Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2168

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-05-2018
Datum publicatie
28-08-2018
Zaaknummer
22-002299-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot straatroof. De verdachte en zijn mededader hebben allebei een portier van de auto van de 65-jarige aangeefster, die alleen in de auto zat, opengetrokken waarbij zij werd bedreigd met een nepvuurwapen (balletjespistool) dat nauwelijks van een echt vuurwapen te onderscheiden was. Ze moest haar tas afgeven, wat ze niet heeft gedaan en er is geprobeerd om deze weg te pakken (hetgeen niet gelukt is, omdat de tas was vastgemaakt in de auto).

De enkele omstandigheid dat [medeverdachte] verklaart dat zijn broer niets met de ten laste gelegde feiten te maken heeft, maakt zijn verklaring over het aandeel van hemzelf en dat van de verdachte niet onbetrouwbaar.

Het hof veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 134 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts stelt het hof bijzondere voorwaarden op o.a. meldplicht bij de reclassering en contactverbod met de medeverdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002299-17

Parketnummer: 10-810002-17

Datum uitspraak: 8 mei 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 mei 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1999,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 24 april 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 en 3 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 134 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Aan de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf zijn bijzondere voorwaarden gekoppeld - een en ander zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep - welke dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard. Voorts zijn in eerste aanleg beslissingen genomen op de vorderingen van benadeelde partijen, zoals nader in het vonnis waarvan beroep is aangegeven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 en 3 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover thans nog aan de orde - ten laste gelegd dat:

1:
hij in of omstreeks 30 december 2016 tot en met 31 december 2016 te Schiedam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op de openbare weg (Havendijk en/of Lekstraat) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een tas (met inhoud), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

- de bestuurdersportier en/of de bijrijdersportier van de auto waarin die [benadeelde partij] zat, open te trekken en/of

- over die [benadeelde partij] heen te reiken en te proberen de tas, welke op de bijrijdersstoel stond van de auto waarin zij zat, weg te pakken en/of

- te zeggen 'Geef geef' en/of woorden van gelijke strekking en/of

- aan die [benadeelde partij] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en/of in de nabijheid (ongeveer 5 centimeter) van het voorhoofd van die [benadeelde partij] te houden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4:
hij in of omstreeks de periode van 30 december 2016 tot en met 31 december 2016 te Schiedam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie I onder 7 van de Wet wapens en munitie gelet op artikel 3, onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, te weten een nabootsing van een pistool, welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, namelijk een pistool (van het merk [merk]), voorhanden heeft gehad.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 134 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, behandeling bij De Waag en een contactverbod met [medeverdachte].

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij in of omstreeks de periode van 30 december 2016 tot en met 31 december 2016 te Schiedam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op de openbare weg (Havendijk en/of Lekstraat) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een tas (met inhoud), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, en te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, en gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

- de het bestuurdersportier en/of de het bijrijdersportier van de auto waarin die [benadeelde partij] zat, open te trekken en/of

- over die [benadeelde partij] heen te reiken en te proberen de tas, welke op de bijrijdersstoel stond van de auto waarin zij zat, weg te pakken en/of

- te zeggen 'Geef geef' en/of woorden van gelijke strekking en/of

- aan die [benadeelde partij] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en/of in de nabijheid (ongeveer 5 centimeter) van het voorhoofd van die [benadeelde partij] te houden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


4:
hij in of omstreeks de periode van 30 december 2016 tot en met 31 december 2016 te Schiedam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie I onder 7 van de Wet wapens en munitie gelet op artikel 3, onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, te weten een nabootsing van een pistool, welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, namelijk een pistool (van het merk [merk]), voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Verklaring [medeverdachte]

Betrouwbaarheid

Namens de verdachte is door zijn raadsman overeenkomstig zijn overgelegde en in het strafdossier gevoegde pleitnota naar voren gebracht dat de bekennende en de verdachte belastende verklaring van medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) niet voor het bewijs dient te worden gebruikt, omdat deze verklaring niet betrouwbaar is. Immers, [medeverdachte] had er belang bij anders dan naar waarheid te verklaren, nu hij zijn broer [broer] in bescherming heeft willen nemen.

Anders dan de raadsman acht het hof de verklaring van [medeverdachte] wel betrouwbaar waardoor voor bewijsuitsluiting geen plaats is. Het verweer wordt dus verworpen en daartoe is het volgende overwogen. De enkele omstandigheid dat [medeverdachte] verklaart dat zijn broer niets met de ten laste gelegde feiten te maken heeft, maakt zijn verklaring over het aandeel van hemzelf en dat van de verdachte niet onbetrouwbaar. Het hof ziet ook geen aanknopingspunten voor de stelling dat de verklaring van [medeverdachte] in strijd met de waarheid is afgelegd om zijn broer vrij te pleiten. Immers, [medeverdachte] belast in het bijzonder zichzelf door te verklaren dat hij een groot deel van de geweldshandelingen bij de poging tot beroving van aangeefster heeft verricht. Verder komt [medeverdachte] zijn verklaring op diverse details (het door hem over de aangeefster heen buigen, het door hem dragen van een donkere zonnebril, welke zonnebril bij hem is aangetroffen) overeen met de aangifte. De verklaring van [medeverdachte] over het vluchtgedrag van hemzelf en de verdachte komt bovendien overeen met de verklaring van getuige [getuige] (instappen van hemzelf achter de bestuurder van de auto waarin ze zijn gevlucht, en instappen van de verdachte rechts achter in die auto) en met het aantreffen van de verdachte tijdens zijn aanhouding rechts achterin de auto.

Unus testis

De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat ook wanneer het hof de verklaring van [medeverdachte] wel voor het bewijs zou bezigen, deze verklaring het enige bewijsmiddel is waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde zou blijken. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken vanwege een gebrek aan wettig bewijs.

Dit verweer vindt zijn weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot straatroof. De verdachte en zijn mededader hebben allebei een portier van de auto van de 65-jarige aangeefster, die alleen in de auto zat, opengetrokken waarbij zij werd bedreigd met een nepvuurwapen (balletjespistool) dat nauwelijks van een echt vuurwapen te onderscheiden was. Ze moest haar tas afgeven, wat ze niet heeft gedaan en er is geprobeerd om deze weg te pakken (hetgeen niet gelukt is, omdat de tas was vastgemaakt in de auto). Het wapen is op een zeer korte afstand van het voorhoofd van het slachtoffer gehouden, wat voor het slachtoffer zeer beangstigend moet zijn geweest.

Het enige dat voor de verdachte telde was blijkbaar dat hij en zijn mededader uit waren op geld of andere waardevolle spullen uit de tas van het slachtoffer. De verdachte heeft er onvoldoende bij stilgestaan dat slachtoffers van dit soort geweldsmisdrijven vaak nog lang lijden onder de psychische gevolgen van wat hen is aangedaan. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de aangeefster blijkt dat zij tot op de dag van vandaag last heeft van wat de verdachte haar heeft aangedaan. Mensen die horen dat dit soort misdrijven in hun woonplaats of bij hen in de buurt worden gepleegd, kunnen daar ook erg angstig van worden.

Persoonlijke omstandigheden

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof onder meer acht geslagen op het gezinsplan van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond d.d. 20 april 2018, opgesteld en ondertekend door A. Breddels, jeugdbeschermer, en A.M.J. van der Wel, gebiedsmanager.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 april 2018, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten niet eerder voor enig strafbaar feit is veroordeeld.

Redelijke termijn

Het hof stelt ambtshalve vast dat de ontvangst van het dossier van de rechtbank door het gerechtshof niet binnen zes maanden na het instellen van het hoger beroep heeft plaatsgevonden, maar na zes maanden en drie weken. Dit leidt tot een schending van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Gelet echter op de geringe mate van overschrijding van de termijn, alsmede de aan de verdachte op te leggen straf, zal het hof aan dit verzuim geen gevolgen verbinden.

Conclusies hof

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke jeugddetentie van na vermelde duur een passende en geboden reactie vormt. Aan de voorwaardelijk aan de verdachte op te leggen straf zullen de na te melden bijzondere voorwaarden worden verbonden.

In eerste aanleg is als bijzondere voorwaarde onder meer aan de verdachte opgelegd dat hij zich onder behandeling zou stellen bij De Waag of een soortgelijke instelling. Het hof ziet de relevantie van deze bijzondere voorwaarde, maar nu deze in eerste aanleg dadelijk uitvoerbaar is verklaard en de behandeling bij De Waag op 17 april 2018 reeds positief is afgerond, is het hof met Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond van oordeel dat het opnemen van deze bijzondere voorwaarde thans geen toegevoegde waarde meer heeft.

Nu het hof van oordeel is dat, gelet op de omstandigheid dat het onder 1 bewezen verklaarde misdrijf is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom zo een misdrijf zal begaan, ziet het hof aanleiding om op de voet van artikel 77za van het Wetboek van Strafrecht de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden te bevelen.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.498,40.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet gemotiveerd betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat eveneens aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 1.498,40 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 63, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 en 3 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 134 (honderdvierendertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot
30 (dertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond te bepalen periode en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [medeverdachte], geboren op [geboortejaar] 1997 te Schiedam, zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.498,40 (duizend vierhonderdachtennegentig euro en veertig cent) bestaande uit € 498,40 (vierhonderdachtennegentig euro en veertig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.498,40 (duizend vierhonderdachtennegentig euro en veertig cent) bestaande uit € 498,40 (vierhonderdachtennegentig euro en veertig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 24 (vierentwintig) dagen jeugddetentie, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 31 december 2016.

Dit arrest is gewezen door mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen, mr. J.A.C. Bartels en mr. R.J. de Bruijn, in bijzijn van de griffier mr. M.T. Sluis.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 mei 2018.