Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2189

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
31-08-2018
Zaaknummer
200.226.009/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Degene die goederen van de nalatenschap vóór de boedelbeschrijving in zijn macht had, is gehouden mee te werken aan de boedelbeschrijving als bedoeld in artikel 674 Rv, ook al is hij geen erfgenaam of legataris in die nalatenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0206
ERF-Updates.nl 2018-0165
JERF 2018/340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.226.009/01

zaaknummer rechtbank : 4913682 AZ VERZ 16-31

beschikking van de meervoudige kamer van 22 augustus 2018

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van de na te noemen minderjarige,

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: verzoekster,

advocaat mr. M. van Gastel te Hellevoetsluis,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: verweerder,

advocaat mr. J. van Zinnicq Bergmann te 's-Hertogenbosch.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Dordrecht van 24 juli 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Verzoekster is op 23 oktober 2017 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.

2.2.

Verweerder heeft op 27 december 2017 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

Verzoekster heeft op 5 februari 2018 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van verzoekster van 16 november 2017 met als bijlage een faxbericht van diezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van verzoekster van 20 december 2017 met bijlagen;

- een brief van de zijde van verzoekster van 17 januari 2018 met bijlagen;

- een brief van de zijde van verzoekster van 27 juni 2018 met als bijlage een journaalbericht van diezelfde datum met bijlage.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 29 juni 2018 plaatsgevonden.

Ter zitting waren aanwezig:

- verzoekster, bijgestaan door haar advocaat;

- verweerder, bijgestaan door zijn advocaat;

- [vereffenaar nalatenschap] , notaris, in haar hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van erflater.

3 Feiten

Het hof gaat uit van de door de kantonrechter vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

  • -

    op 18 december 2015 is overleden [erflater] , geboren [in] 1973 te [geboorteplaats] , hierna: erflater;

  • -

    uit het reeds vóór het overlijden van de erflater door echtscheiding ontbonden huwelijk van erflater en verzoekster is [in] 2006 te [geboorteplaats] geboren de minderjarige [de minderjarige] , hierna: de minderjarige;

  • -

    de minderjarige is krachtens het door overlijden van erflater onherroepelijk geworden testament, verleden op 21 april 2010, enig erfgenaam in de nalatenschap van erflater; de door erflater benoemde executeurs hebben hun benoeming niet aanvaard;

  • -

    verzoekster heeft de nalatenschap van erflater namens de minderjarige aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving;

  • -

    notaris [vereffenaar nalatenschap] en ieder van haar medewerkers zijn door verzoekster gevolmachtigd om haar als vereffenaar te vertegenwoordigen ter zake van het beheer over de namens de minderjarige beneficiair aanvaarde nalatenschap;

  • -

    verweerder is de tweelingbroer van erflater.

4 De omvang van het geschil

4.1

De inzet van de procedure in eerste aanleg betrof - kort en zakelijk weergegeven -

A. verweerder te bevelen alle informatie - in het bijzonder de in het verzoekschrift omschreven gegevens - te verstrekken die nodig is ter bepaling van de omvang van en de aanspraken van de minderjarige op de nalatenschap van erflater op straffe van een dwangsom;

B. 1. binnen 14 dagen na de datum van de beschikking van de kantonrechter een boedelbeschrijving te bevelen door de notaris [vereffenaar nalatenschap] en rekening en verantwoording af te leggen van het door verweerder gevoerde beheer over de nalatenschap vanaf het moment van overlijden tot en met heden;

2. verweerder te bevelen gehoor te geven aan de oproep van de notaris teneinde in haar tegenwoordigheid onder ede te bevestigen dat verweerder niets heeft verduisterd, noch gezien heeft, noch weet dat iets verduisterd is;

3. verweerder op te roepen teneinde onder ede de deugdelijkheid van de boedelbeschrijving te bevestigen, onder oplegging van een dwangsom;

C. verweerder te veroordelen aan de minderjarige in haar hoedanigheid van vereffenaar een bedrag van € 8.000,- te betalen;

D. verweerder te veroordelen in de proceskosten.

4.2

Verweerder heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd. Hij heeft - voor zover hier van belang - bij wege van zelfstandig verzoek verzocht om een verklaring van recht dat hij een vordering van € 14.909,08 op de nalatenschap van erflater heeft met betrekking tot de begrafeniskosten.

4.3

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de verzoeken van verzoekster afgewezen. Voorts is voor recht verklaard dat verweerder een vordering op de nalatenschap van erflater heeft van € 12.463,08 met betrekking tot de begrafeniskosten (uitvaart en grafsteen). De proceskosten zijn gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

4.4

In hoger beroep verzoekt verzoekster de bestreden beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen en, in zoverre opnieuw beschikkende - onder verbetering of aanvulling der gronden - de verzoeken van verzoekster alsnog toe te wijzen. Kosten rechtens.

4.5

Verweerder verweert zich daartegen. In incidenteel hoger beroep verzoekt verweerder de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin de kosten van de grafsteen en de kosten van de afkoop van het onderhoud niet integraal zijn meegenomen in de vordering van verweerder op de nalatenschap, en te verklaren voor recht dat verweerder met betrekking tot de begrafeniskosten een vordering op de nalatenschap van erflater heeft van € 14.909,08. Kosten rechtens.

4.6

Verzoekster verzet zich daartegen.

5 Beoordeling

Procesrechtelijk

5.1

Het hof overweegt als volgt. In de bestreden beschikking wordt overwogen dat voor zover verweerder heeft aangevoerd dat verzoekster de verkeerde rechtsingang heeft gekozen en zij een en ander bij dagvaarding had moeten vorderen, geldt dat verweerder nadien schriftelijk ermee heeft ingestemd dat de kantonrechter op grond van artikel 94 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de zaak volledig aan zich houdt. Vervolgens heeft de kantonrechter de verzoeken en vorderingen van partijen gezamenlijk behandeld.

5.2

Het nieuwe artikel 30b Rv op grond waarvan het instellen van een vordering en het indienen van een verzoek kunnen worden gecombineerd in één procesinleiding, mits tussen de vordering en het verzoek voldoende samenhang bestaat en de Nederlandse rechter bevoegd is van beide kennis te nemen is nog niet in werking getreden. Het nieuwe artikel 94 lid 2 dat bepaalt dat indien een zaak meer dan één vordering of verzoek betreft en ten minste één daarvan een vordering of verzoek is als bedoeld in artikel 93 onder c of d, deze vorderingen en verzoeken alle door de kantonrechter worden behandeld en beslist, voor zover de samenhang tussen de vorderingen en de verzoeken zich tegen afzonderlijke behandeling verzet, is derhalve evenmin in werking getreden. Door de verzoeken en vorderingen van partijen gezamenlijk te behandelen, heeft de kantonrechter klaarblijkelijk geanticipeerd op de Wet vereenvoudiging en digitalisering (KEI) waarvan de definitieve tekst en de datum van inwerkingtreding nog niet zijn vastgesteld (Kamerstuk TK, 29279, nr. 420, vergaderjaar 2017-2018). Er kan niet worden geanticipeerd op een wetsvoorstel waarvan de inhoud en de datum van inwerkingtreding nog niet vaststaan.

5.3

Ten aanzien van verzoekschriftprocedures bestaat een gesloten systeem. Naar huidig recht worden met een verzoekschrift ingeleid de zaken waarvan dit uit de wet voortvloeit. De dagvaardingsprocedure is van toepassing op alle zaken waarop niet de derde titel van het Eerste boek inzake de verzoekschriftprocedure, noch een andere wettelijk bijzondere regeling van toepassing is. Deze zaken dienen met een dagvaarding te worden ingeleid. Het hof zal in het volgende beoordelen welke verzoeken moeten worden ingeleid met een verzoekschrift en welke vorderingen met een dagvaarding.

Verzoek om informatie/afgifte

5.4

Verzoekster herhaalt in hoger beroep haar verzoek in eerste aanleg verweerder op straffe van een dwangsom te bevelen alle informatie te verstrekken die nodig is ter bepaling van de omvang van en de aanspraken van de minderjarige op de nalatenschap van de erflater zoals omschreven in de bestreden beschikking. Dit onder meer door het verstrekken van financiële gegevens en de afgifte van de fotoalbums met privéfoto’s, de laptop en de inboedel. Verzoekster stelt zich in hoger beroep wederom op het standpunt dat verweerder mogelijk meer zaken uit de woning van erflater heeft meegenomen dan hij nadien bij de door hem aangezochte notaris [notaris] heeft opgegeven.

5.5

Verweerder betwist gemotiveerd dat hij meer uit de woning van erflater zou hebben meegenomen dan de zaken die hij nadien aan notaris [notaris] heeft afgegeven en die daarvan proces-verbaal heeft opgemaakt.

5.6

Het hof verstaat het onder A. geformuleerde verzoek van de verzoekster voor zover dit ziet op het overleggen van financiële gegevens aldus dat dit ziet op het verkrijgen van informatie in het kader van het door verzoekster onder B. verzochte bevel tot boedelbeschrijving. Voormelde verzoeken zijn verzoeken in de zin van artikel 672 Rv en volgende die in deze procedure terecht zijn ingeleid bij verzoekschrift.

5.7

Het hof oordeelt als volgt. Artikel 672 lid 3 Rv bepaalt dat het bevel tot boedelbeschrijving wordt gegeven, indien de verzoeker zijn recht en belang summierlijk aannemelijk heeft gemaakt. Hoewel de rechter hierbij een discretionaire bevoegdheid heeft, wordt het verzoek in beginsel slechts afgewezen wanneer het evident een chicaneus karakter heeft. Als wettelijk vertegenwoordigster van de erfgenaam-vereffenaar heeft verzoekster het recht de boedelbeschrijving te verlangen (artikel 672 juncto artikel 660 Rv). Het hof is van oordeel dat ook van degene die na het overlijden van een erflater en vóór het opmaken van een boedelbeschrijving nalatenschapsgoederen in zijn macht had, medewerking aan het opmaken van een boedelbeschrijving kan worden verlangd alsmede het afleggen van de eed of belofte in de handen van de notaris, als bedoeld in artikel 674 lid 7 Rv. Dat verweerder na het overlijden van erflater nalatenschapsgoederen in zijn macht heeft gehad, staat vast en blijkt ook uit de feiten dat hij na diens overlijden bedragen van de bankrekening van erflater heeft overgeboekt en dat hij goederen van erflater aan (destijds kandidaat-)notaris [notaris] heeft afgegeven.

5.8

Nu verzoekster duidelijkheid wenst omtrent de omvang van de nalatenschap en de advocaat van verweerder ter terechtzitting heeft verklaard dat een boedelbeschrijving reeds voorhanden is en dat verweerder er niet op uit is geld aan de minderjarige te onthouden, ziet het hof - mede in acht genomen hetgeen onder rechtsoverweging 5.7 is overwogen - geen bezwaren een boedelbeschrijving te bevelen als door verzoekster verzocht, welke beschrijving dient te omvatten vermelding van de eed dan wel belofte, door verweerder af te leggen in de handen van de notaris. Daarbij gaat het hof op grond van het ter zitting verhandelde ervan uit dat verweerder deze rechterlijke beslissing niet naast zich neer zal leggen. Het opleggen van de door verzoekster verzochte dwangsom acht het hof derhalve niet nodig. Het desbetreffende verzoek zal worden afgewezen.

5.9

Verweerder heeft voorts, zo is het hof gebleken uit de ingebrachte stukken en het ter zitting besprokene, niet het beheer over de nalatenschap gevoerd vanaf het moment van het overlijden van erflater tot heden en is dan ook niet gehouden ter zake rekening en verantwoording af te leggen. Het daartoe strekkende verzoek van verzoekster zal eveneens worden afgewezen.

5.10

Het verzoek van verzoekster om afgifte van de fotoalbums met privéfoto’s, de laptop en de inboedel betreft voorts een vordering met het oog op revindicatie die bij dagvaarding dient te worden ingeleid. Het hof zal ter zake deze vordering oordelen zoals hierna onder de rechtsoverwegingen 5.12 en 5.13 wordt overwogen.

Vordering van € 8.000,- en verklaring voor recht

5.11

De vordering van verzoekster om verweerder te veroordelen aan de minderjarige in haar hoedanigheid van vereffenaar een bedrag van € 8.000,- te betalen alsmede de door verweerder verzochte verklaring voor recht dat hij met betrekking tot de begrafeniskosten een vordering op de nalatenschap van erflater heeft van € 14.909,08, hadden moeten worden ingeleid met een dagvaarding.

5.12

Gelet op het bepaalde in artikel 69 lid 2 Rv, dient het hof de zaak voor wat betreft deze vorderingen te verwijzen naar een kamer van dit hof die belast is met de behandeling van dagvaardingsprocedures, met bevel dat de procedure volgens de regels van de dagvaardingsprocedure wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.

5.13

Het hof zal de zaak naar de rol van de civiele dagvaardingszaken verwijzen. Aangezien inmiddels een beroepschrift, een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep en een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep zijn ingediend en een inhoudelijke mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, zal het hof de zaak op de rol plaatsen voor beraad partijen.

Proceskosten

5.14

Gelet op de familierechtelijke aard van de onderhavige zaak zal het hof de proceskosten van de verzoekschriftprocedure tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De andersluidende verzoeken van partijen zullen worden afgewezen.

5.15

Mitsdien wordt als volgt beslist.

6 De beslissing

Het hof, in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin het verzoek van verzoekster om een bevel tot boedelbeschrijving is afgewezen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

beveelt verweerder om binnen vier weken na de datum van de onderhavige beschikking mee te werken aan een boedelbeschrijving van de nalatenschap van erflater door notaris [vereffenaar nalatenschap] als bedoeld in artikel 672 Rv en volgende en in haar handen af te leggen de eed dan wel belofte dat hij niets heeft verduisterd noch heeft gezien, noch weet dat iets verduisterd is;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover daarin het verzoek van verzoekster ter zake rekening en verantwoording van het beheer door verweerder over de nalatenschap van erflater is afgewezen;

compenseert de kosten van de verzoekschriftprocedure in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in de verzoekschriftprocedure in hoger beroep meer of anders verzochte af;

beveelt, met verwijzing naar de kamer van dit hof die belast is met de behandeling van dagvaardingsprocedures, dat de zaak voor wat betreft:

- de afgifte van de fotoalbums met privéfoto’s, de laptop en de inboedel

- de vordering van € 8.000,- van verzoekster

- de verklaring voor recht dat verweerder een vordering van € 14.909,08 op de nalatenschap van erflater heeft met betrekking tot de begrafeniskosten,

in de stand waarin deze zich bevindt, wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure;

bepaalt dat de zaak op de rol van de civiele dagvaardingszaken van 11 september 2018 zal worden geplaatst voor beraad partijen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H.N. Stollenwerck, A.E. Sutorius-van Hees en J.B. Backhuijs, bijgestaan door mr. T. de Witte-Renkema als griffier en is op 22 augustus 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.