Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2175

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
28-08-2018
Zaaknummer
22-004100-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft meermalen seksuele handelingen verricht in het zicht en bijzijn van jonge kinderen die buiten aan het spelen waren in of in de nabijheid van een speeltuin. Hij heeft hen bewogen om getuige te zijn van deze seksuele handelingen door eerst contact met de kinderen te leggen.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 165 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Als bijzondere voorwaarde moet de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd, in een instelling verblijven voor begeleid wonen. Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004100-17

Parketnummer: 09-827165-17

Datum uitspraak: 21 maart 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 19 september 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1982,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 7 maart 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 13 maart 2016 te Vlaardingen, op of nabij de [adres], een meisje, genaamd [slachtoffer] (geboren [geboortejaar] 2009), waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, met ontuchtig oogmerk er toe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen door

- aan dat meisje [slachtoffer] te vragen of zij een konijntje wilde zien en/of

- ( vervolgens) dat meisje [slachtoffer] mee te nemen naar een steegje en/of

- ( vervolgens) in het bijzijn van dat meisje [slachtoffer], zijn ontblote penis te tonen en/of op zijn penis te spugen en/of

- ( vervolgens) dat meisje [slachtoffer] bij haar schouder en/of nek heeft vastgepakt;

2:
hij op of omstreeks 14 juli 2016 te Vlaardingen, op of nabij de [adres], drie meisjes, genaamd [slachtoffer 2] (geboren [geboortejaar] 2010), [slachtoffer 3] (geboren [geboortejaar] 2009) en [slachtoffer 4] (geboren [geboortejaar] 2010), waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt, met ontuchtig oogmerk er toe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen door

- die meisjes te benaderen en/of te zeggen "er is een konijn bij de bosjes" en/of "wil je/willen jullie het konijntje zien", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

- in het bijzijn van die beide meisjes [benadeelde partij 1 en 2] en meisje [slachtoffer 4] zijn ontblote, stijve penis te tonen en/of met zijn handen heen en weer gaande bewegingen over zijn piemel te maken;

subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

Hij op of omstreeks 14 juli 2016 te Vlaardingen de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het open baar verkeer bestemd, te weten op of nabij [adres], door zich daar met ontblote en/of stijve, penis te bevinden en en/of met zijn handen heen en weer gaande bewegingen met zijn penis te maken;

3:
hij op of omstreeks 31 december 2016 te Vlaardingen, op of nabij de [adres] een meisje, genaamd [slachtoffer 5] (geboren [geboortejaar] 2005) en/of een jongen, genaamd [slachtoffer 6] (geboren [geboortejaar] 2005) en/of een meisje, genaamd [slachtoffer 7] (geboren [geboortejaar] 2007), waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, met ontuchtig oogmerk er toe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen door

- ten overstaan van die meisjes [slachtoffer 5] en [slachtoffer 7] en/of die jongen [slachtoffer 6] van zijn/een fiets te stappen en/of die fiets tegen een hek/schutting te zetten en/of

- ( vervolgens) in het bijzijn van die meisjes [ en [slachtoffer 7] en/of die jongen [slachtoffer 6] zijn, verdachtes, ontblote penis te tonen en/of zwaaiende bewegingen met zijn penis te maken;

subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot vervolging mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 31 december 2016 te Vlaardingen de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten op of nabij de [adres], door zich daar met ontbloot geslachtsdeel te bevinden en en/of zwaaiende bewegingen met zijn geslachtsdeel te maken;

4:
hij in of omstreeks de periode van 30 december 2016 tot en met 8 januari 2017 te Vlaardingen,

- op of nabij de [adres] een meisje, genaamd [slachtoffer 8] (geboren [geboortejaar] 2009) en/of een meisje, genaamd [slachtoffer 9] (geboren [geboortejaar] 2008)

en/of

- op of nabij de [adres] een meisje, genaamd [slachtoffer 10] (geboren [geboortejaar] 2011) en/of een meisje, genaamd [slachtoffer 11] [slachtoffer 10] (geboren [geboortejaar] 2011),

waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, met ontuchtig oogmerk er toe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen door

- tegen die meisjes [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] te zeggen: "Kijk een dood konijntje" (althans woorden van gelijke aard en/of strekking) en/of (vervolgens) in het bijzijn van die meisjes [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] zijn ontblote penis te tonen,

- met zijn/een fiets naar een speelplaatsje te gaan, waar die meisjes [slachtoffer 10] aan het spelen waren en tegen die meisjes [slachtoffer 10] te zeggen: "Kom, ja, kom" en/of "Willen jullie een snoepje" (althans -telkens- woorden van gelijke aard en/of strekking) en/of (vervolgens) in het bijzijn van die meisjes [slachtoffer 10] zijn ontblote penis te tonen en/of zwaaiende bewegingen met zijn penis te maken;

5:
hij in of omstreeks 6 mei 2016 te Vlaardingen, op of nabij [adres] een meisje, genaamd [slachtoffer 12] (geboren [geboortejaar] 2008) en/of een meisje, genaamd [slachtoffer 13] (geboren [geboortejaar] 2009), waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, met ontuchtig oogmerk er toe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen door

- tegen die meisjes [slachtoffer 12] en [slachtoffer 13], die in een speeltuintje aan het spelen waren, te zeggen/vragen: "Wil je een konijntje? (althans woorden van gelijke aard en/of strekking) en/of (vervolgens) in het bijzijn van die meisjes [slachtoffer 12] en [slachtoffer 13] zijn ontblote penis te tonen en/of zwaaiende bewegingen met zijn penis te maken;

subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot vervolging mocht of zou kunnen leiden:

Hij op of omstreeks 6 mei 2016 te Vlaardingen de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten op of nabij de [adres], door zich daar met ontblote penis te bevinden en en/of zwaaiende bewegingen met zijn penis te maken;

6:
hij in of omstreeks de periode van 6 juli 2016 tot en met 5 augustus 2016 te Vlaardingen meermalen, althans eenmaal (telkens)de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten op of nabij de [adres] en/of op of nabij de [adres], door (telkens) zich daar toen met ontbloot geslachtsdeel te bevinden.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 5 en 6 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2 primair, 3 primair, onder 4 eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 176 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Als bijzondere voorwaarden zijn daaraan verbonden reclasseringstoezicht, klinische opname in een kliniek van Ipse de Bruggen en verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer],

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 5 en 6 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en dat het hof opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 176 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarden daaraan verbonden reclasseringstoezicht en verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijk opvang.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op of omstreeks 13 maart 2016 te Vlaardingen, op of nabij de [adres], een meisje, genaamd [slachtoffer] (geboren [geboortejaar] 2009), waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, met ontuchtig oogmerk er toe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen door

- aan dat meisje [slachtoffer] te vragen of zij een konijntje wilde zien en/of

- (vervolgens) dat meisje [slachtoffer] mee te nemen naar een steegje en/of

- (vervolgens) in het bijzijn van dat meisje [slachtoffer], zijn ontblote penis te tonen en/of op zijn penis te spugen en/of

- (vervolgens) dat meisje [slachtoffer] bij haar schouder en/of nek heeft vastgepakt;

2 primair:
hij op of omstreeks 14 juli 2016 te Vlaardingen, op of nabij de Professor Rutgersstraat, drie meisjes, genaamd [slachtoffer 2] (geboren [geboortejaar] 2010), [slachtoffer 3] (geboren [geboortejaar] 2009) en [slachtoffer 4] (geboren [geboortejaar] 2010), waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt, met ontuchtig oogmerk er toe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen door

- die meisjes te benaderen en/of te zeggen "er is een konijn bij de bosjes" en/of "wil je/willen jullie het konijntje zien", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

- in het bijzijn van die beide meisjes [slachtoffer 2 en 3]en meisje [slachtoffer 4] zijn ontblote, stijve penis te tonen en/of met zijn handen heen en weer gaande bewegingen over zijn piemel te maken;

3 primair:
hij op of omstreeks 31 december 2016 te Vlaardingen, op of nabij de [adres] een meisje, genaamd [slachtoffer 5] (geboren [geboortejaar] 2005) en/of een jongen, genaamd [slachtoffer 5] (geboren [geboortejaar] 2005) en/of een meisje, genaamd [slachtoffer 6] (geboren [geboortejaar] 2007), waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, met ontuchtig oogmerk er toe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen door

- ten overstaan van die meisjes [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] en/of die jongen [slachtoffer 5] van zijn/een fiets te stappen en/of die fiets tegen een hek/schutting te zetten en/of

- (vervolgens) in het bijzijn van die meisjes [slachtoffer 5] en [slachtoffer 7] en/of die jongen [slachtoffer 6] zijn, verdachtes, ontblote penis te tonen en/of zwaaiende bewegingen met zijn penis te maken;


4:
hij in of omstreeks de periode van 30 december 2016 tot en met 8 januari 2017 te Vlaardingen,

- op of nabij de [adres] een meisje, genaamd [slachtoffer 8] (geboren [geboortejaar] 2009) en/of een meisje, genaamd [slachtoffer 9] (geboren [geboortejaar] 2008)

en/of

- op of nabij [adres] een meisje, genaamd [slachtoffer 10] (geboren [geboortejaar] 2011) en/of een meisje, genaamd [slachtoffer 11] [slachtoffer 10] (geboren [geboortejaar] 2011),

waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, met ontuchtig oogmerk er toe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen door

- tegen die meisjes [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] te zeggen: "Kijk een dood konijntje" (althans woorden van gelijke aard en/of strekking) en/of (vervolgens) in het bijzijn van die meisjes [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] zijn ontblote penis te tonen,

- met zijn/een fiets naar een speelplaatsje te gaan, waar die meisjes [slachtoffer 10] aan het spelen waren en tegen die meisjes [slachtoffer 10] te zeggen: "Kom, ja, kom" en/of "Willen jullie een snoepje" (althans -telkens- woorden van gelijke aard en/of strekking) en/of (vervolgens) in het bijzijn van die meisjes [slachtoffer 10] zijn ontblote penis te tonen en/of zwaaiende bewegingen met zijn penis te maken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 eerste en tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde levert op:

met ontuchtig oogmerk iemand, van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, ertoe bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft meermalen seksuele handelingen verricht in het zicht en bijzijn van jonge kinderen die buiten aan het spelen waren in of in de nabijheid van een speeltuin. Hij heeft hen bewogen om getuige te zijn van deze seksuele handelingen door eerst contact met de kinderen te leggen. Daarmee heeft hij de grenzen die gelden binnen de maatschappij en het strafrecht overschreden. Jonge kinderen moeten in hun (seksuele) ontwikkeling beschermd worden tegen het zien van seksuele handelingen van anderen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het voor minderjarigen (zeker in de leeftijd van de slachtoffertjes in deze zaak) een traumatische ervaring kan zijn wanneer zij volkomen onverwacht met een dergelijk handelen worden geconfronteerd. Dat dit in tenminste één van de zaken ook daadwerkelijk het gevolg van verdachtes handelen is geweest, blijkt ook uit de verklaring van de moeder van een van de minderjarige slachtoffers. Naast directe gevolgen voor de kinderen, heeft de verdachte met zijn handelen ook voor onrust, onveiligheid en onzekerheid in de betreffende gemeente gezorgd. Speeltuintjes zijn bij uitstek plaatsen waar kinderen veilig zouden moeten kunnen spelen, en ouders moeten hun kinderen daar ook veilig weten.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 februari 2018. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld.

Het hof heeft acht geslagen op het rapport Pro Justitia psychologisch onderzoek van 14 november 2016 en opgesteld door drs. B.Y. van Toorn. Volgens de psycholoog is bij de verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens/geestelijke stoornis in de vorm van lichte zwakzinnigheid, aanpassingsstoornis met depressieve en angstige kenmerken, een psychotische stoornis en cannabisafhankelijkheid (in remissie). Door de ontkennende houding van de verdachte kan niets worden gezegd over toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Ook de risicotaxatie is onvolledig gebleven door de onvolledige forensische beschouwingen. Factoren die risico verhogend zouden kunnen zijn, zijn de verstandelijke beperking, onrijpe persoonlijkheid en het gebrek aan copingsvaardigheden. De psycholoog uit grote zorgen over de verdachte. Hij moet zo snel mogelijk in het LVB-circuit, waar de verdachte kan wonen en werken en uit zijn isolement kan komen. Dit moet voordat zijn ouders, waarbij hij nu woonachtig is maar die op hoge leeftijd zijn, komen te overlijden. Geadviseerd wordt een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, waarbij de reclassering op zoek moet gaan naar een geschikte woonbegeleiding in de zin van een residentiële setting voor de verdachte.

Het hof heeft voorts acht geslagen op het advies van de Reclassering Nederland van 28 augustus 2017, opgesteld door T. Starrenburg, reclasseringsmedewerker. Hierin is onder meer vermeld dat de verdachte sinds 10 april 2017 in een kliniek van [kliniek] in de Kijvelanden verblijft. Hij volgt het programma overwegend passief en lijkt weinig motivatie voor behandeling te ervaren. De begeleiders schatten het probleembesef en probleeminzicht van de verdachte in als zeer problematisch. Het is belangrijk dat de verdachte meer motivatie toont en meer openheid van zaken voor zijn handelen geeft. Dit helpt bij het inschatten en beperken van recidive. Na een eventuele opgelegde klinische behandeling is de verdachte aangewezen op beschermd wonen met 24 uurs toezicht. Geadviseerd wordt om het opgestarte traject voort te zetten, waardoor er een behandeling gericht op het delict opgestart kan worden en de verdachte door kan stromen naar een beschermde woonvorm.

Het hof heeft tot slot acht geslagen op een (beknopt) reclasseringsadvies van 12 februari 2018 opgemaakt door T. Starrenburg. Hierin is onder meer vermeld dat de verdachte tot 21 september 2017 opgenomen is geweest in Behandelcentrum Middenweg van Ipse de Bruggen. Deze klinische behandeling vond plaats gedurende de schorsing uit voorlopige hechtenis. Omdat de schorsing afliep, koos de familie ervoor om de verdachte weer thuis te laten wonen. De politie is wekelijks bij zijn ouders thuis langsgegaan. Volgens de wijkagent zijn er geen bijzonderheden te melden. Wel maakt de politie zich zorgen over het emotionele welzijn van de verdachte en zien zij iemand die soms verward overkomt. De verdachte krijgt via de huisarts Haloperidol voorgeschreven. Dit medicijn remt wanen en hallucinaties en tot nu toe neemt de verdachte zijn medicatie trouw in. De verdachte heeft tot nu toe steeds volgehouden om niet over de tenlastelegging te spreken. Indien de verdachte wil praten over de delicten, zou hij aangemeld kunnen worden voor een behandeling gericht op zeden, omgaan met seksualiteit en verbetering sociale vaardigheden en weerbaarheid. De reclassering acht het wenselijk dat de verdachte uiteindelijk in een begeleid wonen traject terechtkomt. De verdachte is inmiddels aangemeld bij Middin om te bezien of hij een geschikte kandidaat is voor woonbegeleiding en/of begeleid wonen.

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een nadere toelichting gegeven op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Zij stelt dat het zeer moeilijk is om met de verdachte te communiceren, wat voortvloeit uit zijn (verstandelijke) beperkingen en zijn psychotische stoornis. De reclassering heeft een alternatief behandelplan voorgesteld in de vorm van een dagbehandeling, gericht op onder andere seksualiteit. De verwachtingen zijn echter minimaal. Het is voor de verdachte namelijk niet mogelijk om over zijn gedachten te communiceren. De verdachte is onvoldoende in staat om voor zichzelf te zorgen en zijn ouders kunnen de zorg voor hem niet meer aan. In Ipse de Bruggen ging de verdachte erg achteruit. Hij heeft daar

5 maanden op een gesloten afdeling doorgebracht zonder enige verbetering in zijn situatie.

Het hof stelt voorop dat de ernst en de frequentie van de feiten oplegging van een vrijheidsbenemende straf rechtvaardigen. Een gedeelte daarvan zal in de vorm van een voorwaardelijke straf worden opgelegd, nu het hof – conform de adviezen – behandeling van de verdachte noodzakelijk acht, gelet op zijn complexe en problematische situatie. Het hof zal geen klinische opname bij Ipse de Bruggen als bijzondere voorwaarde opleggen gelet op het hiervoor beschrevene.

Alles afwegend leidt dit tot na te noemen straf.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 5.235,87 (€ 735,87 materieel en € 4.500,- immaterieel).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 5.235,87.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.235,87, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte deels betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 735,87 aan materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van

€ 1.500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 2.235,87 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer D. [slachtoffer].

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 250,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag van € 250,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 250,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2].

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 3]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 250,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag van € 250,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 250,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 248d van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 5 en 6 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 eerste en tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 165 (honderdvijfenzestig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 60 (zestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd te melden bij de Reclassering Nederland, Advies & Toezicht Unit 2 Zuid-West Marconistraat 2 te Rotterdam op de door de reclassering te bepalen tijdstippen en zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd, op een door zijn behandelaars in overleg met de reclassering te bepalen tijdstip, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, en zich houdt aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.235,87 (tweeduizend tweehonderdvijfendertig euro en zevenentachtig cent) bestaande uit € 735,87 (zevenhonderdvijfendertig euro en zevenentachtig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 22 augustus 2017 en van de immateriële schade op 13 maart 2016.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.235,87 (tweeduizend tweehonderdvijfendertig euro en zevenentachtig cent) bestaande uit € 735,87 (zevenhonderdvijfendertig euro en zevenentachtig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 32 (tweeëndertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 22 augustus 2017 en van de immateriële schade op 13 maart 2016.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 14 juli 2016.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 14 juli 2016.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 14 juli 2016.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3], ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 14 juli 2016.

Dit arrest is gewezen door mr. H. van den Heuvel,

mr. R.C.A. Duindam en mr. Chr.A. Baardman, in bijzijn van de griffier mr. L.A. Haas.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 maart 2018.