Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2209

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
31-08-2018
Zaaknummer
22-001065-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan rijden onder invloed van alcohol, alsmede aan het besturen van een auto, terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Voorts ontzegt het hof de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001065-17

Parketnummers: 96-247229-16, 96-221908-15,

96-111131-16 (TUL) en 09-076593-13 (TUL)

Datum uitspraak: 28 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 2 maart 2017 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1979,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 14 augustus 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is bij twee inleidende dagvaardingen met parketnummers 96-247229-16 en 96-221908-15, waarvan de feiten reeds ter terechtzitting in eerste aanleg zijn gevoegd en die door het hof van een doorlopende nummering zijn voorzien, ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 96-247229-16:


1.
hij op of omstreeks 14 november 2016 te Zoetermeer terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Australieweg, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;


2.
hij op of omstreeks 14 november 2016 te Zoetermeer, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs zijn geldigheid had verloren en dat hij bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs moet voldoen aan de bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 123b, derde lid, gestelde voorwaarden, tenzij aan hem, nadat hij aan deze voorwaarden heeft voldaan, een ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Australieweg, als bestuurder een motorrijtuig (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;

Zaak met parketnummer 96-221908-15:

3.
hij op of omstreeks 2 november 2015 te Zoetermeer als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 730 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Procesgang

In eerste aanleg is het Openbaar Ministerie ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit niet-ontvankelijk verklaard.

De verdachte is in eerste aanleg ter zake van het onder 1 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarde zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep. Voorts is de verdachte veroordeeld tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 8 maanden met aftrek en is omtrent de vorderingen tenuitvoerlegging beslist zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van feiten 1, 2 en 3 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 dag met aftrek van voorarrest, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met als bijzondere voorwaarde een behandelverplichting bij Brijder. Voorts vordert de advocaat-generaal een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis en ter zake van feit 3 een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 8 maanden. Ten aanzien van de vorderingen tenuitvoerlegging vordert de advocaat-generaal ter zake van de vordering met parketnummer 09-076593-13 de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en ter zake van de vordering met parketnummer 96-111131-16 de tenuitvoerlegging van die vordering in de vorm van omzetting van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf in een taakstraf voor de duur van 20 uren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich overeenkomstig de door de officier van justitie ingediende appelschriftuur – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie in eerste aanleg ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard voor het onder 2 ten laste gelegde feit. Ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde is volgens de advocaat-generaal geen sprake van hetzelfde feit als bedoeld in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr), nu feit 1 betrekking heeft op ongeldigverklaring van het rijbewijs en feit 2 op ongeldigwording van het rijbewijs.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van ‘hetzelfde feit’ dient de rechter, gelet op het arrest van de Hoge Raad d.d. 22 september 2015 (ECLI:NL:HR:2015:2773), in de situatie waarop artikel 68 Sr ziet de in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten te vergelijken. Bij die toetsing dienen de juridische aard van de feiten en de gedraging van de verdachte als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken. Uit de bewoordingen van het begrip ‘hetzelfde feit’ vloeit reeds voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Bij een en ander kan als vuistregel gelden dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ (vgl. Hoge Raad 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102).

Het hof overweegt in de lijn van deze jurisprudentie dat, hoewel de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten niet volledig onder dezelfde delictsomschrijving vallen, deze wel binnen hetzelfde artikellid (namelijk artikel 9 lid 2 Wegenverkeerswet 1994) zijn geformuleerd. Tevens is het beschermde belang van beide feiten gelijk (te weten de bescherming van de verkeersveiligheid), hetgeen ook geldt voor de – in geval van bewezenverklaring – kwalificatie van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De strafmaxima zijn identiek en de aard van het verwijt verschilt nauwelijks. Beide feiten hebben daarnaast betrekking op eenzelfde gedraging en met betrekking tot de verweten gedraging is sprake van eenheid van plaats en tijd. Dat het bewijs van wetenschap bij de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten niet geheel hetzelfde is, vormt naar het oordeel van het hof een zodanig beperkt verschil dat het in de omstandigheden van het geval onvoldoende opweegt tegen de genoemde overeenkomsten.

Het hof is derhalve – anders dan de advocaat-generaal - van oordeel dat ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten sprake is van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 Sr, hetgeen meebrengt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor het onder 2 ten laste gelegde feit.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op of omstreeks 14 november 2016 te Zoetermeer terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Australiëweg, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;.


3.
hij op of omstreeks 2 november 2015 te Zoetermeer als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 730 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere overweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota – naar voren gebracht dat de herkenning van verdachte door de verbalisant niet voor het bewijs gebruikt mag worden. De raadsman stelt zich op het standpunt dat de deugdelijkheid van de herkenning onvoldoende getoetst kan worden om te kunnen concluderen dat sprake is van een voldoende betrouwbare herkenning om voor het bewijs te bezigen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof is op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep van oordeel dat verbalisant [verbalisant] in het proces-verbaal van bevindingen met bijlage (PL1500-2016317494-2) duidelijk heeft omschreven aan welk specifiek kenmerk – een klein donker vlekje aan de linkerkant van zijn linkeroog – hij de verdachte heeft herkend. Dit kenmerk is dermate specifiek dat dit, in combinatie met hetgeen de verbalisant overigens heeft opgemerkt – over de huidskleur, haarlijn, de kaaklijn, de stand van de ogen en de neus – voldoende is om de herkenning door de verbalisant te kunnen toetsen en betrouwbaar te achten.

Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (730 microgram).

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan rijden onder invloed van alcohol, alsmede aan het besturen van een auto, terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Door aldus te handelen heeft de verdachte niet alleen zijn eigen veiligheid in gevaar gebracht, maar ook die van de overige verkeersdeelnemers. Verdachte heeft er tevens blijk van gegeven door het openbaar gezag ten behoeve van de verkeersveiligheid getroffen maatregelen naar believen te negeren.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is naar voren gekomen dat de verdachte een moeilijke periode achter de rug heeft. Het hof acht van belang dat de verdachte – zo blijkt onder meer uit het voortgangsverslag van Fivoor d.d. 13 augustus 2018 – zijn best doet om zijn leven weer op de rails te krijgen. De problemen waarmee de verdachte te maken heeft (gehad) rechtvaardigen echter niet dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de bewezen verklaarde feiten.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 juli 2018, waaruit blijkt dat verdachte reeds enkele malen eerder is veroordeeld voor – onder meer - rijden onder invloed.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur en een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur met aftrek, een passende en geboden reactie vormen.

Vordering tenuitvoerlegging 96-111131-16

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 25 augustus 2016 onder parketnummer 96-111131-16 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 dagen, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, gevorderd dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf wordt omgezet in een taakstraf voor de duur van 20 uren.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

In plaats daarvan zal het hof echter - gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken – de gevangenisstraf omzetten in een taakstraf voor de duur van 108 uren, te vervangen door 27 dagen hechtenis, en de tenuitvoerlegging daarvan gelasten.

Vordering tenuitvoerlegging 09-076593-13

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 26 augustus 2013 onder parketnummer 09-076593-13 is de verdachte veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden, met bevel dat die ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het Openbaar Ministerie ter zake van de in eerste aanleg ingediende vordering tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feiten begaan, terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd – welke blijkens een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 juli 2018, na verlenging duurde tot 27 oktober 2017 - nog niet was verstreken.

Naar het oordeel van het hof zijn er echter, gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en in aanmerking genomen dat de verdachte recent in een andere zaak een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden heeft gehad, termen aanwezig om die vordering niet toe te wijzen.

De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 9, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het Openbaar Ministerie ter zake van het onder 2 ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 13 (dertien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd onder behandeling zal blijven van Brijder op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 25 augustus 2016 met parketnummer 96-111131-16, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 27 dagen, een

taakstraf voor de duur van 108 (honderdacht) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 27 (zevenentwintig) dagen hechtenis.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Utrecht van 21 december 2016, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 26 augustus 2013, 09-076593-13, voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J.G. Göbbels,

mr. Chr.A. Baardman en mr. R.F. de Knoop, in bijzijn van de griffier mr. A.F. Bijl.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 augustus 2018.

Mr. M.P.J.G. Göbbels is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.