Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2188

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
31-08-2018
Zaaknummer
22-005207-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Steekpartij voor de deur van een kapperszaak in Den Haag. Het hof veroordeelt de verdachte wegens poging tot zware mishandeling ten aanzien van de kapper en poging tot doodslag ten aanzien van een klant die de kapper te hulp kwam. Uitvoerige bewijsoverwegingen met betrekking tot de vraag of sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de dood dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Weigerende observandus. Deskundigen komen gezamenlijk tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens die, als gevolg van gebrek aan medewerking aan het onderzoek door de verdachte, door hen niet nader kan worden gespecificeerd. Daarnaast is volgens hen sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van middelenproblematiek. De deskundigen achten geweldsproblemen in de nabije toekomst waarschijnlijk indien beschermende factoren gering blijven. De reclassering acht een intensieve langdurige behandeling in een klinische setting noodzakelijk om gedragsverandering te bewerkstelligen. Het hof is – mede vanwege het recidivegevaar – van oordeel dat aan de verdachte (naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar) de maatregel van TBS met dwangverpleging dient te worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005207-17

Parketnummers: 09-819456-16, alsmede 09-041289-16 (TUL)

en 09-818011-16 (TUL)

Datum uitspraak: 3 juli 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 november 2017 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortejaar] 1970,

thans gedetineerd in [P.I].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 19 juni 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair, impliciet primair, en het onder 2 primair, impliciet primair, ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair, impliciet subsidiair, en het onder

2 primair, impliciet subsidiair, ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is aan de verdachte de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd.

Omtrent de in beslag genomen voorwerpen, de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en de vorderingen van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde straffen is beslist als in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.


hij op of omstreeks 14 december 2016 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, te weten [slachtoffer 1], van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal heeft gestoken/gesneden in het (boven)lichaam en/of de buik en/of de zij van die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 14 december 2016 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, aan [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel, te weten een steekwond in de buik met darmletsel (te weten: een gat in de dikke darm), heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in zijn (boven)lichaam en/of buik en/of zij (ter hoogte van de darmen) te steken en/of snijden;

2.


hij op of omstreeks 14 december 2016 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, te weten [slachtoffer 2], van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal heeft gestoken/gesneden in het (boven)lichaam en/of het (boven)been van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 december 2016 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in het (boven)lichaam en/of het (boven)been van die [slachtoffer 2] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf. Te dien aanzien heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest, zal worden opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu de verdachte geen opzet op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gehad. Evenmin heeft de verdachte met voorbedachten rade gehandeld. Voor de nadere onderbouwing van het betoog verwijst het hof kortheidshalve naar hetgeen daaromtrent in de aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitaantekeningen is verwoord.

Voor wat betreft een bewezenverklaring van het onder

1. subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof, met dien verstande dat de raadsvrouw zich ook ten aanzien van die feiten op het standpunt heeft gesteld dat de verdachte niet met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt.

Vrijspraak

Aan de verdachte is telkens ten laste gelegd dat hij met voorbedachten rade heeft gehandeld. Dat acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen.

De verdachte dient dan ook van dat bestanddeel in de tenlastelegging te worden vrijgesproken. Deze vrijspraak is in overeenstemming met de strekking van de vordering van de advocaat-generaal en met het standpunt van de verdediging.

Door het hof op basis van wettige bewijsmiddelen aangenomen feiten en omstandigheden

Het hof stelt op grond van de zich in het dossier bevindende stukken, waaronder het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, het volgende vast.

Op 14 december 2016 was [slachtoffer 2] in zijn kapperszaak te Den Haag. Terwijl hij [slachtoffer 1] aan het scheren was, zag [slachtoffer 2] de verdachte voor het raam van zijn kapperszaak staan. De verdachte klopte op het raam en wenkte hem. [slachtoffer 2] ging naar buiten. Hij vroeg aan de verdachte wat er aan de hand was. Hij zag dat de verdachte boos was. De verdachte stelde [slachtoffer 2] een vraag over zijn broer. [slachtoffer 2] begreep dat de vraag betrekking had op een eerdere ruzie tussen de verdachte en de broer van [slachtoffer 2]. Nadat [slachtoffer 2] tegen de verdachte had gezegd dat hij moest opdonderen, zag hij dat de verdachte een mes uit zijn broeksband haalde. Het was een groot keukenmes met een zwart handvat. Het mes had een punt. [slachtoffer 2] rende weg, gleed uit op de tramrails en kwam ten val. De verdachte kwam achter [slachtoffer 2] aan. Terwijl [slachtoffer 2] op de grond lag, stak de verdachte met het mes meermalen op hem in. [slachtoffer 2] probeerde zich met zijn voeten tegen de aanval van de verdachte te verweren. Hij probeerde de verdachte te trappen om het mes te ontwijken. Bij de vijfde keer stak de verdachte een mes in het been van [slachtoffer 2].1

[slachtoffer 2] riep om hulp. [slachtoffer 1] rende naar buiten. Hij pakte de verdachte van achteren vast met zijn armen om het middel van de verdachte. [slachtoffer 1] probeerde de verdachte tot rust te manen. [slachtoffer 1] zag dat de verdachte een mes in zijn rechterhand vasthield. Het was een zwart mes met een lemmet van ongeveer 15 tot 20 centimeter. Het lemmet stak uit zijn hand. Opeens had de verdachte het mes in zijn linkerhand en maakte hij een achterwaartse beweging. De verdachte stak het mes in de zij van [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] voelde een doffe, pijnlijke klap. Hij wist dat hij met het mes was geraakt.2 In de zij van [slachtoffer 1] ontstond een steeds groter wordende donkere vlek. [slachtoffer 1] trok zijn shirt omhoog; er zat een groot gat in zijn buik.3

De getuige [getuige] was één van de andere aanwezigen in de kapperszaak. Hij hoorde dat de verdachte voor de ruit van de kapperszaak stond te schreeuwen. Nadat [slachtoffer 2] naar buiten was gelopen, zag hij dat de verdachte een groot mes uit zijn broeksband haalde en daarmee in de richting van [slachtoffer 2] stak die het vervolgens op een lopen zette. [getuige] zag dat [slachtoffer 2] ten val kwam. De verdachte rende achter [slachtoffer 2] aan. De verdachte maakte meerdere stekende bewegingen in de richting van [slachtoffer 2]. Inmiddels was [slachtoffer 1] naar buiten gerend. [slachtoffer 1] greep de verdachte van achteren om zijn middel. De verdachte staakte zijn gedragingen echter niet, maar maakte stekende bewegingen in de richting van [slachtoffer 1]. [getuige] zag dat [slachtoffer 2] bloed aan zijn been had. Hij hoorde [slachtoffer 1] zeggen dat hij gestoken was door de verdachte. [getuige] zag dat [slachtoffer 1] in zijn zij was geraakt en dat hij bebloede kleding had.4

[slachtoffer 1] moest in het ziekenhuis aan meerdere steekverwondingen worden geopereerd.5 Een van de verwondingen betrof een gat in zijn dikke darm. Na de operatie heeft [slachtoffer 1] nog vier dagen in het ziekenhuis verbleven. De genezingsduur werd geschat op enkele maanden.6

[slachtoffer 2] had bij de steekpartij ter hoogte van zijn rechterknieschijf een wond van ongeveer vier centimeter lang en vijf millimeter breed opgelopen.7 Er was sprake van gering uitwendig bloedverlies. In verband met een infectie aan de wond moest [slachtoffer 2] alsnog in het ziekenhuis worden opgenomen.8 Daar is [slachtoffer 2] twee keer aan zijn been geopereerd om de infectie te laten genezen.9

Oordeel van het hof

Mede gezien het standpunt van de verdediging ziet het hof zich gesteld voor de vraag of de verdachte opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin - op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gehad.

Het hof is – evenals de rechtbank – van oordeel dat uit de vastgestelde feiten en omstandigheden niet kan worden geconcludeerd dat de verdachte boos opzet op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gehad.

Vervolgens rijst de vraag of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Bij de beantwoording van die vraag dient het volgende te worden vooropgesteld.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg door zijn handelen zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan die aanmerkelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van die kans maar ook dat hij die kans ten tijde van zijn gedragingen bewust heeft aanvaard.

Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Ten aanzien van de vraag of de verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 1] heeft gehad, acht het hof de navolgende, uit het voorgaande afgeleide, feiten en omstandigheden van belang:

  • -

    de verdachte had een mes met een lemmet van 15 à 20 centimeter in zijn hand;

  • -

    het mes had een punt;

  • -

    [slachtoffer 1] had de verdachte vastgepakt door zijn armen om het middel van de verdachte heen te slaan;

  • -

    de verdachte maakte vervolgens met dat mes een achterwaartse stekende beweging in de zij van [slachtoffer 1];

  • -

    [slachtoffer 1] is ten gevolge daarvan gewond geraakt en heeft onder meer een steekverwonding van drie centimeter in de linker buikhelft opgelopen;

  • -

    als gevolg van het steken had [slachtoffer 1] een gat in zijn dikke darm waaraan hij met spoed moest worden geopereerd.

Gelet op de aard van de gedraging van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze is verricht, is het hof van oordeel dat de kans dat [slachtoffer 1] als gevolg daarvan zou komen te overlijden naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Het – kennelijk met enige kracht - met een puntig mes met een lemmet van 15 à 20 centimeter steken in de buik/zij, waar zich kwetsbare organen bevinden, kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm voorts worden aangemerkt als zozeer op de dood van [slachtoffer 1] te zijn gericht dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van contra-indicaties is het hof niet gebleken.

Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, impliciet subsidiair, is ten laste gelegd.

Voor zover het verweer van de raadsvrouw betreffende het ontbreken van opzet bij de verdachte betrekking heeft op [slachtoffer 1] wordt het verworpen.

Voor zover het verweer betrekking heeft op [slachtoffer 2] slaagt het.

Het hof is van oordeel dat op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte opzet in voorwaardelijke zin op de dood van [slachtoffer 2] heeft gehad.

Hoewel het maken van stekende bewegingen in de richting van iemand die op de grond ligt het risico herbergt dat diegene daarbij potentieel dodelijk letsel oploopt, kan het hof uit hetgeen uit het verhandelde ter terechtzitting volgt met betrekking tot de wijze waarop de verdachte richting [slachtoffer 2] heeft gestoken niet vaststellen dat het risico daarop in dit geval aanmerkelijk was. [slachtoffer 2] heeft immers kans gezien de stekende bewegingen in zijn richting af te weren door met zijn voeten te trappen. Bij de vijfde stekende beweging is hij in zijn been geraakt, maar uit het dossier kan niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte in de richting van meer vitale lichaamsdelen heeft gestoken, dan wel willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dergelijke lichaamsdelen te raken.

Het hof acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] heeft gehad. De verdachte heeft immers met een mes met een punt stekende bewegingen in de richting van [slachtoffer 2] gemaakt die op dat moment op de grond lag. Daarbij heeft de verdachte [slachtoffer 2] in zijn been geraakt. Als gevolg daarvan heeft [slachtoffer 2] een wond van ongeveer vier centimeter lang en vijf millimeter breed opgelopen.

Naar het oordeel van het hof levert het – kennelijk met enige kracht - op de hiervoor vastgestelde wijze steken in de richting van de knie (in welk gewricht zich onder meer de menisci en kniebanden bevinden) naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. Voorts dienen de gedragingen van de verdachte in de gegeven omstandigheden naar hun uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van dergelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte door deze gedragingen de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Van contra-indicaties daarvoor is het hof niet gebleken. Er is aldus sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2].

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, impliciet subsidiair, en het onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.


hij op of omstreeks 14 december 2016 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, te weten [slachtoffer 1], van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal heeft gestoken/gesneden in het (boven)lichaam en/of de buik en/of de zij van die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.


hij op of omstreeks 14 december 2016 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in het (boven)lichaam en/of het (boven)been van die [slachtoffer 2] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het onder 1 primair, impliciet subsidiair, en het onder

2 subsidiair bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring, zoals die hiervoor zijn weergegeven.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1 primair, impliciet subsidiair:

poging tot doodslag;

2 subsidiair:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de straf

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer [slachtoffer 1] met een mes in diens buik/zij te steken. Als gevolg daarvan heeft het slachtoffer een gat in zijn dikke darm opgelopen en moest hij met spoed worden geopereerd.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van het slachtoffer [slachtoffer 2] door hem met een mes in zijn been te steken. Door beide slachtoffers met een mes te steken, heeft de verdachte niet alleen een zeer ernstige inbreuk op hun lichamelijke integriteit gemaakt, maar hen ook gevoelens van schrik en angst aangejaagd. Uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt voorts dat de feiten gedurende geruime tijd gevolgen hebben gehad en nog steeds hebben voor de slachtoffers. De omstandigheid dat de steekpartij op straat heeft plaatsgevonden draagt bovendien bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Het strafblad van de verdachte

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 juni 2018, waaruit blijkt dat de verdachte vele malen eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van geweldsmisdrijven.

De persoon van de verdachte

Omtrent de persoon van de verdachte zijn in de loop der jaren verschillende rapporten opgemaakt.

De gedragsdeskundigen W.K. Soebhag en B. van der Hoorn, respectievelijk psychiater in opleiding en psychiater, komen in hun rapport d.d. 1 april 2014 tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van afhankelijkheid van verschillende middelen (heroïne, cocaïne, cannabis en alcohol). Ten tijde van het in die zaak ten laste gelegde (een mishandeling waarbij door de verdachte een mes zou zijn gebruikt) was die stoornis volgens de genoemde gedragsdeskundigen aanwezig. Voorts is volgens de rapporteurs bij de verdachte sprake van een beperkt ziektebesef en inzicht. De verdachte legt de eigen verantwoordelijkheden buiten zichzelf. Daarnaast betreft het een psychiatrische stoornis die een chronisch en grillig verloop kent. Wanneer de verdachte zich onttrekt aan behandeling en/of in drugsgebruik decompenseert, is de kans op agressie-incidenten reëel. Het is voor betrokkene uitermate belangrijk dat zijn psychosociaal functioneren zo stabiel mogelijk is. Problemen ten aanzien van zijn inkomsten, huisvesting, contact met zijn familie en dagbesteding verhogen de kans op recidive.

Zonder adequate behandeling of begeleiding schatten de rapporteurs het recidiverisico in als hoog aangezien bovengenoemde factoren elkaar negatief beïnvloeden. De rapporteurs zijn van mening dat de verdachte vanuit het oogpunt van zorg onder behandeling dient te blijven van Palier.

Uit het reclasseringsadvies van Palier d.d. 6 juni 2014 blijkt dat de verdachte al enige jaren onder behandeling van de Forensische Polikliniek Palier staat. De behandeling is voornamelijk gericht op het verstrekken van methadon, omdat de verdachte gesprekken vermijdt.

In rapporten d.d. 18 maart 2017 van B. Koudstaal, klinisch psycholoog, en Y. Noorlander, GZ-psycholoog, en d.d. 28 maart 20n van A. Banaei Kashani, psychiater, is geadviseerd om de verdachte voor observatie op te laten nemen in het Pieter Baan Centrum (PBC), omdat de verdachte weigerde zijn volledige medewerking aan hun onderzoeken te verlenen.

De verdachte is van 29 juni 2017 tot 10 augustus 2017 voor observatie opgenomen geweest in het PBC. De verdachte heeft gedurende deze opname geweigerd mee te werken aan gesprekken met de gedragsdeskundigen. Omdat de meeste referenten niet wilden meewerken werd het forensische milieuonderzoek beperkt. De verdachte wilde evenmin toestemming geven tot het opvragen van hem betreffende relevante psychiatrische informatie. Desondanks heeft de observatie van de verdachte geresulteerd in een rapportage d.d. 11 september 2017. Het onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte is uitgevoerd door I. Schilperoord, psycholoog, en

F.R. Kruisdijk, psychiater.

De rapporteur Schilperoord heeft ten aanzien van de verdachte (onder meer) het volgende geconcludeerd:

“(…)het is duidelijk dat er op psychisch vlak wat aan de hand is met betrokkene en met zekerheid kan worden gesteld dat hij in elk geval lijdende is (aan) een stoornis in middelengebruik. Tevens is er sprake van een langdurig patroon van antisociaal gedrag. Er zijn voorts sterke aanwijzingen voor een gebrekkige ontwikkeling van de persoonlijkheid. Tevens zijn er flinke aanwijzingen in de richting van een gebrekkig cognitief functioneren (moeite met efficiënte informatieverwerking, met mentaal schakelen en goede gedragsoriëntatie). Ook is er reeds jaren een paranoïde beleving van de werkelijkheid, die echter ernstig lijkt te fluctueren”.

De rapporteur Kruisdijk heeft geconcludeerd dat – aangezien de verdachte reeds jong is begonnen met (hard)drugs – zijn persoonlijkheidsontwikkeling sterk verweven is geraakt met de effecten van deze middelen, alsook met het verblijven in een drugsscene. Daarbij is mogelijk sprake van hersenorganische schade als gevolg van het langdurige, excessieve gebruik van alcohol en drugs. Dit kan leiden tot een verminderde werking van verschillende functies van het brein, zoals aandacht en concentratie, impulscontrole en emotieregulatie. Voorts heeft de rapporteur geconstateerd dat bij afbouw van methadon een vorm van desintegratie van denken en handelen optreedt die wijst op een gebrekkige persoonlijkheidsorganisatie of op een ziekelijke stoornis. Op grond van de voorgeschiedenis van de verdachte acht de rapporteur een (chronische) waanstoornis het meest waarschijnlijk.

Genoemde rapporteurs komen gezamenlijk tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens die, als gevolg van gebrek aan medewerking aan het onderzoek door de verdachte, door hen niet nader kan worden gespecificeerd. Daarnaast is volgens hen sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van middelenproblematiek.

Volgens de rapporteurs was de ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens alsmede de middelenproblematiek ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig. Deze bestaan immers al jarenlang en de verdachte was hiervoor onder behandeling van Palier. Omdat de verdachte zijn medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd, kan echter geen uitspraak worden gedaan over de doorwerking en de mate van toerekening.

De rapporteurs achten geweldsproblemen in de nabije toekomst waarschijnlijk indien beschermende factoren gering blijven. Hieraan liggen de volgende overwegingen ten grondslag:

“(…)Betrokkene heeft in het verleden ernstige problemen met betrekking tot gewelddadig en antisociaal gedrag gehad die diepgeworteld blijken en vanaf het zestiende jaar zijn opgetreden. In de relationele geschiedenis trad partnergeweld op en instabiliteit, betrokkene moest school verlaten en is beperkt tot werken in staat. Er is een lange geschiedenis van problemen met middelen en er zijn aanwijzingen voor een (ernstige) psychische stoornis in combinatie met een gebrekkige opbouw van de persoonlijkheid.(…)De respons op aangeboden behandeling is wisselend met periodes dat het betrokkene redelijk gaat tot no-shows en telkens willen staken van zijn methadonbehandeling, met daarop volgende ontregeling. Het laatste wijst op een gebrekkig inzicht in zijn problematiek, ondanks de aangeboden begeleiding en behandeling. Het huidige geobserveerde klinisch beeld wijst op een affectieve instabiliteit en bij momenten op dreigende desorganisatie van het denken.

Uit betrokkenes opmerkingen blijkt dat hij veel aandeel van zijn problematiek juist legt bij zijn huidige behandelaren uit de verslavingsbegeleiding of reclassering, wat het zicht op een stabiele begeleiding in de toekomst onzeker maakt. Betrokkenes toekomstige leefomstandigheden zijn niet geheel helder en zijn bereidheid tot het aanvaarden van persoonlijke steun kon niet geëxploreerd worden, noch zijn bereidheid tot toekomstige behandeling.

Toekomstige ontregelende stressoren zijn onbekend, echter de observatie leert dat betrokkene behoorlijk stressgevoelig is.(…)

Bij een klinische indruk van de beschermende factoren middels de SAPROF lijkt daarnaast sprake van marginaal adequate functionerende onderdelen van zijn intelligentie die leiden tot ontregeling. Hierbij schieten betrokkenes copingvaardigheden tekort en is zelfcontrole bij momenten nauwelijks aanwezig. Een inschatting van ondersteuning door een prosociaal ondersteunend netwerk of een intieme relatie is op dit moment moeilijk omdat referenten niet wilden meewerken.(…)

Gezien de bovenstaande inventarisatie, die weliswaar niet volledig is, kan desalniettemin worden verondersteld dat geweldsproblemen in de nabije toekomst waarschijnlijk zijn indien de beschermende factoren gelijk blijven”.

Het advies van de reclassering

In een op 7 november 2017 opgemaakt reclasseringsrapport van Palier is omtrent de persoon van de verdachte (onder meer) het volgende gerapporteerd:

“Betrokkene is, voor zover bekend bij de reclassering, altijd iemand geweest die snel gekrenkt en gekwetst is en die alleen met agressie zijn ongenoegens kan uiten. Hij legt de verantwoordelijkheid voor zijn problemen bij anderen en heeft moeite met zelfreflectie. Er is geen ziektebesef en geen ziekte-inzicht. De ernst waarin (de) afgelopen jaren de agressie is toegenomen is verontrustend.(…)

Ondanks de inzet van reclassering en behandelaren is het niet gelukt om de agressie van betrokkene in toom te houden en recidive te voorkomen en gevaarrisico te beperken.(…)Beschermende factoren zijn zeer gering, het middelengebruik is groot, de mate van onmacht hoog. Zonder adequate behandeling waarbij ingezet wordt op het vergroten van beschermende factoren zullen er geen wijzingen ontstaan in het gedrag van betrokkene. Het gevaar voor geweldsdelicten, waarbij gevreesd mag worden voor letselschade, blijft onverminderd hoog”.

De reclassering acht een intensieve langdurige behandeling in een klinische setting noodzakelijk om de kans op gedragsverandering te bewerkstelligen, de criminogene factoren te verminderen en de leefomstandigheden van de verdachte dermate te verbeteren dat zijn kwaliteit van leven wordt verbeterd en hem kansen kunnen worden geboden voor een betere toekomst.

Omdat de verdachte niet aan de onderzoeken heeft meegewerkt en evenmin heeft meegewerkt aan het tot stand komen van een adequaat plan van aanpak waarin een dergelijk klinisch traject zou kunnen worden meegenomen, acht de reclassering de kans van slagen van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel nihil.

Gelet op de noodzaak voor behandeling wordt geadviseerd om aan de verdachte de maatregel van TBS met dwangverpleging op te leggen.

Het hof is, gelet op hetgeen hierboven omtrent de persoon van de verdachte is overwogen, van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten de verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft het hof deze omstandigheid meegewogen.

Afweging ten aanzien van de straf

Alles overwegende is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur.

In de omstandigheid dat de verdachte van het onder

2 primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken, ziet het hof aanleiding aan de verdachte een gevangenisstraf van kortere duur op te leggen dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Motivering van de maatregel

Indien bij de verdachte ten tijde van het plegen van een strafbaar feit sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, kan ter zake van bepaalde feiten de maatregel terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging worden opgelegd indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van die maatregel eist. Bij de vaststelling van het bestaan van een stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens slaat de rechter acht op de over de verdachte opgemaakte multidisciplinaire rapportage. Ook indien de verdachte weigert om (volledig) mee te werken aan het opstellen van een dergelijke rapportage, waardoor de deskundigen geen advies hebben kunnen geven, kan de rechter overgaan tot het opleggen van de maatregel TBS. De vaststelling van het bestaan van een stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens kan dan onder meer geschieden op basis van oudere rapportages, aanwijzingen uit het strafdossier of verdere informatie omtrent de geestesgesteldheid van de verdachte.

De verdachte heeft in de loop van de jaren en ook in het kader van de onderhavige strafzaak geweigerd zijn volledige medewerking aan onderzoek naar zijn geestvermogens te verlenen. Het hof ziet evenwel in hetgeen op grond van de stukken in het dossier omtrent de persoon van de verdachte bekend is, alsmede de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, voldoende aanwijzingen om het bestaan van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bij de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde aannemelijk te achten.

Op grond van de hierboven genoemde informatie over de geestesgesteldheid van de verdachte, in samenhang bezien met de bevindingen van de gedragsdeskundigen van het PBC, stelt het hof vast dat bij de verdachte sprake is van (een) (langdurige) ziekelijke stoornis(sen) en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

Het hof is bovendien van oordeel dat de ziekelijke stoornis(sen) en mogelijk ook gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens aanwezig waren ten tijde van de bewezen verklaarde feiten. Dit leidt het hof niet alleen af uit het chronische karakter van de stoornis(sen) en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, maar tevens uit de omstandigheden waaronder de delicten zijn gepleegd. Uit het dossier volgt dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer 2] zonder enige noemenswaardige aanleiding zeer agressief heeft bejegend. Toen het slachtoffer [slachtoffer 1] hem vervolgens tot rust probeerde te manen door hem vast te pakken, heeft de verdachte – in plaats van zijn gedragingen te staken – die [slachtoffer 1] in zijn zij/buik gestoken. Dit wijst er naar het oordeel van het hof op dat de verdachte op dat moment zijn agressieve impulsen kennelijk (en in lijn met de overige bevindingen omtrent zijn geestesvermogens) beslist niet onder controle had. Met deze vaststelling is voldaan aan de voorwaarde van gelijktijdigheid van de stoornis en/of de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De door de verdachte begane feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en naar het oordeel van het hof eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, het opleggen van de TBS-maatregel. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de bewezen verklaarde feiten niet anders dan als zeer ernstig kunnen worden beschouwd, niet alleen gelet op de toepasselijke strafmaxima, maar zeker ook gelet op de wijze waarop en de omstandigheden waaronder die feiten in casu door de verdachte zijn begaan.

Voorts is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen niet alleen het opleggen van de terbeschikkingstelling, maar ook de verpleging van de verdachte eist. Dit vloeit voort uit de aard en ernst van de in deze zaak bewezen verklaarde feiten, de onbehandelde stoornis en mogelijk ook gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte, de inhoud van de hiervoor aangehaalde rapportages, het spoor van agressie jegens anderen dat volgt uit zijn strafblad en de onderhavige zaak, alsmede zijn gebrek aan inzicht in zijn problematiek. Dit laatste blijkt niet alleen uit de rapporten over zijn persoon in het dossier, maar ook uit de indruk die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft gewekt. Dit betekent dat het recidivegevaar groot moet worden geacht.

Het hof is – alles afwegende – dan ook van oordeel dat aan de verdachte de maatregel TBS met dwangverpleging dient te worden opgelegd.

Aangezien de bewezenverklaarde feiten tevens misdrijven betreffen die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zal het hof die maatregel niet gemaximeerd opleggen. De totale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Het hof acht het opleggen van een TBS onder voorwaarden, zoals door de verdediging is bepleit, gelet op de houding van de verdachte, zoals daarvan ook is gebleken ter terechtzitting in hoger beroep, en zijn geheel of grotendeels afwezige ziektebesef, niet aangewezen.

Vorderingen tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces hebben na te melden benadeelde partijen zich gevoegd en vorderingen ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van na te melden aan de verdachte ten laste gelegde feiten tot bedragen van:

ter zake van feit 1:

- [slachtoffer 1] tot een bedrag van in totaal € 6.112,-, bestaande uit een bedrag van € 112,- aan materiële schade en een bedrag van € 6.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente

ter zake van feit 2:

- [ slachtoffer 2] tot een bedrag van in totaal € 19.046,-, bestaande uit een bedrag van € 13.046,- aan materiële schade en een bedrag van € 6.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In eerste aanleg zijn de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen tot een bedrag van respectievelijk € 3.112,- en € 5.746,-, met niet-ontvankelijkverklaring voor het overige, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep zijn de vorderingen aan de orde tot de in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedragen van respectievelijk € 6.112,- en € 19.046,-.

De advocaat-generaal heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] op het standpunt gesteld dat die vordering geheel dient te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot toewijzing daarvan tot een bedrag van in totaal € 10.246,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, met niet-ontvankelijkverklaring voor het overige.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde bedragen dienen te worden gematigd.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1] overweegt het hof als volgt.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 112,- materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 primair, impliciet subsidiair, bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair, impliciet subsidiair, bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 4.000.

De toegewezen bedragen dienen te worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over die bedragen vanaf 14 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 2] overweegt het hof als volgt.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 7.546,- materiële schade is geleden. Naar het oordeel van het hof is voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij in ieder geval gedurende zestig dagen zijn werk als kapper niet heeft kunnen uitvoeren, waardoor hij in totaal € 6.600,- aan inkomsten is misgelopen. Deze schade bestaat voorts uit de gevorderde kosten voor kleding, eigen risico en ziekenhuisopname en is een rechtstreeks gevolg van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 2.000,-.

De toegewezen bedragen dienen te worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over die bedragen vanaf 14 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers

Nu vaststaat dat de verdachte tot de hiervoor genoemde bedragen aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 primair, impliciet subsidiair, en 2 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feiten is toegebracht, zal het hof aan de verdachte telkens de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag ten behoeve van het slachtoffer op de wijze als hierna vermeld.

Vorderingen tot tenuitvoerlegging

parketnummer 09-041289-16

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 11 april 2016 onder parketnummer 09-041289-16 is de verdachte veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf, gevorderd dat die vordering wordt afgewezen.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

parketnummer 09-818011-16

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 31 mei 2016 onder parketnummer 09-818011-16 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven dagen, met aftrek van voorarrest en met bevel dat een gedeelde van die gevangenisstraf, groot vijf dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf, gevorderd dat die vordering wordt afgewezen.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Beslag

De advocaat-generaal heeft de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen spijkerbroek en sportschoenen gevorderd.

Het hof zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de in beslag genomen spijkerbroek, kleur blauw, en het in beslag genomen paar sportschoenen, kleur zwart.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57, 63, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder

1. primair, impliciet primair, en het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, impliciet subsidiair, en het onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, impliciet subsidiair, en het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder

1. primair bewezen verklaarde tot het bedrag van in totaal

€ 4.112,- (vierduizend honderdtwaalf euro) bestaande uit € 112,- (honderdtwaalf euro) materiële schade en

€ 4.000,- (vierduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 4.112,- (vierduizend honderdtwaalf euro) bestaande uit € 112,- (honderdtwaalf euro) materiële schade en

€ 4.000,- (vierduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

51 (eenenvijftig) dagen hechtenisvermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 14 december 2016.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder

2 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 9.546,- (negenduizend vijfhonderdzesenveertig euro) bestaande uit € 7.546,- (zevenduizend vijfhonderdzesenveertig euro) materiële schade en

€ 2.000,- (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], ter zake van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 9.546,- (negenduizend vijfhonderdzesenveertig euro) bestaande uit € 7.546,- (zevenduizend vijfhonderdzesenveertig euro) materiële schade en € 2.000,- (tweeduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 82 (tweeëntachtig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 14 december 2016.

Hik

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 11 april 2016 onder parketnummer 09-041289-16, te weten een

gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 31 mei 2016 onder parketnummer 09-818011-16, te weten een

gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) dagen.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

een spijkerbroek, kleur blauw, en een paar sportschoenen, kleur zwart.

Dit arrest is gewezen door mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, mr. J.W. van den Hurk en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 juli 2018.

1 Blz. 4 van het proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Eenheid Den Haag d.d. 15 december 2016 met nr. PL1500-2016347079-23 (blz. 113 van het proces-verbaal met registratienummer PL1500-2016347079), inhoudende de op 15 december 2015 afgelegde verklaring van [slachtoffer 2].

2 Blz. 1 en 2 van het proces-verbaal van verhoor van Politie Eenheid Den Haag d.d. 16 december 2016 (blz. 119 en 120 van het proces-verbaal met registratienummer PL1500-2016347079), inhoudende de op 16 december 2015 afgelegde verklaring van [slachtoffer 1].

3 Blz. 5 van het proces-verbaal genoemd in voetnoot 1.

4 Blz. 1 en 2 van het proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Eenheid Den Haag d.d. 15 december 2016 met nr. PL1500-2016347079-3 (blz. 70 en 71 van het proces-verbaal met registratienummer PL1500-2016347079), inhoudende de op 14 december 2015 afgelegde verklaring van [getuige].

5 Blz. 2 van het proces-verbaal van aanhouding van Politie Eenheid Den Haag d.d. 15 december 2016 met nr. PL1500-2016347079-9 (blz. 55 van het proces-verbaal met registratienummer PL1500-2016347079), inhoudende een relaas van de betreffende opsporingsambtenaar.

6 Een geschrift, zijnde een aanvraagformulier medische informatie betreffende [slachtoffer 1] (blz. 141 van het proces-verbaal met registratienummer PL1500-2016347079).

7 Een proces-verbaal van bevindingen van Politie Eenheid Den Haag d.d. 15 december 2016 met nr. PL1500-2016347079-12 (blz. 88 van het proces-verbaal met registratienummer PL1500-2016347079), inhoudende een relaas van de betreffende verbalisant.

8 Een geschrift, zijnde een aanvraagformulier medische informatie betreffende [slachtoffer 2] (blz. 143 en 145 van het proces-verbaal met registratienummer PL1500-2016347079).

9 Een proces-verbaal van bevindingen van Politie Eenheid Den Haag d.d. 6 januari 2017 met nr. PL1500-2016347079-46 (blz. 146 van het proces-verbaal met registratienummer PL1500-2016347079), inhoudende een relaas van de betreffende verbalisant.