Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2008

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
09-08-2018
Zaaknummer
22-002356-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich tijdens een uit de hand gelopen woordenwisseling met zijn huisgenoot op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan mishandelingen en een bedreiging.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002356-17

Parketnummer: 10-102218-16

Datum uitspraak: 25 juli 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 23 mei 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortejaar] 1986,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 10 januari 2018 en op 11 juli 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 1 maart 2016 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen -(met kracht) de keel van die [benadeelde partij 1] heeft dichtgeknepen/gedrukt en of vervolgens dichtgeknepen/gedrukt heeft gehouden en/of die [benadeelde partij 1] een nekklem heeft omgelegd /met een arm om haar nek in de houdgreep heeft genomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair:
hij op of omstreeks 1 maart 2016 te Rotterdam zijn levensgezel, [benadeelde partij], heeft mishandeld door (met kracht) de keel van die [benadeelde partij 1] dicht te knijpen/drukken en/of vervolgens dichtgeknepen/dichtgedrukt te houden en/of die [benadeelde partij 1] een nekklem om te leggen en/of met een arm om de nek van die [benadeelde partij 1] in een houdgreep te nemen;

2:
hij op of omstreeks 1 maart 2016 te Rotterdam [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde partij 2] dreigend de woorden toegevoegd :"je maakt mijn leven op het werk tot een hel, [x] wil mij niks meer leren. Ik maak je dood" en/of "ik kan je wel vermoorden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3:
hij op of omstreeks 1 maart 2016 te Rotterdam zijn levensgezel, [benadeelde partij 2], heeft mishandeld door (met kracht) die [benadeelde partij 2] bij een bovenarm vast te pakken en/of vastgepakt te houden.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde en van het bestanddeel levensgezel

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Tevens zal de verdachte van het onder 1 subsidiair en het onder 3 ten laste gelegde bestanddeel “levensgezel” worden vrijgesproken, aangezien het wettig bewijs op dat onderdeel van de tenlastelegging ontbreekt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. subsidiair:
hij op of omstreeks 1 maart 2016 te Rotterdam zijn levensgezel, [benadeelde partij], heeft mishandeld door (met kracht) de keel van die [benadeelde partij 1] dicht te knijpen/drukken en/of vervolgens dichtgeknepen/dichtgedrukt te houden en/of die Rolirat een nekklem om te leggen en/of met een arm om de nek van die [benadeelde partij 1] haar in een houdgreep te nemen;

2:
hij op of omstreeks 1 maart 2016 te Rotterdam [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde partij 2] dreigend de woorden toegevoegd :"je maakt mijn leven op het werk tot een hel, [x] wil mij niks meer leren. Ik maak je dood" en/of "ik kan je wel vermoorden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3:
hij op of omstreeks 1 maart 2016 te Rotterdam zijn levensgezel, [benadeelde partij 2], heeft mishandeld door (met kracht) die [benadeelde partij 2] bij een bovenarm vast te pakken en/of vastgepakt te houden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij - kort gezegd - aangevoerd dat iemand in de houdgreep nemen of bij de arm vastpakken geen mishandeling is. Bovendien zou het woord “houdgreep” de verdachte in de mond zijn gelegd door de politie.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte heeft bij het verhoor bij de politie d.d. 17 mei 2016 verklaard dat hij de aangeefster in de houdgreep hield met zijn arm om haar nek. Het hof acht het onaannemelijk dat deze woorden door de politie in zijn mond zouden zijn gelegd. De verdachte heeft deze verklaring immers afgelegd in het bijzijn van zijn advocaat en heeft de verklaring vervolgens ondertekend. Ook de aangeefster heeft bij het verhoor ten overstaan van de raadsheer-commissaris d.d. 26 maart 2018 verklaard dat de verdachte zijn arm om haar keel had. Bovendien vindt deze verklaring steun in de door de getuige [getuige] waargenomen blauwe plekken in de nek van de aangeefster. De aangeefster heeft, toen zij op 3 maart 2016 aangifte deed, verklaard dat zij door dit incident moeite had met ademen.

Daar komt nog bij dat het in de houdgreep nemen van de aangeefster, die heeft verklaard dat zij daardoor heel erg benauwd werd en geen lucht meer kreeg, zonder meer kan worden beschouwd als het teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van de aangeefster, zodat ook daarom het onder 1 ten laste gelegde handelen van de verdachte, gelet op de gevolgen daarvan, kan worden beschouwd als mishandeling in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof volgt de raadsman ook niet in zijn betoog voor zover hij heeft bepleit dat het met kracht bij de arm beetpakken zoals dat onder 3 is ten laste gelegd geen mishandeling oplevert. Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de aangeefster ten gevolge van dat beetpakken pijn en letsel heeft bekomen.

Het hof overweegt voorts dat uit de bewijsmiddelen eveneens volgt dat de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van pijn en/of letsel bij de aangeefster. Het op de bewezenverklaarde wijze in de houdgreep nemen en met kracht bij de arm vastpakken van de aangeefster levert naar het oordeel van het hof naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op het veroorzaken van pijn en/of letsel op. Voorts dienen de gedragingen van de verdachte in de gegeven omstandigheden naar hun uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van pijn en/of letsel, dat de verdachte door deze gedragingen de aanmerkelijke kans op de desbetreffende gevolgen heeft aanvaard. Van contra-indicaties daarvoor is het hof niet gebleken. Dat het onder 3 bewezen verklaarde handelen van de verdachte erop was gericht de aangeefster naar de voordeur te brengen, doet daar niet aan af.

Aldus dient het handelen van de verdachte – anders dan door de verdediging is betoogd – wel degelijk te worden gekwalificeerd als (strafbare) mishandeling in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair en 3 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich tijdens een uit de hand gelopen woordenwisseling met zijn huisgenoot op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan mishandelingen en een bedreiging. Door aldus te handelen heeft de verdachte bij het slachtoffer niet alleen gevoelens van angst veroorzaakt, maar ook nodeloos pijn en letsel veroorzaakt. De verdachte heeft daarmee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit, de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van de slachtoffer. Blijkens de zich in het dossier bevindende slachtofferverklaring heeft het slachtoffer hiervan nog geruime tijd de gevolgen ondervonden.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 juni 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 600,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag ad € 600,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 subsidiair en 3 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 600,00 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 subsidiair en 3 bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 subsidiair en 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 600,00 (zeshonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], ter zake van het onder 1 subsidiair en 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 600,00 (zeshonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 maart 2016.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. van de Poll,

mr. R.J. de Bruijn en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. M.S. Ferenczy.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 juli 2018.