Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2179

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-08-2018
Datum publicatie
31-08-2018
Zaaknummer
22-004134-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veelvuldig plegen van ontucht met het slachtoffer tussen haar veertiende en zestiende levensjaar. De verdachte was toen haar voetbalcoach en er was een leeftijdsverschil van 35 jaar. Daarnaast heeft de verdachte het slachtoffer na haar zestiende verjaardag, door misbruik te maken van haar kwetsbare psychische gesteldheid, meermalen gebracht tot het dulden en plegen van ontuchtige handelingen.

Het hof veroordeelt de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004134-17

Parketnummer: 10-682256-16

Datum uitspraak: 29 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 september 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1957,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 15 augustus 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 en onder 2 subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.


hij

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 16 mei 2008

te Ridderkerk

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had bereikt en/of met iemand die aan zijn, verdachtes zorg en/of opleiding was toevertrouwd, te weten met [slachtoffer] (geboren op [geboortejaar] 1992), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk

et (telkens) brengen en/of houden van zijn, verdachtes,

- tong en/of penis in de mond van die [slachtoffer] en/of

- penis en/of vinger(s) en/of tong in de vagina van die [slachtoffer] en/of

en/of

- het laten betasten en/of aftrekken van, zijn, verdachtes, penis en/of

- het voelen en/of betasten van en/of wrijven over de borsten en/of vagina, althans het lichaam van die [slachtoffer];

2.


hij

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 mei 2008 tot en met 16 mei 2010

te Ridderkerk met iemand, die aan zijn zorg en/of opleiding was toevertrouwd, te weten met [slachtoffer] ontucht heeft gepleegd, namelijk het

(telkens) brengen en/of houden van zijn, verdachtes,

- tong en/of penis in de mond van die [slachtoffer] en/of

- vinger(s) en/of tong en/of penis in de vagina van die [slachtoffer]

en/of

- laten betasten en/of aftrekken van, zijn, verdachtes, penis en/of

- voelen en/of betasten van en/of wrijven over de borsten en/of de vagina, althans het lichaam van die [slachtoffer];

subsidiair:


hij

in of omstreeks de periode van 17 mei 2008 tot en met 16 mei 2010 te Ridderkerk door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, [slachtoffer], geboren op [geboortejaar] 1992 waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen te plegen, of zodanige handelingen van verdachte te dulden, bestaande die handelingen onder meer uit het:

(telkens) brengen en/of houden van zijn, verdachtes

- tong en/of penis in de mond van die [slachtoffer] en/of

- vinger(s) en/of tong en/of penis in de vagina van die [slachtoffer]

en/of

- laten betasten en/of aftrekken van zijn, verdachtes, penis en/of

- voelen en/of betasten van en/of wrijven over de borsten en/of vagina, althans het lichaam van die [slachtoffer],

bestaande dat uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht uit:

- het leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer] en/of

- het feit dat hij, verdachte, [slachtoffer]s voetbalcoach was en/of

- haar kwetsbaarheid en/of beïnvloedbaarheid en/of psychische gesteldheid.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en onder 2 subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de raadsman is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het seksuele contact tussen de verdachte en de aangeefster is begonnen toen de aangeefster 13 jaar oud was. Op dat moment was zij psychisch kwetsbaar door problemen in de gezinssfeer. Zo waren haar ouders gescheiden en miste zij een vaderfiguur in haar leven. Door een getuige werd zij omschreven als een onzeker en verlegen meisje. De verdachte was bij aanvang van het contact 35 jaar ouder dan de aangeefster en haar voetbaltrainer. De verdachte gaf de aangeefster een luisterend oor, aandacht en persoonlijke complimentjes, ook over haar uiterlijk. Hij haalde haar regelmatig met zijn auto op en bracht haar naar locaties. Hij kwam ook regelmatig bij haar thuis en gedroeg zich daar min of meer als een huisvriend. Door zowel de aangeefster als de verdachte is verklaard dat er wederzijdse verliefdheid ontstond. Na korte tijd was er ook sprake van een volledige seksuele relatie. Gesteld noch gebleken is dat bij deze seksuele relatie sprake was van enige dwang van de zijde van verdachte. Het hof wijst er echter op dat dwang ook geen bestanddeel is van de delictsomschrijvingen van de ten laste gelegde feiten.

Gezien de bescherming die de wet minderjarigen biedt tegen verleiding (ook als die mede uitgaat van henzelf), was het seksuele contact tussen de verdachte en de aangeefster in ieder geval strafbaar in de periode dat zij nog geen zestien jaar was. De verdachte heeft dit ook niet betwist. De verdachte heeft echter wel betwist dat het seksuele contact tussen hem en de aangeefster na haar zestiende jaar nog strafbaar was, omdat - zo begrijpt het hof - gezien de affectieve wederkerigheid tussen beiden en het ontbreken van enige dwang, er geen sprake was van misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht waardoor de aangeefster tot het seksueel contact zou zijn gebracht (zoals bedoeld in artikel 248a van het Wetboek van Strafrecht).

Uit de wetsgeschiedenis en de rechtspraak van de Hoge Raad leidt het hof af dat met de term "misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht" de wetgever het oog had op het brengen, waaronder begrepen ook het houden, van een ander in een afhankelijke situatie waarbij deze in diens keuzevrijheid wordt beperkt.

In dat kader overweegt het hof allereerst dat hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, geen aanleiding geeft om ten aanzien van de inhoud van de relatie tussen de verdachte en de aangeefster te veronderstellen dat er een feitelijk onderscheid was tussen de periode vóór en na het moment waarop de aangeefster zestien jaar oud werd. Integendeel, de relatie tussen beiden is nadien feitelijk ongewijzigd voortgezet.

Naar het oordeel van het hof verkeerde de aangeefster bij het aangaan van de relatie echter door het zeer grote leeftijdsverschil, de (voormalige) status van de verdachte als haar trainer en door haar kwetsbaarheid in verband met de persoonlijke- en thuisproblemen, in een van de verdachte afhankelijke situatie als hiervoor bedoeld en werd aldus ook haar keuzevrijheid om het (seksuele) contact niet aan te vangen c.q. te beëindigen daardoor beïnvloed en beperkt.

Naar het oordeel van het hof is deze afhankelijkheid niet wezenlijk anders geworden nadat de aangeefster zestien jaar oud was geworden. Weliswaar was de verdachte toen niet meer haar voetbaltrainer, maar het zeer grote leeftijdsverschil en de problematiek van de aangeefster bleven ongewijzigd en evenzeer relevant. Het hof beschouwt in dit verband bovendien de toen reeds relatief lange duur en intensiteit van de relatie en de belangrijke plaats die de verdachte ook als (vertrouwens-)vriend inmiddels in haar leven had ingenomen, als zelfstandige factoren die bijdroegen aan de afhankelijkheid van de aangeefster van de verdachte. Zulks vindt onder meer ondersteuning in de verklaring van de aangeefster dat zij bang was de verdachte te moeten missen, alsook dat zij het gaandeweg de relatie steeds moeilijker vond met niemand anders over haar relatie te kunnen spreken of deze naar buiten toe te kunnen tonen en dat zij daardoor niet de normale ontwikkeling van pubers in relatie- en sociale vorming heeft kunnen doormaken. Naar het oordeel van het hof wijst dit op een tijdens de relatie groeiend sociaal isolement. Evenzeer verklaart zij dat ze in het verloop van de relatie het seksueel contact met de verdachte steeds meer zag als een middel om de verdachte te “pleasen” en om hem te behouden en omdat hij anders vragen ging stellen en zich – zo begrijpt het hof – minder plezierig tegen haar ging opstellen.

Gezien deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat ook nadat de aangeefster zestien jaar oud was geworden er nog sprake was van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, waardoor de keuzevrijheid van de aangeefster voor wat betreft de inrichting van haar sociale en seksuele leven door de ontstane en bestaande afhankelijkheid van de verdachte werd beperkt.

Het hof is daarbij tevens van oordeel dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van voormelde afhankelijkheid van de aangeefster door haar opzettelijk te (blijven) bewegen de bewezenverklaarde ontuchtige handelingen te plegen of te dulden. Het hof merkt hierbij op dat de constatering dat geen sprake is geweest van de uitoefening door de verdachte jegens de aangeefster van fysiek geweld, of van dwang in juridische zin, alsook het gegeven dat er sprake was van wederzijds affectieve gevoelens, niet aan deze conclusie in de weg staat.

Ten aanzien van de kwalificatie “misbruik” overweegt het hof allereerst dat blijkens zijn verklaring de verdachte de ongelijkheid van de relatie (en de mogelijke onwenselijke gevolgen daarvan voor de aangeefster) zich van de aanvang af heeft gerealiseerd. Zo heeft hij erkend dat hij reeds op een vroeg moment in de relatie tegen de aangeefster heeft gezegd dat zij hem om de (seksuele) relatie tussen hem en haar later zou gaan haten. Ook heeft hij zich blijkens zijn verklaring hardop tegenover haar afgevraagd wat zij in hem, een man van zijn leeftijd, zag. Desondanks heeft de verdachte de relatie daarna nog langjarig voortgezet. Gelet op het vorenstaande kwalificeert het hof het gebruik blijven maken van de afhankelijkheid van de aangeefster, als misbruik maken van die afhankelijkheid.

Het hof kent in dit verband ook betekenis toe aan het feit dat de verdachte op een moment dat de relatie na “ontdekking” was onderbroken, zelf weer na vijf maanden contact met de aangeefster heeft gezocht. Hierna is hij vrijwel direct naar haar woning gegaan, waarna de relatie weer als voorheen werd hervat. Het hof duidt ook dit laatste handelen van de verdachte als handelen met het oog op het (wederom) brengen van de aangeefster in een afhankelijke situatie en het haar als gevolg daarvan tevens bewegen tot seksuele gedragingen met hem, en daarmee eveneens als handelen van de verdachte waarbij hij misbruik heeft gemaakt van voormelde afhankelijkheid. Zeker gezien de relationele voorgeschiedenis tussen beiden is het hof dan ook van oordeel dat de verdachte op dat moment beoogde, althans minimaal willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardde, dat het hernieuwde contact met- en het hernieuwd bezoeken van de aangeefster, gegeven voormelde afhankelijkheid, tevens zou leiden tot hernieuwd seksueel contact. Die kans zich ook heeft verwezenlijkt.

Aldus heeft de verdachte naar het oordeel van het hof ook in de periode nadat de aangeefster zestien jaar was geworden niet alleen misbruik gemaakt van zijn uit feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht, maar heeft hij dat overwicht ook (minst genomen: voorwaardelijk) opzettelijk aangewend om de aangeefster te bewegen de bewezen verklaarde ontuchtige handelingen te (blijven) dulden c.q. te (blijven) plegen. Het tot een andere conclusie leidende verweer van de raadsman wordt dan ook door het hof verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.


hij

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 16 mei 2008

te Ridderkerk

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had bereikt en/of met iemand die aan zijn, verdachtes zorg en/of opleiding was toevertrouwd, te weten met [slachtoffer] (geboren op [geboortejaar] 1992), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk

het (telkens) brengen en/of houden van zijn, verdachtes,

- tong en/of penis in de mond van die [slachtoffer] en/of

- penis en/of vinger(s) en/of tong in de vagina van die [slachtoffer] en/of

en/of

- het laten betasten en/of aftrekken van, zijn, verdachtes, penis en/of

- het voelen en/of betasten van en/of wrijven over de borsten en/of vagina, althans het lichaam van die [slachtoffer];


2.

subsidiair:


hij

in of omstreeks de periode van 17 mei 2008 tot en met 16 mei 2010

te Ridderkerk

door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, [slachtoffer], geboren op [geboortejaar] 1992 waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen te plegen, of zodanige handelingen van verdachte te dulden, bestaande die handelingen onder meer uit het:

(telkens) brengen en/of houden van zijn, verdachtes

- tong en/of penis in de mond van die [slachtoffer] en/of

- vinger(s) en/of tong en/of penis in de vagina van die [slachtoffer]

en/of

- laten betasten en/of aftrekken van zijn, verdachtes, penis en/of

- voelen en/of betasten van en/of wrijven over de borsten en/of vagina, althans het lichaam van die [slachtoffer],

bestaande dat uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht uit:

- het leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer] en/of

- het feit dat hij, verdachte, [slachtoffer]s voetbalcoach was en/of

- haar kwetsbaarheid en/of beïnvloedbaarheid en/of psychische gesteldheid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

meermalen gepleegd.

Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht een persoon waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen van hem te dulden,

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veelvuldig plegen van ontucht met het slachtoffer tussen haar veertiende en zestiende levensjaar. De verdachte was toen haar voetbalcoach. Daarnaast heeft de verdachte het slachtoffer na haar zestiende verjaardag, door misbruik te maken van het grote leeftijdsverschil tussen hem en het slachtoffer en de kwetsbare psychische gesteldheid van het slachtoffer, meermalen gebracht tot het dulden en plegen van ontuchtige handelingen.

De verdachte heeft, mede gelet op zijn uit het leeftijdsverschil van 35 jaar voortvloeiende overwicht, ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het nog zeer jonge slachtoffer. De verdachte heeft het fysieke en psychische welzijn van het slachtoffer ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften en een ernstige inbreuk gemaakt op haar ongestoorde (seksuele) ontwikkeling. De verdachte heeft veelvuldig en vergaand seksueel contact gehad met het slachtoffer, dat in seksueel opzicht geheel onervaren was, waarbij al op haar veertiende jaar penetratie heeft plaatsgevonden.

De verdachte heeft misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid van het jonge slachtoffer en de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften – hoewel hij alle tijd heeft gehad om zich te bezinnen en het contact te verbreken - telkens laten prevaleren. Hij heeft zelfs opnieuw contact met haar gezocht toen de relatie noodgedwongen na ontdekking was gestopt. De stelling van de verdachte dat het slachtoffer degene was die toenadering zocht en het initiatief nam voor seksueel contact, is geenszins van belang, gelet op haar zeer jonge leeftijd, kwetsbaarheid en afhankelijkheid.

Het slachtoffer bevond zich gedurende de periode van het misbruik in een zeer kwetsbare fase van de(seksuele) ontwikkeling: het begin van de puberteit. Het is algemeen bekend dat feiten als het onderhavige (vooral in die fase) grote schade kunnen toebrengen aan de ontwikkeling van kinderen.

Die schade heeft zich ook bij het slachtoffer voltrokken. Zij heeft als gevolg van hetgeen tussen haar en de verdachte is gebeurd een laag zelfbeeld en kampt met depressiviteit. Voorts heeft ze moeite met het aangaan en goed houden van intieme relaties met leeftijdsgenoten. Ze heeft hulp gezocht bij een psychotherapeut bij wie zij al jarenlang en nog steeds in behandeling is voor een Post Traumatische Stress Stoornis.

Bij het bepalen van de straf heeft het hof meegewogen dat het misbruik gedurende ruim vijf jaar heeft plaatsgevonden en dat er veelvuldig seksueel verkeer was op verschillende manieren en plaatsen, waaronder thuis bij het slachtoffer, in de open lucht en in de auto van de verdachte, soms ook kort en snel waarbij voor verder relationeel contact geen ruimte was.

Voorts houdt het hof in het voordeel van de verdachte rekening met de volgende omstandigheden.

De verdachte heeft opening van zaken gegeven, zijn verantwoording genomen en spijt betuigd.

Zowel de verdachte als het slachtoffer hebben verklaard dat sprake was van wederzijdse affectieve genegenheid en dat fysieke dwang zich geenszins heeft voorgedaan. Het risico op recidive wordt door Reclassering Nederland blijkens een rapport d.d. 14 juni 2017 ingeschat als laag. Het hof onderschrijft die inschatting.

Daarnaast heeft het of er acht op geslagen dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 31 juli 2018, nimmer met justitie of politie in aanraking is geweest.

Het hof heeft nog stilgestaan bij de publiciteit die zeer onlangs aan deze zaak is gegeven. De verdachte ondervindt daar nadeel van. Hetzelfde zal gelden voor het slachtoffer. Het hof ziet geen aanleiding deze omstandigheid als een matigende factor aan te merken.

Ook heeft het hof stilgestaan bij de eventuele gevolgen van de op te leggen straf voor het werk van de verdachte, zoals een mogelijk ontslag, maar is van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten, hieraan bij de keuze van de strafmodaliteit en strafduur geen doorslaggevende betekenis in het voordeel van de verdachte kan worden toegekend.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en onder 2 subsidiair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 20.000,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 12.500,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte deels betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en onder 2 subsidiair bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 5.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 245 en 248a van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1, 2 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 1, 2 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 11 augustus 2017.

Dit arrest is gewezen door mr. A. Kuijer,

mr. A.J.M. Kaptein en mr. TH.P.L. Bot, in bijzijn van de griffier mr. S. Johannes.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 augustus 2018.