Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2199

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-08-2018
Datum publicatie
31-08-2018
Zaaknummer
22-004302-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze als bestuurder van een personenauto schuldig gemaakt aan aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam rijgedrag, als gevolg waarvan een ongeval heeft plaatsgevonden en een dodelijk slachtoffer te betreuren is.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis. Voorts ontzegt het hof de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004302-17

Parketnummer: 10-177519-15

Datum uitspraak: 30 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 september 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1991,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 16 augustus 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 maart 2015 te Vlaardingen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Westlandseweg, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

in strijd met een voor zijn, verdachtes, rijrichting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht

de kruising (van die Westlandseweg met de Burgemeester Heusdenslaan en de Burgemeester Pruissingel) is opgereden en rechtdoorgaand is overgestoken en/of (daarbij) zijn aandacht niet voortdurend op de weg en het verkeer vóór hem heeft gehouden en/of (aldus rijdende) niet heeft opgemerkt dat een bromfietser en een voetganger, die voor hem, verdachte, van rechts kwamen, zich inmiddels op de voor hen bestemde oversteekplaatsen bevonden terwijl de voor hen geldende verkeerslichten groen licht uitstraalden en/of die bromfietser en die voetganger niet heeft laten voorgaan en/of (vervolgens) op de (brom)fietsoversteekplaats in botsing of aanrijding is gekomen met die bromfietser,

als gevolg waarvan die bromfietser ten val is gekomen en de voetganger en diens aangelijnde hond door de over het wegdek glijdende bromfiets werden geraakt,

waardoor die bromfietser, genaamd [slachtoffer], werd gedood;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 21 maart 2015 te Vlaardingen als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Westlandseweg, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

in strijd met een voor zijn, verdachtes, rijrichting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht

de kruising (van die Westlandseweg met de Burgemeester Heusdenslaan en de Burgemeester Pruissingel) is opgereden en rechtdoorgaand is overgestoken en/of (daarbij) zijn aandacht niet voortdurend op de weg en het verkeer vóór hem heeft gehouden en/of (aldus rijdende) niet heeft opgemerkt dat een bromfietser en een voetganger, die voor hem, verdachte, van rechts kwamen, zich inmiddels op de voor hen bestemde oversteekplaatsen bevonden terwijl de voor hen geldende verkeerslichten groen licht uitstraalden en/of die bromfietser en die voetganger niet heeft laten voorgaan en/of (vervolgens) op de (brom)fietsoversteekplaats in botsing of aanrijding is gekomen met die bromfietser en de voetganger en diens aangelijnde hond door de over het wegdek glijdende bromfiets werden geraakt.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 21 maart 2015 te Vlaardingen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Westlandseweg, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

in strijd met een voor zijn, verdachtes, rijrichting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht de kruising (van die Westlandseweg met de Burgemeester Heusdenslaan en de Burgemeester Pruissingel) is opgereden en rechtdoorgaand is overgestoken en/of (daarbij) zijn aandacht niet voortdurend op de weg en het verkeer vóór hem heeft gehouden en/of (aldus rijdende) niet heeft opgemerkt dat een bromfietser en een voetganger, die voor hem, verdachte, van rechts kwamen, zich inmiddels op de voor hen bestemde oversteekplaatsen bevonden terwijl de voor hen geldende verkeerslichten groen licht uitstraalden en/of die bromfietser en die voetganger niet heeft laten voorgaan en/of (vervolgens) op de (brom)fietsoversteekplaats in botsing of aanrijding is gekomen met die bromfietser,

als gevolg waarvan die bromfietser ten val is gekomen en de voetganger en diens aangelijnde hond door de over het wegdek glijdende bromfiets werden geraakt,

waardoor die bromfietser, genaamd [slachtoffer], werd gedood.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken nu niet vastgesteld kan worden dat de verdachte door rood licht is gereden. Daartoe heeft zij onder andere aangevoerd dat er geen logbestanden van de verkeersregelinstallatie beschikbaar zijn en dat de verkeersongevallenanalyse van de politie ervan uitgaat dat, nu de verkeersregelinstallatie geen storing heeft aangegeven, de installatie geen storing had en dus goed werkte, waarmee men normatieve vaststelling op normatieve vaststelling stapelt. Volgens de raadsvrouw kan de goede werking van het systeem en van de vergrendeling van conflicterende fasen niet als vaststaand worden aangenomen en wordt de controle op en de garantie van de juiste werking van de verkeersregelinstallatie niet gewaarborgd.

Omtrent dit verweer overweegt het hof als volgt.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat voetganger [getuige] groen licht zag en dat [getuige 2] zag dat rechtdoorgaand verkeer uit de aan de verdachte tegenovergestelde richting rood licht had. In het ontwerp van de verkeersregelinstallatie op het betreffende kruispunt komt die situatie enkel voor in combinatie met rood licht voor de fase waarin de verdachte zich bevond. Uit die omstandigheid leidt het hof af dat het niet anders kan dan dat de verdachte door rood is gereden. Die conclusie acht het hof gerechtvaardigd omdat het hof uit de bewijsmiddelen afleidt dat de verkeersregelinstallatie deugdelijk functioneerde.

Uit de weloverwogen uiteenzetting van de raadsvrouw volgt inderdaad dat niet met absolute zekerheid kan worden vastgesteld dat de verkeersregelinstallatie op het moment dat de verdachte de kruising naderde deugdelijk functioneerde.

Het hof is evenwel van oordeel dat, gezien de functie van een installatie als de onderhavige en de betrokken belangen waaronder allereerst de verkeersveiligheid, de combinatie van een storing in (de uitvoering van het regelprogramma van) de verkeersregelinstallatie met een storing van de elektronische beveiliging bij een overeenkomstig NEN 3384 genormeerde verkeersregelinstallatie hoogstonwaarschijnlijk moet worden geacht. Dat een dergelijke op zichzelf al hoogstonwaarschijnlijke combinatie van storingen zich, zonder door tussenkomst van buitenaf verholpen te zijn, eenmalig voordoet acht het hof evenzeer hoogstonwaarschijnlijk.

Nu ondanks uitvoerig onderzoek naar aanwijzingen voor het niet goed functioneren van de verkeersregelinstallatie, geen enkele aanwijzing voor een storing zoals hiervoor bedoeld is gevonden, er daarnaast ook geen aanwijzing is gevonden voor het niet goed functioneren van de verkeersregelinstallatie in de dagen vóór of de dagen na het ongeval, terwijl bovendien de afgelegde getuigenverklaringen allen passen bij een deugdelijk functioneren van de verkeersregelinstallatie op het moment van het ongeval, acht het hof het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uitgesloten dat zich in de verkeersregelinstallatie een niet opgemerkte storing heeft voorgedaan als gevolg waarvan het voor de verdachte bestemde verkeerslicht geen rood licht heeft uitgestraald.

Gelet hierop acht het hof het verantwoord en daardoor gerechtvaardigd om aan deze feiten en omstandigheden de conclusie te verbinden dat de verkeersregelinstallatie ten tijde van het ongeval functioneerde zoals deze behoorde te functioneren. Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze als bestuurder van een personenauto schuldig gemaakt aan aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam rijgedrag, als gevolg waarvan een ongeval heeft plaatsgevonden en een dodelijk slachtoffer te betreuren is.

Het ongeval heeft bij de nabestaanden van de heer [slachtoffer] onherstelbaar leed teweeggebracht, zoals is gebleken uit de ter terechtzitting in eerste aanleg voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 juli 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.

Het hof neemt bij de op te leggen straf in aanmerking dat de verdachte, die er blijk van heeft gegeven zich het dodelijke gevolg van het ongeval aan te trekken, in de periode na het ongeval contact heeft gezocht met de nabestaanden van de heer [slachtoffer], teneinde zijn medeleven te betuigen en zich ook om de gewonde geraakte heer [getuige] heeft bekommerd.

Alles afwegende is het hof, mede gelet op het tijdsverloop sedert het feit, met de rechtbank van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur alsmede een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius,

mr. C.H.M. Royakkers en mr. J.W. van den Hurk, in bijzijn van de griffier mr. J. van der Vegte.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 augustus 2018.