw voert voorts aan dat uit geen van de door de man overgelegde stukken volgt dat hij genoodzaakt was om zijn eigen onderneming, [onderneming man] te beëindigen. Tevens is volgens de vrouw niet gebleken dat de man een dergelijk inkomen uit eigen onderneming niet meer zou kunnen verwerven. Voor wat betreft de inkomsten uit [onderneming 2] meent de vrouw dat nergens uit blijkt dat ook dit geen aan de man zelf te wijten inkomensachteruitgang betreft. Daarnaast blijkt nergens uit dat de man en/of zijn onderneming niet opnieuw inkomsten vanuit [onderneming 2] zou kunnen ontvangen. De vrouw acht het verder onbegrijpelijk dat de man, wetend van zijn wettelijke en contractuele onderhoudsverplichting jegens de vrouw en de minderjarige, een nieuwe functie bij [huidige werkgever man] heeft aanvaard met minder (over)werk en minder inkomsten (uit overwerk). Volgens de vrouw is dit verwijtbaar en naar zij aanneemt ook herstelbaar. De vrouw is van mening dat de rechtbank terecht bij de bepaling van de draagkracht rekening heeft gehouden met een jaarinkomen van de man van € 66.408.- bruto per jaar.

De vrouw betwist voorts het bestaan van de door de man gestelde schulden, althans zij betwist dat deze schulden van invloed zijn op de draagkracht van de man. Van de gestelde aflossing van € 100,- per maand ontbreekt de overeenkomst van geldlening alsook de betaalbewijzen. De vrouw vermoedt dat deze schuld ziet op de schuld aan [verhuurbedrijf] , waarvoor de vrouw blijkens een door haar overgelegde productie is ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid. Ten aanzien van de gestelde aflossing van € 400,- per maand wijst de vrouw erop dat de man slechts een afschrift heeft overgelegd van een schuldbekentenis welke er ook in 2015 al was. Dit levert volgens de vrouw dan ook geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden op. Daarnaast ontbreken ten aanzien van de gestelde aflossing van € 400,- per maand de betaalbewijzen vanaf 2015 tot en met heden.

5.4

Het hof overweegt ten aanzien van de draagkracht van de man als volgt. Per 1 oktober 2015 is de dienstbetrekking van de man bij [onderneming 1] . beëindigd. Hij heeft bij die beëindiging een vergoeding van € 4.882,- bruto ontvangen. Per 1 september 2015 is de man tegen een lager salaris in dienst getreden bij [huidige werkgever man] Het hof is van oordeel dat deze inkomensvermindering de man niet te verwijten valt. De man heeft met de door hem overgelegde stukken en zijn toelichting daarop ter zitting naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat hij geen toekomst meer had bij [onderneming 1] . De werkzaamheden en omzet van dat bedrijf liepen zodanig terug dat er personeel uit moest. In verband met de daaruit voortvloeiende reorganisatie is de dienstbetrekking van de man beëindigd. De man heeft alles op alles gezet om een nieuwe baan te vinden en is vervolgens per 1 september 2015 in dienst getreden bij [huidige werkgever man] Aanvankelijk als chauffeur en met ingang van 8 september 2017 als planner/werkvoorbereider. De vrouw stelt dat voorbij moet worden gegaan aan de keuze van de man om een nieuwe functie als planner te aanvaarden. Het hof is van oordeel dat met het aanvaarden van de nieuwe functie als planner door de man geen sprake is van een gedraging die tegenover de vrouw of de minderjarige als onaanvaardbaar moet worden aangemerkt. Met de keuze voor deze functie is de man niet meer afhankelijk van overwerk en heeft hij een vast in plaats van een variabel inkomen. Het hof acht het redelijk dat de man deze keuze heeft gemaakt en ziet dan ook geen aanleiding om de eventueel met deze keuze gepaarde inkomensvermindering buiten beschouwing te laten.

Verder is het hof van oordeel dat met de ontbinding van [onderneming man] per 12 december 2016 geen sprake is van een gedraging die tegenover de onderhoudsgerechtigden onaanvaardbaar is of waarvan de man zich redelijkerwijs had dienen te onthouden. De man heeft gedurende een beperkte periode, te weten vanaf mei 2014 tot februari 2016, inkomen genoten uit werkzaamheden die door hem vanuit de vennootschap werden verricht voor [onderneming 2] Het hof acht aannemelijk dat deze werkzaamheden niet meer konden worden voortgezet vanwege het verlies van een aantal grote klanten door [onderneming 2] waardoor er onvoldoende inkomsten en opdrachten waren om door te gaan met de man. Uit de door de man als bijlage 13 overgelegde verklaring blijkt dat de man noch zijn B.V. vanaf 1 februari 2016 salaris of vergoeding vanuit [onderneming 2] heeft ontvangen. Het hof zal dan ook geen rekening houden met een fictief uit de B.V. te verwerven inkomen.

5.5

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof uitgaan van het feitelijk door de man genoten inkomen uit zijn dienstbetrekking bij [huidige werkgever man] . Uit de in bijlage 18 bij het V-formulier van 23 mei 2018 overgelegde salarisspecificaties over de maanden februari tot en met april 2018 volgt dat het huidige inkomen van de man € 2.819,63 per maand exclusief overwerk en vakantiegeld bedraagt. Verder houdt het hof rekening met een gemiddeld loon uit overwerk van € 637,- bruto per maand. Het jaarinkomen bedraagt aldus (12 x € 2.819,63 = 33.835,56, te vermeerderen met 8% vakantiegeld en overwerk) € 44.187,-. Het netto besteedbaar inkomen bedraagt dan € 2.407,- per maand.

5.6

De man betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met extra lasten (schulden) voortkomende uit het huwelijk. Het hof begrijpt dat de man zich op het standpunt stelt dat het draagkrachtloos inkomen hiermee moet worden verhoogd. Ter zitting heeft de vrouw het bestaan van de huwelijkse schulden erkend. Er is sprake van een schuld ter zake van een leaseovereenkomst ( [verhuurbedrijf] ) en een schuld aan de moeder van de man. De schuld aan [verhuurbedrijf] bedroeg ten tijde van het uiteengaan van partijen € 4.370,55 (per 1 mei 2015) en thans nog circa € 2.905,-. Hieruit blijkt naar het oordeel van het hof dat de man ook feitelijk aflost op de schuld. Verder hebben partijen ten tijde van het huwelijk een bedrag van € 39.000,- geleend van de moeder van de man, op welke schuld ten tijde van het huwelijk maandelijks met een bedrag van € 400,- werd afgelost. Deze schuld bedraagt thans nog circa € 25.000,-. Nu geen sprake is van schulden die vermijdbaar of verwijtbaar zijn, zal het hof rekening houden met een maandelijkse aflossingsverplichting van in totaal € 500,-.

5.7

De draagkracht van de man moet, nu zijn netto besteedbaar inkomen hoger is dan € 1.575,-, worden vastgesteld aan de hand van de volgende formule:

70% [NBI – (0,3 x NBI + 905 + extra lasten)] en bedraagt aldus:

70% [2.407 – (0,3 x 2.407 + 905 + 500)] = € 196,- per maand.

Draagkracht van de vrouw

5.8

De man stelt dat uit de berekening van de rechtbank niet volgt of en zo ja, met welk bedrag aan draagkracht aan de zijde van de vrouw rekening is gehouden en welk aandeel van de kosten van de verzorging en opvoeding voor rekening van de vrouw dient te komen. De door de vrouw te ontvangen partneralimentatie dient volgens de man te worden gezien als inkomen en verhoogt haar draagkracht om bij te dragen in de kosten van de opvoeding en verzorging van de minderjarige.

5.9

Het hof verwerpt laatstgenoemde stelling van de man. De partneralimentatie wordt verstrekt om te voorzien in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en kan haar behoefte niet overstijgen. Immers de omvang van de vast te stellen partneralimentatie vindt altijd zijn begrenzing in de laagste van de twee, ofwel de behoefte van de onderhoudsgerechtigde of de draagkracht van de onderhoudsplichtige. Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de vrouw haar inkomen dan ook niet verhogen met eventueel te ontvangen partneralimentatie.

5.10

Voor de berekening van de draagkracht van de vrouw gaat het hof uit van het feitelijk door de vrouw genoten inkomen. Uit de overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2017 volgt een jaarinkomen van € 13.053,-. De vrouw is met ingang van 1 juni 2018 in dienst getreden als medewerker receptie voor 18 uur per week tegen een salaris van 1.082,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Het jaarinkomen vanaf 1 juni 2018 bedraagt derhalve € 14.023,-. Het hof gaat ervan uit dat de vrouw in aanmerking komt voor een kindgebonden budget van € 351,- per maand in 2017 en € 374,- in 2018. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw bedraagt dan € 1.439,- per maand in 2017 en € 1.543,- per maand met ingang van 1 juni 2018. Het hof zal om proceseconomische redenen ervan uitgaan dat het netto besteedbaar inkomen van de vrouw over de periode van 1 januari 2018 tot 1 juni 2018 gelijk is aan het netto besteedbaar inkomen over 2017.

5.11

De draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de toepasselijke draagkrachttabel, nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat lager is dan € 1.575,- per maand. Uitgaande van die tabel leidt het NBI van € 1.439,- tot een beschikbare draagkracht van € 114,- tot 1 juni 2018 en een beschikbare draagkracht van € 126,- met ingang van 1 juni 2018.

Draagkrachtvergelijking

5.12

Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen lager is dan de behoefte van de minderjarige kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. De bijdrage van de man is beperkt tot zijn draagkracht.

Zorgkorting

5.13

De man stelt dat rekening moet worden gehouden met een zorgkorting van 35%, nu er sprake is van een zorgregeling gelijk aan een co-ouderschapsregeling. Na 22 mei 2018, de datum waarop de man is verhuisd naar [woonplaats man] , moet rekening worden gehouden met een zorgkorting van 25%, volgens de man.

5.14

De vrouw voert aan dat sinds de verhuizing van de man de zorgregeling is gewijzigd. In plaats van de eerst afgesproken co-ouderschapsregeling verblijft de minderjarige nu een weekend per veertien dagen bij de man. De door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie van (inmiddels) € 532,92 per maand voldoet daarom niet langer. De vrouw berekent de bijdrage die de man moet voldoen in de kosten van levensonderhoud voor de minderjarige met ingang van 1 juni 2018 op (afgerond) € 625,- per maand. Verder dient rekening te worden gehouden met een zorgkorting van 15% aan de zijde van de man.

5.15

Het hof zal – nu dat tussen partijen niet in geschil is en gelet op de zorgregeling die tussen partijen gold tot de verhuizing van de man naar [woonplaats man] – rekening houden met een zorgkorting van 35%, derhalve met een bedrag van (35% x € 698,14 =) € 244,-. Ter zitting is komen vast te staan dat na de verhuizing van de man de minderjarige een keer per twee weken een weekend bij de man is van vrijdag 20.30 uur tot zondag 19.00 uur en de helft van de vakanties. Gelet op de omvang van deze zorgregeling waarbij de minderjarige gemiddeld twee dagen per week bij de man zal zijn, zal het hof met ingang van 1 juni 2018 (na de verhuizing van de man naar [woonplaats man] ) rekening houden met een zorgkorting van 25%, derhalve met een bedrag van (25% x € 698,14 =) € 175,-.

5.16

Omdat de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarige te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Dit geschiedt als volgt:

Het tekort bedraagt € 388,14, zodat de helft daarvan afgerond € 194,- bedraagt. Laatstgenoemd bedrag wordt afgetrokken van de zorgkorting, zodat resteert (€ 244,- - € 194,- =) € 50,-. Dit komt in mindering op de eerder berekende bijdrage van € 196,- minus € 50,- = € 146,-.

Vanaf 1 juni 2018 wordt de bijdrage als volgt:

Het tekort bedraagt € 376,14, zodat de helft daarvan afgerond € 188,- bedraagt. Laatstgenoemd bedrag wordt afgetrokken van de zorgkorting, zodat resteert (€ 175,- - € 188,- =) € nihil.

Nu het tekort aan gezamenlijke draagkracht twee keer zo groot is als de zorgkorting waar de man recht op heeft, kan hij zijn zorgkorting niet verzilveren en dient de man tot het volledige bedrag van zijn draagkracht bij te dragen.

5.17

Gezien het voorgaande is het aandeel van de man in de kosten van de minderjarige in beginsel te bepalen op € 146,- per maand voor de periode van 1 mei 2017 tot 1 juni 2018 en € 196,- per maand met ingang van 1 juni 2018.

Additionele kosten

5.18

De vrouw voert aan dat tevens rekening dient te worden gehouden met de mobiele telefoonkosten van de minderjarige, het schoolgeld van de minderjarige en de contributie van de gymles van de minderjarige. De man was ermee akkoord dat deze kosten zouden worden opgeteld bij het aandeel van de man naar draagkracht in de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarige. De vrouw houdt de man aan de op 9 april 2015 in het ouderschapsplan en 15 augustus 2017 ter zitting bij de rechtbank gemaakte afspraak. Nu de man ter zitting bij het hof heeft ingestemd met deze kosten als opgenomen in het ouderschapsplan, zal het hof deze kosten meenemen en optellen bij het aandeel van de man in de behoefte van de minderjarige. Dit betekent dat de bijdrage van de man wordt verhoogd met zijn aandeel in de mobiele telefoonkosten van de minderjarige van € 17,01, € 14,25 ter zake zijn aandeel in het schoolgeld en € 40,- ter zake de contributie voor de gymles.

Conclusie

5.19

De door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige bedraagt voor de periode van 1 mei 2017 tot 1 juni 2018 dan ook € 217,- per maand en met ingang van 1 juni 2018 € 267,- per maand.

Terugbetaling

5.20

De man heeft het hof verzocht de vrouw te veroordelen om hetgeen zij te veel heeft ontvangen aan partner- en kinderalimentatie aan de man terug te betalen. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij stelt hetgeen zij heeft ontvangen, geconsumeerd te hebben. Mogelijkheden tot terugbetaling heeft zij niet. Zij knoopt op dit moment het ene losse eindje aan het andere, aldus de vrouw. Ter zitting heeft de man desgevraagd aangegeven helemaal bij te zijn met de betaling van de kinderalimentatie.

5.21

Nu de ontvangen kinderalimentatie is aangewend ter voorziening in de kosten van de minderjarige en haar behoefte niet overstijgt en het de vrouw verder aan financiële middelen ontbreekt om terug te betalen, zal het hof bepalen dat de vrouw niet gehouden is om terug te betalen hetgeen zij over de periode van 1 mei 2017 tot op heden te veel aan kinderalimentatie heeft ontvangen. Het hof is van oordeel dat van de vrouw, gelet op genoemde omstandigheden van het geval, te weten haar geringe draagkracht en het feit dat een dergelijke bijdrage van maand tot maand pleegt te worden verbruikt, in redelijkheid niet worden gevergd dat de vrouw het meerdere terugbetaalt. Nu de vrouw niet gehouden zal worden tot terugbetaling van de door de man te veel betaalde kinderalimentatie, behoeft hetgeen partijen voorts nog naar voren hebben gebracht omtrent de ingangsdatum geen bespreking meer.

Partneralimentatie

Behoefte van de vrouw

5.22

De man stelt dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat zij niet in staat en/of in de gelegenheid is om arbeid te verrichten en geheel, dan wel gedeeltelijk zelf te voorzien in haar eigen levensonderhoud. De man is van mening dat de behoefte van de vrouw is verminderd omdat zij in staat en in de gelegenheid is geweest haar inkomsten uit arbeid uit te breiden.

5.23

Volgens de vrouw is haar behoefte tot op heden niet verminderd, althans bedraagt haar behoefte aan een partneralimentatie nog steeds tenminste € 759,15 bruto per maand. In het door partijen ondertekende convenant is de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw gesteld op € 2.224,- netto per maand. Hierop strekt in mindering het inkomen van de vrouw uit hoofde van haar dienstbetrekking bij [voormalig werkgever vrouw] Bij [voormalig werkgever vrouw] was er voor de vrouw geen mogelijk om meer te werken. Lang heeft de vrouw zich verzet tegen de beëindiging van de arbeidsovereenkomst bij [voormalig werkgever vrouw] om zodoende ook zoveel mogelijk aan haar eigen verdiencapaciteit te kunnen blijven voldoen, echter zij heeft zich moeten neerleggen bij de situatie. De vrouw wijst op de door haar overgelegde vaststellingsovereenkomst en de brief waarin de werkgever de (niet aan de vrouw te wijten) aanleiding toelicht. De vrouw voert verder aan dat zij met enige regelmaat geteisterd is geweest door psychische en lichamelijke klachten waardoor zij noodgedwongen voor langere tijd uit het arbeidsproces is geweest. Hiervoor is zij onder behandeling van een therapeut. De vrouw is met ingang van 1 juni 2018 in dienst getreden als medewerker receptie voor 18 uur per week bij het [ziekenhuis] tegen een salaris van € 1.082,- bruto per maand. Dit inkomen dient te worden vermeerderd met 8% vakantiegeld en in mindering strekt een pensioenpremie van € 89,43 per maand en de parkeerkosten van € 3,- per werkdag. De vrouw ziet zich echter ook geconfronteerd met een grotere zorgtaak ten aanzien van de minderjarige sinds de man op 22 mei 2018 is verhuisd naar [woonplaats man] . De bestaande afspraken met betrekking tot de minderjarige worden volgens de vrouw niet langer nagekomen. Zonder overleg is het co-ouderschap eenzijdig door de man teruggebracht tot een weekend per veertien dagen. Voor de vrouw is er daarom minder flexibiliteit richting het [ziekenhuis] . In zijn algemeenheid wordt de verdiencapaciteit van de vrouw thans negatief beïnvloed.

5.24

Het hof is van oordeel dat de vrouw genoegzaam heeft aangetoond dat zij zich voldoende heeft ingespannen om haar arbeidsuren uit te breiden bij haar voormalige werkgever en dat daarvoor geen mogelijkheid was. In verband met een reorganisatie is de dienstbetrekking van de vrouw beëindigd op 1 augustus 2018. De beëindiging van dit dienstverband en het daarmee gepaard gaande inkomensverlies valt de vrouw niet te verwijten. Door haar inspanningen heeft de vrouw met ingang van 1 juni 2018 een nieuwe dienstbetrekking weten te verkrijgen bij het [ziekenhuis] voor 18 uur per week. De vrouw heeft een pakket aan sollicitatiebrieven overgelegd en heeft daarmee genoegzaam aangetoond dat zij zich voldoende heeft ingespannen om zo veel als mogelijk in eigen levensonderhoud te voorzien. Het hof zal dan ook uitgaan van haar feitelijk te verwerven inkomen en zal de vrouw daarboven geen extra verdiencapaciteit toerekenen, zoals de man betoogt. Het hof heeft hierbij ook rekening gehouden met de zorgtaken die de vrouw voor de minderjarige heeft. Dit brengt mee naar het oordeel van het hof dat de vrouw nog altijd behoefte heeft aan een bijdrage van de man van in ieder geval (thans door indexering) € 759,15 bruto per maand.

5.25

De stelling van de man dat de vrouw inmiddels samenwoont met haar vriend de heer [partner van de vrouw] is onvoldoende onderbouwd, zodat het hof aan die stelling voorbij gaat.

Draagkracht van de man

5.26

De man stelt dat de rechtbank ten aanzien van de partneralimentatie tevens ten onrechte is uitgegaan van een bruto jaarinkomen van € 66.408,-. De man verwijst naar hetgeen hij voor wat betreft de kinderalimentatie hierover heeft gesteld. De man is voorts van mening dat de omstandigheid dat zijn huidige echtgenote (hierna: [huidige echtgenote van de man] ) volledig arbeidsongeschikt is, als gevolg van het syndroom van Sjögren en scoliose, en zij ook geen uitkering ontvangt, een omstandigheid betreft die drukt op zijn draagkracht. Gelet hierop dient bij het vaststellen van de draagkracht van de man rekening te worden gehouden met enerzijds de bijstandsnorm voor een echtpaar en anderzijds dient rekening te worden gehouden met de volledige woonlasten aan de zijde van de man. Ten onrechte wordt verder bij het berekenen van de draagkracht van de man geen rekening gehouden met de door hem opgevoerde schulden van € 500,- per maand. De man dient deze schulden af te lossen en het zijn reële schulden. De man wijst erop dat het huwelijksgerelateerde schulden betreft. De huwelijksgemeenschap had een negatief vermogen van € 23.996,26, waardoor beide partijen een schuld van € 11.998,- hadden. Als gevolg van de verkoop van de voormalige echtelijke woning is daarnaast een schuld van € 11.514,- ontstaan. Bovendien heeft de man onvoldoende draagkracht om naast een bijdrage in de kosten van de minderjarige ook nog partneralimentatie te voldoen.

5.27

De vrouw is ook voor wat betreft de partneralimentatie van mening dat de rechtbank met juistheid is uitgegaan van een jaarinkomen van € 66.408,- bruto aan de zijde van de man. Verder meent de vrouw dat de man ten onrechte stelt dat [huidige echtgenote van de man] niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien en dat dit ten laste dient te komen van de man en daarmee ook ten laste van de vrouw en de minderjarige. Door de man worden volgens de vrouw geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat [huidige echtgenote van de man] arbeidsongeschikt is en niet in aanmerking komt voor een uitkering. De vrouw weet niet beter dan dat [huidige echtgenote van de man] op het moment dat zij en de man elkaar leerden kennen volledig in haar eigen levensonderhoud voorzag. Daarnaast hoeft een reumatische aandoening ook geen beperking te zijn om in het eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw is dan ook van mening dat de rechtbank terecht slechts rekening heeft gehouden met de bijstandsnorm van een alleenstaande en de helft van de woonlast. Ten aanzien van de door de man gestelde schulden voert de vrouw aan dat hier ook bij de berekening van de partneralimentatie geen rekening mee dient te worden gehouden.

5.28

Het hof zal uitgaan van het huidige inkomen van de man bij [huidige werkgever man] , als overwogen in r.o. 5.4 en 5.5 ten aanzien van de kinderalimentatie.

5.29

Het hof is voorts van oordeel dat de man met hetgeen hij heeft aangevoerd voldoende heeft aangetoond dat [huidige echtgenote van de man] gelet op haar gezondheidsklachten onvoldoende dan wel niet in staat is eigen inkomen te verwerven. Dit brengt mee dat het hof de volledige woonlasten van de man van € 469,- per maand tot 1 juni 2018, daarna wegens de verhuizing van de man op 22 mei 2018 van € 307,- per maand, in aanmerking zal nemen en geen rekening zal houden met een aan [huidige echtgenote van de man] toe te rekenen deel van de woonlasten. Gezien het inkomen van de man acht het hof een dergelijke woonlast redelijk. Het hof ziet tevens aanleiding om uit te gaan van de bijstandsnorm van een echtpaar en ten aanzien van de premie ziektekostenverzekering zowel de kosten van de man als de kosten van [huidige echtgenote van de man] in aanmerking te nemen. Bij de berekening van de draagkracht van de man zal derhalve rekening worden gehouden met een premie basisverzekering van € 207,-, betreffende twee keer de nominale zorgpremie in 2017, verminderd met het nominaal deel van de premie dat reeds in de bijstandsnorm is begrepen.

5.30

Voor wat betreft de schulden aan de zijde van de man zal het hof uitgaan van een maandelijkse aflossingsverplichting van in totaal € 500,-, als overwogen in r.o. 5.6 ten aanzien van de kinderalimentatie.

Conclusie

5.31

Gelet op het inkomen van de man en de hierboven genoemde lasten is het hof van oordeel dat de man met ingang van 1 mei 2017 geen draagkracht heeft om enige partneralimentatie te voldoen. Het hof zal de partneralimentatie met ingang van 1 mei 2017 dan ook op nihil bepalen. Wel heeft te gelden dat de vrouw niet zal worden gehouden tot terugbetaling van hetgeen zij vanaf 1 mei 2017 te veel heeft ontvangen aan partneralimentatie. Gezien het consumptieve karakter van alimentatie en het gebrek aan financiële middelen aan de zijde van de vrouw om terug te betalen, is het hof van oordeel dat van de vrouw in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij te veel ontvangen partneralimentatie terugbetaalt.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

6.2

Het hof heeft berekeningen van de draagkracht van partijen gemaakt. Deze berekeningen zijn aan de beschikking gehecht.

7 De beslissing op het principale en het incidentele hoger beroep

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de kinderalimentatie en de partneralimentatie betreft, en, in zoverre, opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie over de periode van 1 mei 2017 tot 1 juni 2018 op € 217,- per maand;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 juni 2018 op € 267,- per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 1 mei 2017 op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de vrouw de eventueel teveel ontvangen kinderalimentatie en partneralimentatie over de periode van 1 mei 2017 tot op heden niet behoeft terug te betalen aan de man;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I. Obbink-Reijngoud, D. Wachter en L.C.A. Verstappen, bijgestaan door mr. N.M. Gerts als griffier, en is op 5 september 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.