Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2164

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
28-08-2018
Zaaknummer
22-002988-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte betrapt een drietal jongens die hij ervan verdenkt dat zij hebben ingebroken in zijn auto. Ten aanzien van het vervolgens door hem gebruikte geweld beroept hij zich op noodweer. Het hof verwerpt dat verweer. Naar het oordeel van het hof was weliswaar sprake van onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes goederen die in de auto lagen, maar kunnen de daarop volgende handelingen van de verdachte niet worden aangemerkt als verdedigingshandelingen. Zijn handelingen moeten – naar de kern bezien – als aanvallend worden aangemerkt. Op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte gaat het hof ervan uit dat de verdachte niet doende was zijn bezit te verdedigen of de jongens “aan te houden”, maar dat hij louter uit was op een confrontatie met de jongens, een confrontatie die door het hof niet anders kan worden geduid dan als een vorm van ontoelaatbare eigenrichting. Dat betekent niet alleen dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard, maar ook dat het beroep op noodweerexces niet kan slagen.

Het hof acht bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt mishandeling. Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 uur waarvan 60 uur voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002988-17

Parketnummer: 10-072410-17

Datum uitspraak: 11 juli 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 30 juni 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1994,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 27 juni 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 februari 2017 te Ridderkerk [aangever 1] en/of [aangever 2] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal:

- in het scrotum en/of op/tegen de linkerkuit, althans op/tegen het lichaam van die [aangever 1] te trappen/schoppen en/of

- op/tegen het hoofd van die [aangever 1] en/of van die [aangever 2] en/of op/tegen de schouder(s) van die [aangever 1] te slaan/stompen;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven reeds omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 26 februari 2017 te Ridderkerk [aangever 1] en/of [aangever 2] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal:

- in het scrotum en/of op/tegen de linkerkuit, althans op/tegen het lichaam van die [aangever 1] te trappen/schoppen en/of

- op/tegen het hoofd van die [aangever 1] en/of van die [aangever 2] en/of op/tegen de schouder(s) van die [aangever 1] te slaan/stompen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Mishandeling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting heeft de raadsman, overeenkomstig de overgelegde pleitnotities, namens de verdachte een beroep gedaan op noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, en bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft hiertoe –in de kern- aangevoerd dat de verdachte geweldshandelingen jegens twee jongens heeft toegepast teneinde een (dreigende) aanval van hen af te wenden en om hen bovendien in bedwang te houden. Weliswaar heeft de verdachte daarbij de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreden, maar deze overschrijding is het onmiddellijk gevolg geweest van een hevige gemoedbeweging die ontstond door de (dreigende) aanranding van hemzelf, zijn vriendin en zijn/hun goederen.

Het hof gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.

De verdachte had gezien dat er in zijn auto was ingebroken en dat er spullen uit zijn auto waren verdwenen en de ruit kapot was. De verdachte is toen in zijn appartementencomplex met de politie gaan bellen. Hij zag toen hij aan het bellen was, vanuit de hal van het appartementencomplex, dat er drie jongens bij zijn auto stonden, en dat zij – althans een van hen - met een voorwerp glas bij het reeds vernielde ruitje van het rechterachterportier aan het weghalen waren. De jongens keken in de auto. Eén van de jongens, [aangever 1], stak vervolgens zijn hoofd door dit raampje en pakte schoenen uit de auto. Nadat hij de schoenen weer had teruggelegd, pakte een andere jongen ([aangever 3]) de schoenen uit de auto. De verdachte, die al eerder had vastgesteld dat er goederen uit zijn auto waren ontvreemd, is vervolgens al scheldend op de jongens afgerend. Zij maakten zich uit de voeten, waarbij [aangever 3] de schoenen richting de verdachte gooide. De verdachte riep vervolgens “stop”, waarop [aangever 1] bleef staan. De verdachte heeft [aangever 1] vervolgens in zijn ballen en tegen zijn kuit getrapt en met gebalde vuisten op zijn hoofd en ter hoogte van zijn schouders geslagen. Daarna heeft de verdachte een van de andere jongens, [aangever 2], die eerder was weggefietst maar op enig moment zijn vriend [aangever 1] te hulp schoot, met zijn vuist meerdere malen op zijn gezicht/wang geslagen.

Het hof stelt vast dat de door de verdachte tegenover de politie en op de terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep afgelegde verklaringen met betrekking tot het moment waarop de verdachte op de jongens af rent en voor wat betreft het door hem gebruikte geweld niet consistent zijn. Zo heeft de verdachte direct na het incident tegen een ter plaatse gekomen agent gezegd dat hij beide jongens een paar keer heeft geslagen en geschopt, terwijl hij dat tijdens zijn politieverhoor en ter terechtzitting heeft ontkend. Daarnaast staat de (latere) ontkennende verklaring van de verdachte haaks op de verklaringen van de aangevers en getuigen, die elkaar voor wat betreft het handelen van de verdachte wél op essentiële onderdelen ondersteunen. Het hof gaat voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden derhalve uit van de eerste verklaring van de verdachte en de verklaringen van de aangevers en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2].

Naar het oordeel van het hof was, gelet op het vorenstaande, weliswaar sprake van onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes goederen die in de auto lagen, maar kunnen de daarop volgende handelingen van de verdachte, gelet op diens bedoeling en de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedrag, niet worden aangemerkt als verdedigingshandelingen. Zijn handelingen moeten – naar de kern bezien – als aanvallend worden aangemerkt. Immers, toen de verdachte richting zijn auto rende maakten de jongens zich direct uit de voeten. Toen de verdachte riep dat zij moesten blijven staan, gehoorzaamde een van de jongens, te weten [aangever 1]. Het hof acht niet aannemelijk dat er op dat moment enige dreiging van [aangever 1] (die destijds 12 jaar oud was en klein van stuk) uitging. Desondanks trapte de verdachte hem in zijn ballen en tegen de kuit. Toen [aangever 1] vervolgens op de grond was gevallen sloeg de verdachte hem meermalen met gebalde vuisten op zijn hoofd en tegen de schouders. Toen even later [aangever 2] (destijds 14 jaar oud) kwam terugfietsen en [aangever 1] te hulp schoot door tegen de verdachte te roepen “Wat doe je nou?”, terwijl niet aannemelijk is dat er toen enige dreiging van [aangever 2] uitging, reageerde de verdachte daarop door hem van zijn fiets te slaan en door vervolgens op die [aangever 2] te gaan zitten en hem meermalen met de vuist tegen het gezicht te slaan.

Op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte gaat het hof er dan ook van uit dat de verdachte niet doende was zijn bezit te verdedigen of de jongens “aan te houden”, maar dat hij louter uit was op een confrontatie met de jongens, een confrontatie die door het hof niet anders kan worden geduid dan als een vorm van ontoelaatbare eigenrichting. Dat betekent niet alleen dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard, maar ook dat het beroep op noodweerexces niet kan slagen.

Het verweer wordt verworpen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte, die vermoedde dat er in zijn auto was ingebroken door de – latere - slachtoffers, heeft deze slachtoffers op de bewezenverklaarde wijze mishandeld. De verdachte heeft zodoende een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers, die destijds pas 12 respectievelijk 14 jaar oud waren. Het voorgaande klemt te meer, nu de geweldshandelingen fors waren en op straat hebben plaatsgevonden en omstanders hiervan getuige zijn geweest.

Het hof neemt bij de strafoplegging in aanmerking dat – hoewel deze vorm van ontoelaatbare eigenrichting zonder meer strafwaardig is - de aanleiding van de mishandelingen is gelegen in de auto-inbraak.

Daarnaast weegt het hof mee dat de verdachte er ter terechtzitting in hoger beroep blijk van heeft gegeven zijn problemen op het gebied van agressiviteit te onderkennen. Hij heeft verklaard te zijn gestart met een agressie-regulatietraining.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 juni 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, zij het voor andersoortige feiten.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het hof zal die taakstraf gedeeltelijk voorwaardelijk opleggen teneinde de verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van soortelijke dan wel andere strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. I.P.A. van Engelen,

mr. J.A.C. Bartels en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. M.C. Bongaerts.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 juli 2018.

Mr. J.A.C. Bartels en de griffier zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.