Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2270

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
18-09-2018
Zaaknummer
200.212.028
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verzekeringsrecht; brandverzekering; verzekerd belang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2018, afl. 6, p. 319
S&S 2019/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.212.028/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/500154 / HA ZA 15-1292

arrest van 18 september 2018

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. K. Rodenburg te Amsterdam,

tegen

Reaal Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Reaal,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 24 januari 2017, hersteld op 17 maart 2017, is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag, team handel, tussen partijen gewezen vonnis van 14 december 2016. Bij memorie van grieven heeft [appellant] negen grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft Reaal de grieven bestreden.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn als zodanig door partijen niet zijn bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

2. Met inachtneming van die feiten en hetgeen verder als onbestreden is komen vast te staan, gaat het in deze zaak om het volgende.

2.1

[appellant] is eigenaar van een woning aan de [adres 1] ,

alwaar hij ook woonachtig is.

2.2

In april 2008 heeft [appellant] een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot een pand aan de [adres 2] (hierna: het pand). Hij was voornemens in het pand te gaan wonen. Verkopers waren de heer [X] en mevrouw [Y] (hierna: [verkoper] c.s. ).

2.3

Het pand zou aan [appellant] geleverd worden op 16 mei 2008. De levering heeft

geen doorgang gevonden. De door [appellant] hiervoor genoemde redenen zijn dat er beslag was gelegd op het pand; dat op het pand de bestemming 'bedrijfswoning' rustte, terwijl het was verkocht als woonhuis; en dat verkopers niet geregistreerd waren als eigenaar. De koopprijs heeft [appellant] nooit betaald.

2.4

[verkoper] c.s. (waarbij [X] werd vertegenwoordigd door zijn vader [Z] ) en [appellant] hebben vervolgens op 22 mei 2009 een "huurovereenkomst woonruimte" (model ROZ) ondertekend met betrekking tot het pand. In de overeenkomst is onder "11. toevoeging" onder meer het volgende opgenomen:

"- De huurtermijn wordt aangegaan voor 12 maanden

- Na het verstrijken van deze periode dient de overdracht per direct plaats te vinden onder voorbehoud van financiering en tegen de huidige voorwaarden

- Indien de overdracht niet kan plaatsvinden vervallen alle rechten van de huurder en is eigenaar vrij om het pand aan derden aan te bieden (…)

- De huurprijs wordt vastgesteld op € 2000 per maand, waarvan € 1000 per maand wordt overgemaakt. In totaal wordt gedurende het jaar € 12.000 in het pand geïnvesteerd"

2.5

[appellant] heeft, door middel van zijn assurantietussenpersoon [naam tussenpersoon] Assurantiën (hierna: [naam tussenpersoon] ), op 29 mei 2009 bij Reaal op eigen naam een zogeheten Woonhuisverzekering aangevraagd voor het pand, in eerste instantie voor opstal en inboedel. De opstalverzekering is met ingang van 15 juni 2009 van kracht geworden, waarbij het pand tegen een herbouwwaarde van € 375.000 is gedekt. Een inboedelverzekering is niet afgesloten.

2.6

Bij e-mail van 13 juli 2009 14:53 uur schreef [appellant] aan de partner van [verkoper] :

"de opstalverzekering is geregeld, graag nog even bericht hoe en met wie deze premie verrekend moet worden"

waarop de partner van [verkoper] nog dezelfde dag om 16:21 uur als volgt reageerde:

"Als je kan, scan me de gegevens van de verzekering, polis en rekening. Deze is uiteraard ten onze laste."

2.7

Het pand is vanaf enig moment (maar in ieder geval vanaf 1 juli 2012) verhuurd aan verschillende derden.

2.8

Blijkens een tussen [Z] en [naam] Claening gesloten "huurovereenkomst overige bedrijfsruimte" is het pand met ingang van 1 juli 2012 tot en met 1 januari 2013 verhuurd aan [naam] Cleaning, op basis van een huurovereenkomst "Overige Bedrijfsruimte". In de huurovereenkomst is onder meer bepaald:

"1.2 Het gehuurde zal door of vanwege huurder uitsluitend worden bestemd om te worden gebruikt als opslag en kantoor

1.3

Het is huurder niet toegestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder een andere bestemming aan het gehuurde te geven dan omschreven in 1.2."

[naam] Cleaning betaalde de huur, volgens de huurovereenkomst € 2.000 per maand, rechtstreeks aan (de hypotheekverstrekker van) [verkoper] c.s. .

2.9

Op 5 december 2013 heeft het pand stormschade geleden. Op het schadeformulier heeft [appellant] de vraag "Bent u de eigenaar van het pand" ontkennend beantwoord. Reaal heeft de schade, begroot op € 722,12, onder de Woonhuisverzekering aan [appellant] vergoed.

2.10

Op 30 juni 2014 heeft er brand gewoed in het pand, waardoor het volledig verloren is gegaan. [appellant] heeft de brandschade bij Reaal gemeld en uitkering onder de Woonhuisverzekering gevraagd. Daarop heeft Reaal een onderzoek ingesteld, onder meer naar de oorzaak van de brand. Door EMN werd in opdracht van Reaal een schadebegroting opgesteld die sloot op € 534.537,--.

2.11

Bij brief van 13 augustus 2014 schreef [verkoper] c.s. aan [appellant] :

"U bent huurder van de [adres 2] . Als huurder spreek ik u aan met betrekking tot het volgende.

Wij hebben vernomen dat er in het door u gehuurde pand een drugslaboratorium is

aangetroffen. Enkel 1 week later is het onroerend goed geheel uitgebrand.

Wij houden u aansprakelijk voor de gehele schade, direct of indirect, reeds ontstaan of nog op te komen schade. Dit betekent dat u gehouden bent het gehuurde object weer in de oude staat te herstellen dan wel ons volledig schadeloos te stellen,

Er was ook afgesproken dat u het gehuurde object voldoende verzekerd zou hebben en houden. Wij gaan er dan ook vanuit dat eventuele verzekeringspenningen gebruikt dienen te worden om ons als verhuurders, schadeloos te stellen."

2.12

Bij brief van 6 januari 2015 heeft Reaal uitkering geweigerd. Reaal schreef onder meer:

"De stukken hebben wij inmiddels ontvangen en beoordeeld. Op 30 juni 2014 is er brand ontstaan en is het pand volledig verloren gegaan. Een week voor de brand is er in het pand een drugslaboratorium opgerold.

Eigendom van de woning

Uit de ontvangen informatie blijkt dat u niet de eigenaar bent van de woning. De verzekering die u bij ons voor deze woning heeft gesloten verzekert u als eigenaar van die woning. Hiervoor verwijzen wij u naar artikel 1.1. van de polisvoorwaarden. Hierin staat dat de verzekerde de eigenaar van de woning is. Meerdere passages in de voorwaarden spreken van "uw woning". Aanvullend hierop verwijzen wij nog naar artikel 2.4. Hierin staat dat wanneer verzekerde geen eigenaar meer is, de verzekering stopt.

Duidelijk mag zijn dat de woonhuisverzekering de intentie heeft om verzekerde ais eigenaar schadeloos te stellen voor de financiële gevolgen van een (gedekte) schade. Dat is hier dus niet het geval.

Bestemming van het gebouw

Naast dat u zelf noch eigenaar noch bewoner bent, blijkt dat het gebouw wordt verhuurd als bedrijfsruimte hetgeen kennelijk zelfs heeft geleid tot bedrijfsactiviteiten zoals een drugslaboratorium". De onderhavige verzekering verzekert een woonhuis. Ons is noch bij aanvraag van de verzekering noch tussentijds meegedeeld dat de bestemming anders was dan een woonhuis. Wanneer ons dat wel was meegedeeld, dan was deze verzekering door ons niet op deze voorwaarden condities geaccepteerd. Uit (onder meer) artikel 1.3 blijkt wat uw verplichtingen zijn wanneer er iets aan de woonsituatie en de bestemming van het pand verandert.

Onze beslissing

Het spijt ons u te moeten berichten dat wij niet tot vergoeding van de schade kunnen overgaan."

2.13

In deze procedure vordert [appellant] – zakelijk weergegeven –

primair de veroordeling van Reaal tot nakoming van de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst door uitkering van de schadepenningen zoals vastgesteld conform de verzekeringsvoorwaarden en

subsidiair de veroordeling van Reaal tot betaling van schadevergoeding op grond van een toerekenbare tekortkoming gelijk aan de hoogte van de schadepenningen zoals deze zouden worden vastgesteld conform de tussen partijen geldende verzekeringsvoorwaarden;

een en ander met veroordeling van Reaal in de kosten van de procedure.

2.14

[appellant] legt aan zijn vordering ten grondslag dat er op 30 juni 2014 brand heeft

gewoed in het pand en dat hij op grond van de met Reaal gesloten Woonhuisverzekering recht heeft op uitkering van de verzekeringspenningen voor de schade die de brand heeft veroorzaakt. Het feit dat [appellant] geen eigenaar is van het pand, doet daar volgens hem niet aan af. Subsidiair, voor het geval dat zou hebben te gelden dat hij geen rechthebbende in de zin van de Woonhuisverzekering is, stelt Teunnissen dat Reaal jegens hem toerekenbaar tekort is geschoten. Reaal had [appellant] er na de eerdere schademelding in 2013 op moeten wijzen dat hij geen rechthebbende in de zin van de Woonhuisverzekering was en heeft dat nagelaten, als gevolg waarvan [appellant] erop heeft vertrouwd dat de verzekering ook aan hem dekking bood en hij geen alternatieve verzekering heeft afgesloten. De schade die [appellant] als gevolg daarvan lijdt, is gelijk aan de herbouwwaarde van het woonhuis zoals die onder de verzekering is gedekt.

2.15

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen. De rechtbank overwoog daartoe dat de Woonhuisverzekering ervan uit gaat de verzekerde ook eigenaar is van de opstal en enkel aan hem wordt uitgekeerd. Nu [appellant] geen eigenaar is van het pand, heeft hij geen verzekerd belang in de zin van de woonhuisverzekering. Ook het beroep op rechtsverwerking heeft de rechtbank verworpen, omdat Reaal op grond van de door [appellant] met behulp van zijn assurantietussenpersoon verstrekte informatie ervan mocht uitgaan dat [appellant] eigenaar was van de woning, die hij vervolgens aan derden verhuurde.

3.1

In hoger beroep vordert [appellant] zakelijk weergegeven, de vernietiging van het bestreden vonnis en toewijzing van zijn inleidende vorderingen, met veroordeling van Reaal in de kosten van beide instanties. Reaal heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

3.2

De grieven van [appellant] zijn gericht tegen het oordeel dat de Woonhuisverzekering een eigenaarspolis betreft, alsmede de overwegingen die de rechtbank hebben gebracht tot de afwijzing van het beroep op rechtsverwerking / gerechtvaardigd vertrouwen en tot slot tegen het oordeel dat [appellant] ook overigens geen verzekerd belang heeft. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.3

Het hof overweegt als volgt.

Een woonhuisverzekering zoals hier aan de orde is een schadeverzekering als bedoeld in Boek 7, titel 17, afdeling 2 BW. Dat betekent dat deze strekt tot vergoeding van vermogensschade die de verzekerde zou kunnen leiden. De verzekerde is degene die in geval van door hem geleden schade krachtens de verzekering recht heeft op vergoeding (artikel 7:745 BW). Bij schade aan een woonhuis zal dat in de regel de eigenaar zijn, maar het is ook denkbaar dat de verzekerde in een andere hoedanigheid vermogensschade lijdt. Het hof laat in het midden of de onderhavige verzekering alleen dekking bood aan een verzekerde in zijn hoedanigheid van (juridisch) eigenaar van het pand of ook aan andere verzekerden die een vermogensrechtelijk belang bij het verzekerde object hebben.

3.4

In deze procedure staat vast dat [appellant] verzekeringnemer is en dat sprake is geweest van brand, een in beginsel door de polis gedekte gebeurtenis. Omdat [appellant] niet de (juridisch) eigenaar is van het pand, heeft hij dus ook niet als eigenaar schade geleden.

3.5

Veronderstellenderwijze ervan uitgaande dat de onderhavige verzekering ook schade van andere verzekerden met een vermogensrechtelijk belang dekt, is de centrale vraag in dit geschil of [appellant] als gevolg van de brand in een andere hoedanigheid vermogensschade heeft geleden als gevolg van de brand, met andere woorden of er ten tijde van de brand sprake was van een verzekerd belang. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

3.6

Daar een verzekering ingevolge het bepaalde in artikel 7:946 BW slechts de belangen van de verzekeringnemer dekt (tenzij anders is overeengekomen, maar dat is niet gesteld of gebleken) moet het hier gaan om een verzekerd belang van [appellant] .

3.7

Hoe [appellant] zich verhield tot het pand ten tijde van de brand is op grond van de vaststaande feiten niet met zekerheid vast te stellen. [appellant] heeft in hoger beroep vier hoedanigheden genoemd: die van huurder, van economisch eigenaar, van bewaarnemer dan wel van beheerder. Volgens [appellant] was hij in deze hoedanigheden (althans in één daarvan) jegens de eigenaar verplicht het pand verzekerd te houden; zijn schade bestaat erin dat de eigenaar hem aansprakelijk houdt voor de brandschade. Nog daargelaten de vraag of de onderhavige verzekering naar zijn aard dekking kan bieden voor aansprakelijkheid (het gaat immers niet om een aansprakelijkheidsverzekering), is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat [appellant] door de eigenaar aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade als gevolg van de brand. Het hof zal de genoemde hoedanigheden achtereenvolgens bespreken.

3.8

[appellant] stelt dat hij door [verkoper] c.s. als bewaarnemer danwel beheerder is aangesteld van het pand, maar hij heeft deze stelling onvoldoende onderbouwd. Nu [appellant] de aanduiding beheerder en bewaarnemer door elkaar gebruikt, gaat het hof ervan uit dat hij daarmee hetzelfde bedoelt. Naar het antwoord op de vraag wanneer hij als beheerder / bewaarnemer is aangesteld en welke afspraken daarbij precies zijn gemaakt heeft het hof in het dossier tevergeefs gezocht. [appellant] heeft er weliswaar op gewezen dat hij in de overgelegde huurovereenkomst van [naam] Cleaning wordt vermeld als beheerder, maar dat is onvoldoende om de conclusie te dragen dat hij is aan te merken als bewaarnemer van het pand in de zin van Boek 7, titel 9 BW. Ook als juist zou zijn dat [appellant] het beheer van het pand voerde, vloeit daaruit overigens niet voort dat hij gehouden is de brandschade te vergoeden aan de eigenaren, [verkoper] c.s. . [appellant] heeft ook in appel niet nader toegelicht dat hem door [verkoper] c.s. een verwijt kan worden gemaakt voor het ontstaan van de brand, zodat moet worden aangenomen dat in zijn verhouding tot de eigenaren sprake is van overmacht (volgens [appellant] is de brand ontstaan door blikseminslag). [appellant] heeft evenmin toegelicht dat hij het op zich had genomen het pand ten behoeve van [verkoper] c.s. te verzekeren (in welk geval laatstgenoemden als verzekerden op de polis hadden moeten zijn opgenomen) en dat hij daarin is te kort geschoten. Voor zover [appellant] meent dat zijn gehoudenheid het pand te verzekeren blijkt uit het feit dat hij door [verkoper] c.s. aansprakelijk is gesteld, volgt het hof hem niet. Niet valt in te zien dat uit een enkele aansprakelijkstelling (die overigens op een veronderstelde huurovereenkomst is gebaseerd en niet op bewaargeving of beheerderschap, terwijl voorts onduidelijk is of aan de aansprakelijkstelling ooit vervolg is gegeven) een gehoudenheid kan worden afgeleid.

3.9

Vast staat wel dat [appellant] in mei 2009 huurder is geworden van het pand. Alles duidt er echter op dat [appellant] dat ten tijde van de brand niet meer was. Het pand was vanaf 1 juli 2012 immers door [verkoper] c.s . verhuurd aan [naam] Cleaning, terwijl [appellant] in die huurovereenkomst slechts wordt genoemd als beheerder, en niet als hoofdhuurder. Overigens is ook een huurder van een opstal niet gehouden de opstal ten behoeve van de eigenaren tegen brand te verzekeren.

310 Het mag zo zijn dat [appellant] nog steeds de hoop had ooit eigenaar te worden van het pand en de beleving had dat hij alvast kon beschikken over de economische eigendom van het pand, maar die hoop of die beleving maken niet dat [appellant] een verzekerd belang heeft bij het verloren gegane pand.

3.11

Nu van door [appellant] geleden schade niet is gebleken, en daarmee geen sprake is van een verzekerd belang, kan [appellant] geen aanspraak maken op uitkering ingevolge de polis. De primaire vordering is terecht afgewezen.

3.12

Daarmee komt het hof toe aan de vraag of de subsidiaire vordering tot schadevergoeding op grond van toerekenbare tekortkoming kan worden toegewezen. Deze tekortkoming zou er – zo begrijpt het hof – uit bestaan dat Reaal ondanks het feit dat [appellant] geen eigenaar was van het pand en Reaal hiervan op de hoogte kan zijn geweest (op het schadeformulier van 17-12-2013 waarmee de eerdere stormschade werd gedeclareerd was immers aangekruist dat [appellant] niet de eigenaar van het pand was) de schade ad € 772,12 heeft vergoed. De vraag is of [appellant] er daarom redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat zijn schade zou worden vergoed bij het verloren gaan van het pand.

3.13

Evenals de rechtbank beantwoordt het hof deze vraag ontkennend. Daartoe overweegt het hof dat – gelet op het vorenstaande – van enige schade van [appellant] door het teloor gaan van het pand niet is gebleken. Om die reden kan ook geen sprake zijn van een gerechtvaardigd vertrouwen dat Reaal tot uitkering zou overgaan.

3.14

Onder deze omstandigheden kan het feit dat Reaal bij de afhandeling van de stormschade in 2013 een kruisje op het schadeformulier over het hoofd heeft gezien, waardoor zij – ondanks het ontbreken van een verzekerd belang van [appellant] – onverplicht tot uitkering is overgegaan, evenmin leiden tot het oordeel zij haar recht heeft verwerkt om zich op het ontbreken van een verzekerd belang te beroepen bij een volgende schade.

3.15

Bij gebreke van stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

3.16

Dit een en ander betekent dat het hoger beroep faalt. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag, team handel van 14 december 2016;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Reaal tot op heden begroot op € 5.200,-- aan griffierecht en € 4.678,-- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, D.A. Schreuder en C.A. Joustra en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 september 2018 in aanwezigheid van de griffier.