Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2174

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
13-09-2018
Zaaknummer
200.162.982/01 en 200.112.947/02
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op Hof Den Haag 3 oktober 2017. Terugkomen op bindende eindbeslissing. Verzoek tot wijziging van de omvang van de dwangsommen (NJ 2007,35)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummers : 200.162.982/01 en 200.112.947/02

Zaaknummer rechtbank : 1106707 / 11-28748

arrest van 4 september 2018

inzake

in de zaak met zaaknummer 200.162.982/01

1 ARS Traffic & Transport Technology B.V.,

2. Beryl B.V. (voorheen ARS Technology B.V.)

beide gevestigd te Den Haag,

appellanten,

hierna gezamenlijk te noemen: ARS c.s.; en ieder afzonderlijk: ARS T&TT en Beryl,

advocaat: mr. G.T.J. Hoff te Haarlem,

tegen

[geïntimeerde]

wonend te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. P. van Riessen te Gouda,

in de zaak met zaaknummer 200.112.947/02

1 ARS Traffic & Transport Technology B.V.,

2. Beryl B.V. (voorheen ARS Technology B.V.)

beide gevestigd te Den Haag,

appellanten in principaal appel,

geïntimeerden in incidenteel appel,

hierna gezamenlijk te noemen: ARS c.s.; en ieder afzonderlijk: ARS T&TT en Beryl,

advocaat: mr. G.T.J. Hoff te Haarlem,

tegen

[geïntimeerde]

wonend te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in incidenteel appel.

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. P. van Riessen te Gouda,

1 Het verdere verloop van het geding

1.1

Het hof heeft op 3 oktober 2017 een tweede tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot die datum verwijst het hof naar dat arrest.

1.2

Hierop hebben [geïntimeerde] en ARS c.s. gelijktijdig op 10 april 2018 een akte met producties genomen. ARS c.s. hebben bij die gelegenheid hun eis gewijzigd. Partijen hebben deze aktes op voorhand aan elkaar toegezonden, zodat zij over en weer op elkaar hebben kunnen reageren.

1.3

Ten slotte is wederom arrest gevraagd.

1.4

Het hof vermeldt nog dat het in eerdere tussenarresten in zaak 200.112.947/02 [geïntimeerde] abusievelijk als appellant heeft aangemerkt en ARS c.s. als geïntimeerden en dat in de kop van deze tussenarresten niet is vermeld dat [geïntimeerde] incidenteel appel heeft ingesteld. Deze fouten zijn thans in de kop van het arrest hersteld.

2 Verdere beoordeling van het hoger beroep

Winstdeling

2.1

De kantonrechter had in het vonnis van 21 augustus 2014 ARS T&TT veroordeeld tot betaling van winstdeling aan [geïntimeerde] ter hoogte van het netto-equivalent van een bedrag van € 245.131,33 bruto. ARS c.s. is met haar derde grief 3 in zaaknummer 200.162.982/01 (in eerdere arresten ook wel aangeduid als “het principaal appel”) opgekomen tegen deze beslissing. Het hof heeft in het tweede tussenarrest van 3 oktober 2017 een deskundige benoemd om het bedrag aan winstdeling te berekenen waarop [geïntimeerde] recht heeft. In hun laatste aktes hebben partijen het hof laten weten dat zij ter zake van de winstdeling een definitieve schikking hebben getroffen, dat de deskundige zijn werkzaamheden kan staken en dat ten aanzien van dit deel van het geschil aan het hof geen beslissing meer wordt gevraagd. Gelet op deze schikking zal het hof het eindvonnis van 21 augustus 2014 vernietigen voor zover daarin is beslist dat ARS T&TT aan [geïntimeerde] een bedrag aan winstdeling moet betalen van € 245.131,33.

2.2

Wat betreft de kosten van de deskundige geldt het volgende. Partijen hebben ieder de helft van het voorschot (€ 15.000,-) voldaan. Voor zover de deskundige kosten heeft gemaakt, zijn partijen het erover eens dat zij ieder de helft van die kosten zullen dragen. Het restant van het voorschot kan aan partijen worden geretourneerd.

Terugkoopprijs van de certificaten

2.3

Voorts was aan de orde voor welk bedrag ARS T&TT de certificaten van Zijderveld diende terug te kopen. In het tussenarrest van 13 december 2016 (hierna: het eerste tussenarrest) is het hof tot de conclusie gekomen dat de terugkoopprijs van de certificaten dient te worden vastgesteld per peildatum 31 december 2012 aan de hand van de rentabiliteitsmethode zoals beschreven in het Memo 2004, waarbij gebruik wordt gemaakt van het geconsolideerde resultaat van de vier jaar daarvoor en een kostenvoet van 9%. Partijen is verzocht aan de hand van deze uitgangspunten de terugkoopprijs te berekenen en daarover met elkaar in overleg te treden.

2.4

In het tweede tussenarrest is geconstateerd dat partijen geen overeenstemming over de terugkoopprijs hadden. Het hof heeft het verzoek van [geïntimeerde] verworpen om terug te komen op zijn beslissing dat de prijs aan de hand van de rentabiliteitsmethode berekend diende te worden. Het hof heeft ARS c.s. gevolgd in hun conclusie dat de terugkoopprijs van de certificaten € 373,- per certificaat bedraagt (rov. 2.12). Ook heeft het hof ARS c.s. gevolgd in hun conclusie dat [geïntimeerde] per saldo (terugkoopbedrag minus aankoopbedrag) een bedrag van € 1.946.365,- is verschuldigd.

2.5

Beide partijen hebben naar aanleiding van deze beslissing in hun laatste aktes nog een aantal kwesties opgeworpen.

Terugkomen op een bindende eindbeslissing

2.6

Het hof heeft in het eerste tussenarrest geoordeeld dat de terugkoopprijs dient te worden vastgesteld aan de hand van de rentabiliteitsmethode, in plaats van aan de hand van de DCF-methode en dat het ARS c.s. vrijstond om terug te komen op hun in eerste aanleg ingenomen standpunt dat de DCF-methode zou moeten worden gebruikt. Het betreft een bindende eindbeslissing. In rov. 2.6 en 2.7 van het tweede tussenarrest heeft het hof het verzoek van [geïntimeerde] om op die beslissing terug te komen, verworpen. [geïntimeerde] verzoekt het hof nu weer om op deze bindende eindbeslissing terug te komen.

2.7

Ter zake van het terugkomen op een bindende eindbeslissing geldt het volgende. De eisen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800, NJ 2008,553) Voorts geldt dat indien een partij voor het eerst een stelling inneemt nadat de grenzen van de rechtsstrijd in de memories van grieven en van antwoord in beginsel zijn afgebakend en het hof op basis daarvan een bindende eindbeslissing omtrent een geschilpunt heeft gegeven, terwijl deze partij dat verweer eerder had kunnen en moeten voeren en het mede ertoe strekt dat het hof terugkomt op die eindbeslissing, hij in strijd handelt met de eisen van een goede procesorde en met het daarin besloten liggende beginsel van concentratie van het processuele debat, tot uitdrukking komend in de tweeconclusieregel (HR 8 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1224).

2.8

Het huidige verzoek is erop gebaseerd dat [geïntimeerde] van mening is dat hij de gelegenheid had moeten krijgen om zijn standpunt nader uit te werken en uit te breiden, gezien de procesopstelling van ARS c.s. in de eerste aanleg, waardoor het debat over de waardering van de certificaten niet, althans onvoldoende kon worden gevoerd. Verder wijst hij erop dat ARS c.s. ervoor hebben gekozen tijdens de procedure in eerste aanleg 25% van de aandelen te verkopen aan een derde zonder zich iets gelegen te laten liggen aan de belangen van [geïntimeerde], die een virtueel belang van meer dan 5% had in ARS. Als [geïntimeerde] in dienst was gebleven valt niet in te zien waarom hij een lagere prijs voor zijn certificaten zou ontvangen dan deze derde voor de aandelen betaalde. ASR c.s. heeft zich volgens [geïntimeerde] in dubbel opzicht niet correct tegenover hem gedragen. Hij is van mening dat het hof tegen die achtergrond een te strenge maatstaf heeft aangelegd en zou behoren terug te komen op zijn (onjuiste) bindende eindbeslissing op dit punt. Deze omstandigheden, zo begrijpt het hof, zouden ertoe moeten leiden dat de rentabiliteitsmethode niet de aangewezen methode is om de terugkoopprijs te bepalen. Nog daargelaten of dit verzoek erop berust dat de beslissing van het hof in het eerste tussenarrest op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust, handelt [geïntimeerde] in strijd met de eisen van goede procesorde door deze omstandigheden nu pas naar voren te brengen als argument voor de toepassing van de DCF-methode. [geïntimeerde] heeft in ieder geval niet (voldoende gemotiveerd) toegelicht waarom hij dit verweer in dit hoger beroep niet eerder had kunnen voeren. Het hof wijst het verzoek om terug te komen op de bindende eindbeslissing dus opnieuw af. Het hof tekent aan dat de verwijzing naar de procesopstelling van ARS c.s. in de eerste aanleg onvoldoende grond is voor een ander oordeel op dit punt.

De omvang van de op [geïntimeerde] rustende betalingsverplichting

2.8

[geïntimeerde] is het verder oneens met de omvang van de op hem rustende terugbetalingsverplichting. Zoals hiervoor onder 2.2 al overwogen, heeft het hof in het tweede tussenarrest beslist dat [geïntimeerde] per saldo een bedrag van € 1.946.365,- is verschuldigd aan ARS T&TT. Hij heeft de volgende bezwaren tegen deze berekening.

  1. De renteaanspraak van [geïntimeerde] over de verkoopprijs van de certificaten heeft betrekking op het tijdvak 1 mei 2013 tot 10 oktober 2014 en sluit op € 27.732,84.

  2. [geïntimeerde] is geen wettelijke rente verschuldigd over de koopprijs van de certificaten, want hij is nimmer in verzuim geraakt. ARS c.s. heeft ten onrechte in de berekening een bedrag van € 119.238,- meegenomen over het tijdvak 15 augustus 2004 tot 30 juni 2017.

  3. Op basis van het bestreden vonnis heeft [geïntimeerde] een bedrag van € 2.417.700,- ontvangen, maar uit de tussenarresten blijkt dat [geïntimeerde] slechts recht had op € 634.408,-. [geïntimeerde] moet het te veel ontvangen bedrag terugbetalen, maar betwist dat ARS c.s. aanspraak kan maken op rente over dat bedrag. Volgens hem hebben ARS c.s. het geheel aan zichzelf te wijten dat de kantonrechter aanvankelijk een te hoog bedrag heeft toegewezen.

  4. Als [geïntimeerde] wel rente zou zijn verschuldigd, is deze ingegaan op 10 oktober 2014, de datum waarop [geïntimeerde] het bedrag van € 2.417.700,- heeft ontvangen. De wettelijke rente over de periode van 10 oktober 201 tot 11 oktober 2017 bedraagt volgens [geïntimeerde] € 111.706,54.

2.9

Naar het oordeel van het hof staat het [geïntimeerde] vrij alsnog bezwaar te maken tegen de berekening van de wettelijke rente door ARS c.s., nu hij daartegen niet eerder bezwaar heeft kunnen maken. Het hof heeft in het tweede tussenarrest weliswaar geoordeeld dat het ARS c.s. volgt in de berekening die leidt tot het bedrag van € 1.946.365,-, omdat deze berekening strookt met de door [geïntimeerde] geraadpleegde deskundige gemaakte berekening. Echter, dat geldt niet voor de berekening van de wettelijke rente; de deskundige van [geïntimeerde] heeft op dat punt geen berekening gemaakt. Het hof ziet in zoverre aanleiding om terug te komen op zijn bindende eindbeslissing op dit punt in zijn tweede tussenarrest. De kwestie van de wettelijke rente zal opnieuw worden beoordeeld aan de hand van de door partijen naar voren gebrachte stellingen en de uitwerking daarvan in de overgelegde spreadsheets (prod. D akte [geïntimeerde], prod 1 akte ARS c.s. beide van 10 april 2018).

2.10

Uit deze spreadsheets volgt dat partijen het erover eens zijn dat [geïntimeerde] het verschil tussen € 2.417.700,- en € 634.408,- moet terug betalen aan ARS c.s. [geïntimeerde] meent dat hij daarbovenop nog aanspraak kan maken op een bedrag van € 27.732,84 aan wettelijke rente over het tijdvak 1 mei 2013 tot 10 oktober 2014, terwijl ARS c.s. in hun spreadsheet stellen dat het gaat om € 34.231,30 over het tijdvak 31 december 2012 tot 10 oktober 2014. Het hof zal uitgaan van het door [geïntimeerde] genoemde bedrag, omdat dat het bedrag is dat hij vordert en dat het laagste bedrag is. Per saldo gaat het dus om € 2.417.700,- te verminderen met € 662.140,84 (t.w. € 634.408,- + € 27.732,84). Dit komt uit op een bedrag van € 1.755.559,- dat [geïntimeerde] moet betalen aan ARS c.s. omdat hij op 10 oktober 2014 een te hoog bedrag van ARS c.s. heeft ontvangen.

2.11

Het volgende punt waarover moet worden beslist, is de wettelijke rente over het door [geïntimeerde] te veel ontvangen bedrag. [geïntimeerde] stelt zich primair op het standpunt dat hij geen wettelijke rente is verschuldigd vanwege de procesopstelling van ARS c.s. Naar het oordeel van het hof vormt hetgeen [geïntimeerde] heeft aangevoerd onvoldoende grond om geen wettelijke rente toe te wijzen. Dit standpunt wordt dus verworpen.

2.12

Subsidiair is [geïntimeerde] van mening dat ARS c.s. aanspraak kunnen maken op wettelijke rente vanaf 10 oktober 2014. Het hof volgt [geïntimeerde] in dit standpunt nu de betaling door ARS T&TT op die datum heeft plaatsgevonden. Het hof zal dan ook de wettelijke rente toewijzen vanaf die datum. Dat het hof als peildatum voor de bepaling van de hoogte van de terugkoopprijs van de certificaten 31 december 2004 heeft genomen, betekent niet dat dit ook de ingangsdatum is van de wettelijke rente.

2.13

Volgens de door [geïntimeerde] overgelegde berekening (prod. C akte 10 april 2018) bedraagt de wettelijke rente over de periode 10 oktober 2014 tot 11 oktober 2017 € 111.706,54. Dit, in het eerder genoemde spreadsheet van [geïntimeerde] vermelde, bedrag is door ARS c.s. onvoldoende gemotiveerd betwist. Het door ARS c.s. in hun spreadsheet genoemde bedrag van € 113.994,28 is niet met een renteberekening onderbouwd. [geïntimeerde] heeft verder nog aangevoerd dat hij op 11 oktober 2017 ongeclausuleerd heeft aangeboden een bedrag van € 1.867.265,70 te betalen (zijnde: € 1.755.559,- + € 111.706,54), maar dat het nog tot eind december 2017 heeft geduurd voordat ARS c.s. hun medewerking hebben verleend. Uiteindelijk heeft [geïntimeerde] het bedrag op 21, 22 en 27 december 2017 in delen en onder voorbehoud van rechten aan ARS c.s. voldaan.

2.14

Voor zover [geïntimeerde] meent dat hij over de periode 11 oktober 2017 tot 27 december 2017 geen wettelijke rente meer verschuldigd is omdat ARS c.s. niet meewerkten aan betaling (hetgeen door ARS c.s. gemotiveerd is betwist), is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] hiervoor onvoldoende heeft gesteld. [geïntimeerde] is dus ook over deze laatste periode van ruim twee maanden wettelijke rente verschuldigd over het bedrag van € 1.755.559,-.

Dwangsommen, wijziging eis ARS c.s.

2.15

ARS c.s. hebben in hun akte hun eis gewijzigd en vorderen thans ook terugbetaling door [geïntimeerde] van dwangsommen ten bedrage van € 104.735,48, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. Deze dwangsommen zijn voldaan naar aanleiding van het deelvonnis van de rechtbank van 31 mei 2012, waarbij ARS T&TT is veroordeeld binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis 1000 certificaten te leveren tegen betaling door [geïntimeerde] van € 109,30 per certificaat op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte van een dag dat ARS T&TT daarmee in gebreke zal zijn, met een maximum van € 50.000,-. Verder is ARS Holding veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis het nodige te doen om te waarborgen dat ARS T&TT aan de veroordeling tot levering van de certificaten zal voldoen, eveneens op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, met een maximum van € 50.000,-.

2.16

ARS c.s. achten deze dwangsomveroordeling dubbelop en ten onrechte. Bovendien is inmiddels gebleken dat [geïntimeerde] slechts aanspraak kan maken op ongeveer 20% van hetgeen hij aanvankelijk had gevorderd en dat de (dubbele) dwangsommen ongeveer 25% bedragen van hetgeen ARS c.s. uiteindelijk aan [geïntimeerde] verschuldigd zijn. Het was voor [geïntimeerde] bovendien niet noodzakelijk om in bezit te komen van de certificaten; hij had ook enkel aanspraak kunnen maken op het verschil tussen aankoop- en verkoopprijs. Bij een dergelijke geldvordering had geen dwangsom opgelegd kunnen worden.

2.17

Het hof dient allereerst te beoordelen of in dit stadium van de procedure nog een bezwaar kan worden opgeworpen tegen het vonnis van 31 mei 2012, althans tegen de wijze waarop [geïntimeerde] uitvoering heeft gegeven aan dat vonnis. De hoofdregel in het appelprocesrecht is dat dit niet mogelijk is omdat alle grieven in het eerste processtuk naar voren moeten worden gebracht. ARS c.s. bepleiten echter een uitzondering en verwijzen daarbij naar HR 6 januari 2006, NJ 2007, 35. Uit dat arrest volgt dat het de appelrechter vrij staat het bedrag en de modaliteiten van de dwangsom in zijn beoordeling te betrekken, ook zonder dat in hoger beroep daartegen een specifieke grief is gericht en ook wanneer de grieven tegen de hoofdvordering zijn verworpen.

2.18

In het deelvonnis van 31 mei 2012 heeft de kantonrechter ARS T&TT veroordeeld tot levering van 1000 certificaten tegen betaling door [geïntimeerde] van € 109,30 per certificaat. Aan deze veroordeling heeft de kantonrechter de hiervoor weergegeven dwangsom gekoppeld. ARS T&TT heeft pas in de loop van 2014, na het voeren van een executiekortgeding, aan de veroordeling voldaan. Zij heeft – naar vaststaat – op grond van het vonnis van 31 mei 2012 dwangsommen verbeurd. ARS c.s. hebben in hoger beroep een grief gericht tegen de veroordeling tot levering van de certificaten, maar het hof heeft deze grief verworpen. Op grond van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad staat deze omstandigheid echter niet eraan in de weg dat het hof het bedrag en de modaliteiten van die dwangsom in zijn beoordeling betrekt.

2.19

De door ARS T&TT genoemde omstandigheden acht het hof echter van onvoldoende gewicht. Dat de omvang van de dwangsom zo hoog is opgelopen in verhouding tot de uiteindelijke betalingsveroordeling, is aan ARS c.s. zelf te wijten. Verder bestond er ten tijde van het wijzen van het vonnis van 31 mei 2012 nog geen verplichting tot terugverkoop voor [geïntimeerde] omdat de arbeidsovereenkomst pas per 1 mei 2013 is ontbonden. Mede gelet op de hoogte van de dwangsommen (te weten: 2x € 500,- per dag met een maximum van 2x € 50.000,-), is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat de kantonrechter mogelijk – [geïntimeerde] betwist dit – een “dubbelop”-veroordeling heeft uitgesproken die niet strookt met de feitelijke gang van zaken bij uitgifte en levering van certificaten bij ARS c.s., van onvoldoende gewicht is om deze nu nog te wijzigen.

Slotsom en proceskosten

In de zaak met nummer 200.112.947/02

2.20

Zaak 200.112.947/02 betrof het deelvonnis van 31 mei 2012 waarbij – kort gezegd – ARS T&TT is veroordeeld tot levering aan [geïntimeerde] van 1000 certificaten tegen een koopprijs van € 109,30 per certificaat. Het door ARS c.s. tegen dit vonnis aangevoerde principaal appel (grief 1 in hun memorie van grieven van 7 juli 2015) heeft geen succes, zoals het hof reeds heeft beslist in het tussenarrest van 13 december 2016. ARS c.s. moeten daarom als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Zij zullen worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel. Het hof zal bij de kostenveroordeling ermee rekening houden dat over het geschilpunt waarop het principaal appel betrekking heeft, op 13 december 2016 een bindende eindbeslissing is gegeven.

2.21

In incidenteel appel in zaak 200.112.947/02 heeft [geïntimeerde] gevorderd dat ARS c.s. worden veroordeeld tot levering van nog 840 certificaten aan [geïntimeerde] tegen een koopprijs van € 109,30 en tot afname van [geïntimeerde] van deze 840 certificaten tegen een koopprijs van € 1.805,- per certificaat. Het hof is tot de conclusie gekomen dat [geïntimeerde] ter zake van de levering van de certificaten het gelijk aan zijn zijde heeft. Wat betreft de afnameverplichting is het hof van oordeel dat de koopprijs niet € 1.805,- dient te zijn, maar € 373,-. Daarmee zijn partijen in het incidenteel appel over en weer als de in het ongelijk gestelde partij te beschouwen zodat de proceskosten van het incidenteel appel dienen te worden gecompenseerd.

2.22

Het slagen van het incidenteel appel betekent niet dat het vonnis van 31 mei 2012 moet worden vernietigd. In het dictum van dat vonnis zijn immers geen vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen; zijn grieven houden slechts in dat er meer had moeten worden toegewezen. Omdat vaststaat dat door partijen inmiddels uitvoering is gegeven aan hetgeen [geïntimeerde] heeft gevorderd (met dien verstande dat is gerekend met een terugkoopprijs van € 373,- in plaats van € 1.805,-) ziet het hof geen aanleiding om op dit punt veroordeling van ARS c.s. op nemen in het dictum en zal het vonnis van 31 mei 2012 worden bekrachtigd.

In de zaak met nummer 200.162.982/01

2.23

Zaak 200.162.982/01 betrof het tussenvonnis van 20 september 2012 en het eindvonnis van 21 augustus 2014. Hiertegen heeft alleen ARS c.s. hoger beroep ingesteld. Tegen het vonnis van 20 september 2012 (waarbij de kantonrechter een deskundige heeft benoemd) zijn geen grieven gericht, zodat ARS c.s. in zoverre niet-ontvankelijk zullen worden verklaard.

2.24

Het hoger beroep tegen het eindvonnis van 21 augustus 2014 betrof de door ARS T&TT te betalen terugkoopprijs van € 1.805,- per certificaat. Volgens ARS c.s. had dit een bedrag tussen de € 30,- en € 272,- moeten zijn. Verder keerde ARS c.s. zich tegen het door de kantonrechter toegekende bedrag aan winstdeling. ARS c.s. en [geïntimeerde] zijn in dit beroep over en weer in het ongelijk gesteld. Ook hier is compensatie van de proceskosten op zijn plaats, inclusief de kosten voor het voegingsincident.

2.25

Wat het dictum van het eindvonnis betreft heeft het volgende te gelden. ARS T&TT is veroordeeld tot een bedrag van € 245.131,33 aan winstdeling. Partijen hebben inmiddels een schikking getroffen voor een lager bedrag. Het hof zal het vonnis op dit punt vernietigen.

2.26

In het dictum is verder bepaald dat ARS T&TT een terugkoopverplichting had ter zake van 1400 certificaten tegen een verkoopprijs van € 1.805,- per certificaat. Deze veroordeling dient ook te worden vernietigd althans voor zover het gaat om het terugkoopprijs.

2.27

In het voorgaande is verder gebleken dat partijen van mening verschillen over de wettelijke rente en de daarmee samenhangende vraag in hoeverre [geïntimeerde] nog iets aan ARS c.s. is verschuldigd nadat hij eind december 2017 in totaal een bedrag van € 1.867.265,70 aan ARS T&TT heeft betaald. Het hof verwijst in dat verband naar rov. 2.14 en zal in zoverre nog een veroordeling uitspreken.

3 Beslissing

Het hof:

In de zaken 200.162.982/01 en 200.112.947/02:

- bekrachtigt het vonnis van 31 mei 2012;

- verklaart het beroep van ARS c.s. tegen het vonnis van 20 september 2012 niet ontvankelijk;

- vernietigt het eindvonnis van 21 augustus 2014 voor zover daarin is geoordeeld dat (i) ARS T&TT een bedrag € 245.131,33 aan winstdeling aan [geïntimeerde] moet betalen; (ii) ARS T&TT is gehouden 1.400 certificaten van [geïntimeerde] af te nemen tegen een prijs van € 1.805,- per certificaat en bekrachtigt dit vonnis voor het overige;

- stelt vast dat partijen – overeenkomstig de in deze zaken gegeven oordelen van het hof – met elkaar hebben afgerekend op grond van het uitgangspunt dat ARS T&TT 1.840 certificaten tegen een koopprijs van € 109,30 per certificaat aan [geïntimeerde] diende te leveren en dat ARS T&TT (wegen het einde van het dienstverband van [geïntimeerde]) alle certificaten van [geïntimeerde] diende terug te kopen tegen een koopprijs van € 373,-;

- veroordeelt [geïntimeerde] aan ARS c.s. te betalen de wettelijke rente over de hoofdsom van € 1.755.559,-- (zijnde het bedrag dat ARS c.s. uit hoofde van het vonnis van 21 augustus 2014 aan [geïntimeerde] hebben voldaan minus het bedrag dat zij op grond van de arresten van het hof in deze zaak moesten voldoen) vanaf 11 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, zijnde 27 december 2017 (te berekenen volgens de systematiek van prod. C bij de akte van [geïntimeerde] van 10 april 2018);

- veroordeelt ARS c.s. in zaak 200.112.947/02 in principaal appel in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak bepaald op € 291,- aan verschotten en € 1.611,- voor salaris van de advocaat, te vermeerderen met € 157,- aan nasalaris en te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan;

- compenseert de kosten in het incidenteel appel in zaak 200.112.947/02;

- compenseert de kosten in zaak 200.162.982/01;

- verklaart dit arrest wat betreft de betalings- en kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, A.J.M.E. Arpeau en H.A. de Savornin Lohman en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 september 2018 in aanwezigheid van de griffier.