Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2272

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
18-09-2018
Zaaknummer
200.223.798/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie, ingangsdatum wijziging, gevolgen ontslag i.p.v. voorzien pensioen, wijziging van omstandigheden, ontvangen erfenis vermindert behoefte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/361
RFR 2019/8
PFR-Updates.nl 2018-0232
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.223.798/01

rekestnummer rechtbank : FA RK 16-9423

zaaknummer rechtbank : C/09/523365

beschikking van de meervoudige kamer van 5 september 2018

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.A. Kazzaz-de Hoog te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.M. Spronk te Utrecht.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 26 juni 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 22 september 2017 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De vrouw heeft op 23 januari 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 11 december 2017 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

- op 12 juni 2018 een V-formulier van 11 juni 2018 met bijlagen.

van de zijde van de vrouw:

- op 8 juni 2018 een V-formulier van 7 juni 2018 met bijlagen.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 20 juni 2018 plaatsgevonden.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

Beide advocaten hebben pleitnotities overgelegd.

2.5

Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof ingekomen een V-formulier van 30 juli 2018 met bijlagen van de zijde van de vrouw.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Partijen zijn gehuwd geweest van [datum] 1978 tot [datum] 2014.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 6 mei 2014 is – voor zover thans van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, de door de man te betalen uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking bepaald op € 1.591,- per maand totdat de (voormalige) echtelijke woning is verkocht en op € 1.852,- per maand nadat de (voormalige) echtelijke woning is verkocht.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, het verzoek van de man om te bepalen dat de partneralimentatie per 1 augustus 2015 niet meer bedraagt dan € 970,23 per maand, dan wel op een bedrag dat de rechtbank juist acht, afgewezen.

4.2

Na een aanvulling ter zitting verzoekt de man het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij de verzoeken van de man in eerste aanleg zijn afgewezen en opnieuw rechtdoende, te bepalen:

I. dat de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie per 1 augustus 2015 niet meer bedraagt dan het overeengekomen bedrag van € 970,23 per maand,

II. dat de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie per 1 januari 2017, of in ieder geval per 1 oktober 2018 op nihil zal worden gesteld, dan wel op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, met kwijtschelding van de achterstand,

III. kosten rechtens.

4.3

De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, althans zijn verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

5 De motivering van de beslissing

Wijziging van omstandigheden

5.1

Het hof is van oordeel dat de door de man gestelde wijzigingen een heroverweging van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie rechtvaardigen. Niet in geschil is immers dat de dienstbetrekking van de man is geëindigd en hij met ingang van 1 augustus 2015 een WW-uitkering ontvangt met daarnaast tien procent van het [pensioen] en de vrouw een erfenis heeft ontvangen als ook haar deel in het [pensioen] van de man ontvangt waarmee haar inkomenspositie is gewijzigd. Het hof zal dan ook beoordelen of sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) waardoor de in de beschikking van 6 mei 2014 vastgestelde bedragen hebben opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven.

Ingangsdatum

5.2

De man stelt dat hij de gevolgen van zijn ontslag en het besluit hiertoe aan de vrouw heeft uitgelegd en dat zij het begreep. Hij heeft ook uitgelegd dat de partneralimentatie per 1 augustus 2015 daarom verlaagd zou worden tot € 970,- per maand en volgens de man was de vrouw daarmee akkoord.

5.3

De vrouw betwist dat zij heeft ingestemd met een verlaging van de alsdan geldende partneralimentatie naar € 970,- per maand met ingang van 1 augustus 2015 zoals door de man wordt gesteld. De door de man beschreven constructie rondom de beëindiging van zijn dienstbetrekking was de vrouw niet bekend in 2017. Pas ter zitting in eerste aanleg c.q. kort voor die zitting kwam de vrouw in het bezit van de beëindigingsovereenkomst. De vrouw verzoekt het hof, voor het geval de partneralimentatie wordt gewijzigd, deze wijziging pas te doen ingaan op 1 januari 2018. Dit gelet op de financiële situatie van de vrouw. Daarbij speelt ook een rol dat het beroepschrift van de man bij het hof op 25 september 2017 is ingekomen en dat pas op 12 december 2017 de bij het beroepschrift behorende stukken zijn ingediend. Pas op laatstgenoemde datum kon de zaak daarom in behandeling worden genomen door het hof, aldus de vrouw.

5.4

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.

5.5

Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat de vrouw onvoorwaardelijk heeft ingestemd met zijn voorstel om met ingang van 1 augustus 2015 minder partneralimentatie te betalen. Wel is komen vast te staan dat de man de vrouw in kennis heeft gesteld van zijn ontslag en de daaruit voortvloeiende inkomensdaling en de gevolgen die dat volgens hem moest hebben voor zijn draagkracht. Het hof acht het dan ook redelijk om 1 augustus 2015 als ingangsdatum voor de eventuele wijziging in de partneralimentatie aan te houden, aangezien de vrouw vanaf die datum op de hoogte was van de gewijzigde omstandigheden en daarmee rekening had kunnen houden.

Behoeftigheid van de vrouw

5.6

De man stelt dat de behoefte van de vrouw is gewijzigd. Zij heeft een erfenis ontvangen, waardoor zij onder meer voor de helft eigenaar is geworden van een woning vrij van hypotheek. Deze woning is inmiddels verkocht. De man voert aan dat het aandeel van de vrouw in de verkoopopbrengst van de woning haar behoefte vermindert, waarmee rekening gehouden moet worden.

5.7

Voor wat betreft de erfenis van haar moeder, erkent de vrouw dat de woning die zich in de erfenis bevond, inmiddels is verkocht door haar en haar zus. De opbrengst bedroeg
€ 240.000,-. De vrouw diende van haar aandeel daarvan onder andere een lening die zij was aangegaan bij haar zus en zwager af te betalen, schulden aan derden en erfbelasting af te dragen. De vrouw leeft van haar inkomen uit arbeid van € 1.072,- netto per maand. Verder ontvangt zij een [pensioenuitkering] van € 101,- bruto per maand, die de man ook ontvangt. Gelet op de woonlasten van de vrouw en haar premie ziektekostenverzekering is een aanvulling van de man onontbeerlijk, aldus de vrouw.

5.8

Het hof overweegt als volgt. In de beschikking voorlopige voorzieningen van 22 april 2014 is de aanvullende behoefte van de vrouw aan een bijdrage in haar levensonderhoud gesteld op een bedrag van € 1.185,- netto per maand. De rechtbank heeft dit overgenomen in de echtscheidingsbeschikking van 6 mei 2014. Ter zitting is duidelijk geworden dat de vrouw van de erfenis van haar moeder, die op 9 februari 2016 is overleden, een bedrag van circa € 86.500,- heeft overgehouden. Het hof is van oordeel dat de vrouw haar vermogen (deels) dient aan te wenden ter voorziening in de kosten van haar eigen levensonderhoud. Het hof zal in redelijkheid uitgaan van een bedrag van € 500,- per maand. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met het feit dat de man per 1 oktober 2020 met pensioen gaat en de vrouw – gelet op de lange duur van hun huwelijk – ongeveer de helft van de pensioenuitkering in het kader van de verevening zal ontvangen. Het hof zal de aanvullende behoefte van € 1.185,- netto per maand daarom verminderen met € 500,- en verder verminderen met € 64,-. Anders dan de vrouw heeft gesteld blijkt uit de door haar overgelegde stukken immers dat de [pensioenuitkering] niet inbegrepen is in het bedrag van € 1.072,-. Zij ontvangt een bedrag van (afgerond) € 64,- (netto) ter zake van het [pensioen] . Het hof gaat er derhalve van uit dat de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage in haar levensonderhoud van € 621,- netto per maand, ofwel € 1.080,- bruto per maand.

Draagkracht van de man

5.9

De man stelt ten aanzien van zijn draagkracht, naar het hof begrijpt, dat zijn draagkracht een bijdrage als opgenomen in de echtscheidingsbeschikking niet meer toelaat. In de echtscheidingsbeschikking van 6 mei 2014 is onder meer bepaald dat de polis van [polis] aan de man wordt toebedeeld onder de voorwaarde dat de man per 1 september 2015 met vervroegd pensioen zou gaan en geen vermindering partneralimentatie zou vragen op die grond. De man heeft echter niet meer de mogelijkheid gehad om per 1 september 2015 met vervroegd pensioen te gaan, omdat hij voor die datum is ontslagen. Zijn werkgever heeft hem gemeld dat er geen werkbare verhouding meer was omdat de man de werkzaamheden al langere tijd niet meer in voldoende mate en met voldoende continuïteit kon verrichten. Gezien zijn lange loopbaan en de grote waardering voor de man heeft de werkgever hem aangeboden samen te zoeken naar de voor de man in financieel opzicht meest gunstige constructie. De voorwaarde van de werkgever was wel dat het dienstverband uiterlijk per 1 augustus 2015 moest eindigen, te weten voor het begin van het nieuwe schooljaar. De man heeft zich goed laten informeren over alle mogelijkheden, waarbij zijn enige doel was het behouden van een zo hoog mogelijk inkomen tot aan de datum van zijn pensionering en daarmee ook een zo groot mogelijke draagkracht, hetgeen zowel in zijn belang als dat van de vrouw was. De man meent dat hij de meest gunstige constructie heeft gekozen, te weten een WW-uitkering gedurende 38 maanden, derhalve tot 1 oktober 2018, in ruil voor het afzien van een transitievergoeding. Indien de man zou hebben gekozen voor een transitievergoeding zou hij een kortere periode een uitkering hebben ontvangen en zou hij na die periode tot de datum van zijn pensionering zijn teruggeworpen op een uitkering op bijstandsniveau. In die situatie zou er geen enkele draagkracht meer zijn en zou de vrouw geen enkel bedrag aan alimentatie meer kunnen ontvangen. De man wijst er verder op dat de ontvangst van een WW-uitkering een sollicitatieplicht impliceert. De man solliciteert maar heeft, mede gelet op zijn leeftijd en gezondheid, geen andere baan kunnen vinden. Het opleggen van een hogere alimentatie dan het bedrag aan partneralimentatie dat hij met zijn huidige inkomen kan voldoen, zou tot gevolg hebben dat de man gestraft wordt voor het feit dat hij ten gevolge van ziekte niet langer meer in staat was de zware baan van docent middelbaar onderwijs uit te voeren, hetgeen onacceptabel is.

5.10

De vrouw voert het volgende aan. De man geeft wederom geen toelichting waaruit blijkt waarom de door hem gekozen constructie gunstig dan wel gunstiger zou zijn dan de situatie zoals omschreven in de beschikking van 2014 van de rechtbank. De vrouw meent dat reeds op die grond, mede gelet op hetgeen de rechtbank in de bestreden beschikking hierover heeft overwogen, het beroep van de man niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Uit de beëindigingsovereenkomst leidt de vrouw af dat de man de kosten vergoed krijgt voor een re-integratietraject tot een bedrag van € 2.500,-. Gelet op dit bedrag zal dit volgens de vrouw geen uitvoerige re-integratiebegeleiding geweest kunnen zijn. De vrouw voert verder aan dat indien de man een ontslagprocedure zou hebben gevoerd, hij in ieder geval nog een periode van enkele maanden of, gelet op zijn dienstverband van 25 jaar, voor een langere periode een uitkering zou kunnen hebben ontvangen naast een transitievergoeding. Wellicht was het tevens voor de man mogelijk om naast het vinden van een nieuwe werkkring in de tussentijd een andere werkkring of andere bezigheden te vinden. Volgens de vrouw hing de medische situatie van de man voor een deel samen met de situatie in zijn oude werkkring. Zij meent dat de man thans in staat is om te werken. Tot op heden zijn door de man geen bewijsstukken van een slechte gezondheid of sollicitaties overgelegd. De vrouw is verder van mening dat rekening moet worden gehouden met een fictief bedrag van € 5.000,- per jaar aan uitkering uit de [polis] polis en 100% van het [pensioen] , derhalve een bedrag van € 12.840,- per jaar.

5.11

Het hof overweegt als volgt. Naar het oordeel van het hof heeft de man bij de beëindiging van zijn dienstbetrekking een reële keuze gemaakt door te kiezen voor het ontvangen van een WW-uitkering voor een periode van 38 maanden, derhalve tot 1 oktober 2018, en daarnaast de uitbetaling van 10% [pensioen] . Deze keuze komt ook de vrouw ten goede, nu de man hiermee zo lang mogelijk aan zijn alimentatieverplichting kan voldoen en de pensioenuitkering die de man met ingang van de pensioengerechtigde leeftijd zal ontvangen hoger zal zijn. Het hof neemt verder in aanmerking dat de man uit hoofde van zijn WW-uitkering een sollicitatieverplichting heeft, zodat het hof er van uitgaat dat de man voldoende inspanningen verricht om aan het arbeidsproces deel te nemen. Het hof zal derhalve rekening houden met een WW-plus uitkering aan de zijde van de man van € 49.240,- en een [pensioen] van € 1.212,-, zodat het jaarinkomen van de man uitkomt op € 50.452,-. De stellingen van de vrouw die er op gebaseerd zijn dat de man een inkomen uit de [polis] polis (thans [polis] ) geacht had te verwerven passeert het hof als onvoldoende onderbouwd. De stelling van de vrouw dat rekening gehouden moet worden met het volledige [pensioen] treft ook geen doel nu het hof hiervoor overwogen heeft dat het de man in redelijkheid vrijstond om het [pensioen] in deze fase tot 10% te beperken.

5.12

Voor het overige houdt het hof rekening met een draagkrachtloos inkomen van de man van € 1.504,- per maand. Dit bedrag bestaat uit de volgende posten, welke door de man in zijn draagkrachtberekening zijn opgevoerd en niet door de vrouw zijn betwist:

- € 977,- per maand aan bijstandsnorm voor een alleenstaande;

- woonlasten van € 342,- per maand, betreffende een kale huur van € 571,- per maand, verminderd met de gemiddelde basishuur van € 229,-;

- ten aanzien van de ziektekosten een bedrag van € 185 per maand, betreffende een premie zorgverzekering van € 177,- per maand, verminderd met het reeds in de bijstandsnorm begrepen deel van de ziektekosten van € 39,- per maand en vermeerderd met het eigen risico van € 32,- per maand en overige ziektekosten van € 15,- per maand.

Het hof houdt voorts rekening met een draagkrachtpercentage van 60.

5.13

Uit het voorgaande volgt dat de draagkracht van de man een partneralimentatie van € 1.130,- bruto per maand toelaat. Dit bedrag overstijgt de (bruto) aanvullende behoefte van de vrouw van € 1.080,- per maand, zodat het hof de partneralimentatie zal bepalen op € 1.080,- per maand. De bestreden beschikking dient in zoverre te worden vernietigd.

5.14

De berekening van de draagkracht van de man wordt aan deze beschikking gehecht.

Verkoop van de voormalige echtelijke woning

5.15

Ter zitting is komen vast te staan dat de voormalige echtelijke woning inmiddels is verkocht met een restschuld van circa € 300.000,-. De man verzoekt daarom nihilstelling per 1 oktober 2018 als zijn WW-uitkering eindigt of zoveel eerder als met de betalingen aan de [bank] begonnen moet worden.

5.16

Na de zitting is door de advocaat van de vrouw met toestemming van het hof een brief van de [bank] van 4 juli 2018 overgelegd waaruit blijkt dat de zogenoemde restschuld na verkoop van de woning € 290.355,72 bedraagt en dat de [bank] de gehele schuld van partijen hoofdelijk vordert.

5.17

Het hof zal met deze schuld (thans) geen rekening houden. Uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting is niet vast komen te staan hoe de afwikkeling van deze schuld zal verlopen en welke consequenties dat zal hebben voor de beschikbare draagkracht van de man voor de voldoening van partneralimentatie. Ter zitting is het hof gebleken dat een lijfrentepolis van [verzekeraar] die een aanzienlijke waarde vertegenwoordigt, tussen partijen onverdeeld is gebleven. Partijen maken allebei aanspraak op deze polis, die volgens de verklaring van de man ongeveer een waarde van € 250.000,- vertegenwoordigt. Tezamen met het bij de vrouw aanwezige vermogen uit hoofde van het restant van de door haar ontvangen erfenis is nu nog niet duidelijk voor het hof of deze schuld niet op korte termijn door partijen volledig gedelgd kan worden.

Periode na 1 oktober 2018

5.18

Vast staat dat de WW-uitkering van de man eindigt na 38 maanden, derhalve op 1 oktober 2018. Gelet hierop is het hof van oordeel dat het de man met ingang van 1 oktober 2018 aan draagkracht ontbreekt om enige bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te voldoen. Het hof zal de bijdrage met ingang van 1 oktober 2018 dan ook op nihil bepalen.

Terugbetaling

5.19

Het hof is van oordeel voor zover de man vanaf 1 augustus 2015 tot op heden meer heeft betaald en/of meer op hem is verhaald dan de onder 5.13 vermelde bijdrage, van de vrouw, gelet op het consumptieve karakter van de partneralimentatie, niet kan worden gevergd om de teveel ontvangen alimentatie terug te betalen.

Proceskosten

5.20

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

5.21

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt – met wijziging van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 6 mei 2014 – dat de man aan de vrouw over de periode van 1 augustus 2015 tot 1 oktober 2018 een partneralimentatie van € 1.080,- bruto per maand zal betalen;

stelt – met wijziging van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 6 mei 2014 – de door de man aan de vrouw met ingang van 1 oktober 2018 te betalen partneralimentatie op nihil;

bepaalt dat de vrouw eventueel te veel ontvangen partneralimentatie over de periode van 1 augustus 2015 tot op heden niet hoeft terug te betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. D. Wachter, I. Obbink-Reijngoud en L.C.A. Verstappen, bijgestaan door mr. N.M. Gerts als griffier, en is op 5 september 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.