Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2003

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
15-08-2018
Zaaknummer
BK-17/00746 en BK-17/00747
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:5368, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De heffingsambtenaar is voor de heffing van de rioolheffing van de gemeente aangewezen als de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar. De opbrengst van de rioolheffing overschrijdt niet de in artikel 228a, eerste lid, onderdelen a en b, van de Gemeentewet bedoelde kosten van de gemeentelijke watertaken.

De heffingsambtenaar van het Waterschap Hollandse Delta heeft voldoende inzicht verschaft in de ramingen van de aan het jaar 2016 toerekenbare kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater. Aangezien pas in de laatste fase van de behandeling van het hoger beroep op aandringen van het Hof de informatie is verstrekt waaruit dit kon worden afgeleid ziet het Hof reden de heffingsambtenaar in de zaak betreffende de aanslag in de zuiveringsheffing van het Waterschap voor het jaar 2016 te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-08-2018
V-N Vandaag 2018/1743
FutD 2018-2234
NTFR 2018/2434 met annotatie van mr. B.S. Kats
V-N 2018/59.20.14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-17/00746 en BK-17/00747

Uitspraak van 1 augustus 2018

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: M.M. Vrolijk)

en

de heffingsambtenaar van de gemeenschappelijke regeling Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling, de heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: J.K. Lanser)

op de hoger beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 12 juli 2017, kenmerk ROT 16/7672, inzake de onder 1.1. vermelde aanslagen van het Waterschap Hollandse Delta (BK 17/00746) en kenmerk ROT 17/426 inzake de onder 1.1. vermelde aanslagen van de gemeente [Z] (BK 17/00747).

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De heffingsambtenaar heeft belanghebbende voor het jaar 2016 de volgende aanslagen opgelegd (hierna tezamen aangeduid als: de aanslagen):

Gemeente/waterschap

Biljetnr.

Dagtekening

Belastingsoort

Bedrag

Waterschap Hollandse Delta

[A]

29 febr. 2016

Watersysteemheffing

(ingezetenen)

€ 96,89

Waterschap Hollandse Delta

[A]

29 febr. 2016

Wegenheffing

(ingezetenen)

€ 12,90

Waterschap Hollandse Delta

[A]

29 febr. 2016

Zuiveringsheffing

€ 158,55

Gemeente [Z]

[B]

29 febr. 2016

Rioolheffing

€ 46,40

Gemeente [Z]

[B]

29 febr. 2016

Afvalstoffenheffing

€ 206,00

1.2

Belanghebbende heeft tegen de aanslagen bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren in twee uitspraken, één betreffende de aanslagen vermeld op het aanslagbiljet met nummer [A] , en één betreffende de aanslagen vermeld op het aanslagbiljet met nummer [B] , ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. Voor elk van de beroepen is een griffierecht van € 46 geheven. De Rechtbank heeft de beroepen in twee uitspraken, ROT 16/7672 betreffende de watersysteemheffing, wegenheffing en zuiveringsheffing en ROT 17/426 betreffende rioolheffing en de afvalstoffenheffing ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Voor elk van de beroepen is een griffierecht van € 124 geheven. De Inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 13 februari 2018. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt en aan partijen in afschrift toegezonden.

2.3.

Bij brief van 20 februari 2018 heeft de griffier partijen medegedeeld dat het Hof heeft besloten het onderzoek te heropenen. Het Hof heeft partijen zijn voorlopige bevindingen betreffende de geraamde netto lasten zuiveringsheffing 2016 en de geraamde netto baten zuiveringsheffing 2016 (na kwijtschelding en oninbaarheid) voorgelegd en partijen gevraagd daarop schriftelijk te reageren.

2.4.

De heffingsambtenaar heeft het Hof naar aanleiding van de heropeningsbeslissing meegedeeld dat de voor 2016 geraamde netto lasten zuiveringsheffing € 63.174.000 bedragen. Hij heeft daarbij verwezen naar pagina 20 van de Programmabegroting 2016-2020 van het Waterschap Hollandse Delta (het Waterschap). Deze pagina, die hij aanvankelijk niet aan het Hof en de wederpartij had verstrekt, heeft hij na de heropening van het onderzoek op aandringen van het Hof alsnog overgelegd.

2.5.

Gemachtigde heeft het Hof naar aanleiding van de heropeningsbeslissing meegedeeld dat hij afziet van het geven van een reactie op de heropeningsbeslissing.

2.6.

De griffier van het Hof heeft partijen bij brief van 15 mei 2018 gevraagd of zij het Hof toestemming verlenen om zonder nadere zitting op de hoger beroepen te beslissen. Gemachtigde heeft daarop geantwoord dat hij op een nadere zitting van het Hof gehoord wil worden.

2.7.

Ter zitting van het Hof van 10 juli 2018 heeft een nadere mondelinge behandeling van de zaken plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de woning, plaatselijk bekend als [Y] te [Z] .

Oordeel van de Rechtbank

4. De Rechtbank heeft, in haar uitspraak van 12 juli 2017, ROT 17/426, ECLI:NL:RBROT:2017:5371, voor zover hier van belang, overwogen:

“2. [Belanghebbende] heeft de vraag opgeworpen of de bevoegdheid tot heffing van rioolrecht aan [de heffingsambtenaar] is overgedragen en of het aanwijzingsbesluit ter zake is gepubliceerd. [De Heffingsambtenaar] heeft die vraag bevestigend beantwoord en heeft verwezen naar de website van het SVHW. De rechtbank sluit zich daarbij aan.

3. [ Belanghebbende] stelt dat de opbrengstlimiet van de rioolheffing wordt overschreden en dat de aanslag om die reden moet worden vernietigd. [Belanghebbende] voert in beroep (voor het eerst) aan dat [de heffingsambtenaar] zowel een eigenaren- als een gebruikersheffing toepast, maar dat [de heffingsambtenaar] verder niet op een controleerbare wijze heeft vastgesteld welke uitgaven door welke heffing worden gedekt. Deze beroepsgrond faalt.

3.1.

Op grond van artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet, worden de tarieven in verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in artikel 229, eerste lid, onder a en b, worden geheven, zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake. Op grond van het tweede lid van dit artikel worden onder de in het eerste lid bedoelde lasten mede verstaan:

a. bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van de betrokken activa;

b. de omzetbelasting die ingevolge de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit het fonds.

Op grond van artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet, moeten (ook) tarieven voor rioolheffing zo worden vastgesteld dat de geraamde baten van de heffing niet uitgaan boven de geraamde lasten (vergelijk Gerechtshof Den Haag, 2 april 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013: BZ8486).

3.2.

Als in een beroepsprocedure wordt aangevoerd dat de geraamde baten de geraamde lasten ter zake hebben overschreden, is het primair aan [de heffingsambtenaar] inzicht te verschaffen in de ramingen. Dat kan op basis van de gemeentelijke begroting, maar ook op basis van andere gegevens. Het verstrekken van nadere inlichtingen door [de heffingsambtenaar] wordt uitsluitend verlangd voor zover [belanghebbende] voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar haar oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een last ter zake. Aan de nadere inlichtingen die [de heffingsambtenaar] in dat geval dient te verstrekken, mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat [de heffingsambtenaar] naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – duidelijk maakt op grond waarvan hij de door [belanghebbende] opgeworpen twijfel betwist, en waarom dus naar zijn oordeel de door [belanghebbende] opgeworpen twijfel ongegrond is. Hierbij geldt voorts dat pas dan plaats voor een correctie van de omvang van een raming, indien [de heffingsambtenaar] deze opbrengsten en lasten niet in redelijkheid op die bedragen heeft kunnen ramen (vergelijk Hoge Raad van 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777). Verder is het zo dat indien [belanghebbende] stelt dat de door [de Heffingsambtenaar] aangeleverde gegevens feitelijk onjuist zijn, op haar de bewijslast rust dit aannemelijk te maken.

3.3.

In bezwaar heeft [belanghebbende] aangevoerd – kort gezegd - dat de geraamde opbrengst uit de rioolheffing de geraamde lasten overstijgt. Uit welke gegevens zij dat afleidt heeft [belanghebbende] toen niet aangegeven. Tijdens de hoorzitting heeft zij ter discussie gesteld, zo begrijpt de rechtbank, of de posten 412102-622110 KP BVH, 412112-343028 en rente en afschrijving in de begroting voor het voorliggende heffingsjaar konden worden aangemerkt als “last ter zake”. [De heffingsambtenaar] heeft dat in de beslissing op bezwaar nader gemotiveerd. [Belanghebbende] is daar verder niet gemotiveerd op teruggekomen.

3.4.

In beroep heeft [belanghebbende] aangevoerd – kort gezegd – dat in de begroting 2016 lasten en baten niet afzonderlijk zijn geraamd voor het eigenaarsdeel en het gebruikersdeel van de rioolheffing. [De heffingsambtenaar] heeft in reactie daarop verwezen naar de (als bijlage 6) meegezonden raming voor het boekjaar 2016. Uit die raming komt naar voren dat de lasten de baten overschrijden. Voorts is in de raming van de baten de opbrengst onder meer onderscheiden in opbrengst gebruikersdeel en opbrengst eigenaarsdeel rioolrecht. [De heffingsambtenaar] heeft daarmee voldaan aan de verplichting primair inzicht te verschaffen in de ramingen. [Belanghebbende] heeft dat inzicht verder niet gemotiveerd weerlegd.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1.

In hoger beroep is tussen partijen het volgende in geschil

In de zaak BK 0017/747 (kenmerk Rechtbank: ROT 17/426),

5.1.1.

of de heffingsambtenaar in overeenstemming met hetgeen daarover bij of krachtens wet is bepaald voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing van de rioolheffing van de gemeente [Z] is aangewezen als de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar;

5.1.2.

of de gemeente [Z] voor het jaar 2016 op controleerbare wijze heeft vastgelegd in welke mate zij de in artikel 228a, eerste lid, onderdelen a en b, vermelde kosten voor de heffing van de rioolheffing van de gemeente [Z] door elk van de twee in artikel 3, eerste lid, van de Verordening rioolheffing vermelde heffingen beoogde te dekken;

5.1.3.

of de heffingsambtenaar wat betreft de uitgaven waarvan belanghebbende in twijfel heeft getrokken dat deze behoren tot de in artikel 228a, eerste lid, onderdelen a en b, van de Gemeentewet vermelde kosten, de bij belanghebbende levende twijfel naar vermogen heeft weggenomen;

5.1.4.

indien één of meer van de vragen onder 7.1.1 tot en met 7.1.3 ontkennend wordt beantwoord: of daaraan de gevolgtrekking moet worden verbonden dat de aanslag in de rioolheffing dient te worden vernietigd.

In de zaak BK 0017/746 (kenmerk Rechtbank:ROT 17/7672)

5.2.

of de heffingsambtenaar voldoende inzicht heeft verschaft in de ramingen van de aan het jaar 2016 toerekenbare kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater. Ter zitting van het Hof heeft zij deze hogerberoepsgrond ingetrokken.

Tevens verzoekt belanghebbende in beide zaken de heffingsambtenaar te gelasten de door belanghebbende in beroep en in hoger beroep betaalde griffierechten te vergoeden en om de heffingsambtenaar te veroordelen in de door belanghebbende in verband met de behandeling van de bezwaren, de beroepen en de hoger beroepen gemaakte kosten.

5.3.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1.

Het hoger beroep van belanghebbende in de zaak BK 17/00746 strekt, na de intrekking van haar (enige) hogerberoepsgrond tegen de uitspraak van de Rechtbank, kenmerk ROT 17/7672, tot een veroordeling in de proceskosten en vergoeding van griffierecht.

6.2.

De heffingsambtenaar concludeert in de zaak BK 17/00746, na de intrekking door belanghebbende van haar (enige) hogerberoepsgrond tegen de uitspraak van de Rechtbank, kenmerk ROT 17/7672, tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank en tot afwijzing van het verzoek van belanghebbende om vergoeding van griffierechten en proceskosten.

6.3.

Het hoger beroep van belanghebbende in de zaak BK 17/00747 strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, kenmerk ROT 17/426, de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag in de rioolheffing en de aanslag in de rioolheffing, alsmede tot toewijzing van haar verzoek om vergoeding van griffierechten en proceskosten.

6.4.

De heffingsambtenaar concludeert in de zaak BK 17/00747 tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank, kenmerk ROT 17/426, en tot afwijzing van het verzoek van belanghebbende om vergoeding van griffierechten en proceskosten.

Beoordeling van het hoger beroep

Met betrekking tot het geschilpunt 5.1.1 Bevoegdheid

7.1.

Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de Rechtbank niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting de bevoegdheid van SVHW te controleren en dat de Rechtbank de stelling omtrent de gebrekkige aanwijzing van de heffingsambtenaar geheel onbesproken heeft gelaten. Het Hof begrijpt deze stelling aldus dat naar de opvatting van belanghebbende de heffingsambtenaar niet in overeenstemming met hetgeen daarover bij of krachtens wet is bepaald als zodanig is aangewezen. Dienaangaande overweegt het Hof het volgende.

7.2.

In artikel 232, vierde lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet is bepaald dat, indien voor de heffing of de invordering van gemeentelijke belastingen een gemeenschappelijke regeling is getroffen en bij die regeling een openbaar lichaam of een bedrijfsvoeringsorganisatie is ingesteld, bij of krachtens die regeling kan worden bepaald dat een daartoe aangewezen ambtenaar van dat openbare lichaam of die bedrijfsvoeringsorganisatie voor de uitvoering van de heffing van enige wettelijke bepaling inzake de heffing van – in dit geval – de rioolheffing wordt aangewezen als de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar.

7.3.

De gemeenteraden van 20 gemeenten - waaronder [Z] - en de algemene besturen van een regionale afvalstoffendienst en het Waterschap hebben de colleges van burgemeester en wethouders van die gemeenten en de dagelijkse besturen van die dienst en het Waterschap (hierna tezamen: de Colleges) toestemming verleend de Gemeenschappelijke Regeling SVHW 2015 (hierna: de GR) aan te gaan. De Colleges hebben besloten de GR vast te stellen. In artikel 2 van de GR is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam genaamd “gemeenschappelijke regeling samenwerkingsverband vastgoedinformatie, heffing en waardebepaling” (SVHW) ingesteld. In artikel 3 van de GR is bepaald dat de GR is getroffen in het belang van een zo doelmatig mogelijke uitvoering van werkzaamheden met betrekking tot, onder meer, de heffing en invordering van belastingen, heffingen en rechten. In artikel 4 van de GR is bepaald dat de Colleges de bevoegdheden overdragen welke benodigd zijn voor de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de heffing en invordering van belastingen, heffingen en rechten als aangegeven in de bijlage bij de GR. In de bijlage bij de GR worden wat betreft de gemeente [Z] onder meer vermeld de rioolheffing gebruiker en de rioolheffing eigenaar. Naar volgt uit artikel 5 van de GR heeft het SVHW een dagelijks bestuur. In artikel 12, aanhef en onderdeel g, van de GR is het Dagelijks Bestuur de bevoegdheid toegekend om een of meer ambtenaren van het SVHW aan te wijzen als Inspecteur. Onder “Inspecteur” wordt verstaan de door het Dagelijks Bestuur aangewezen ambtenaar van het SVHW, als bedoeld in – voor zover hier van belang – artikel 232, lid 4, van de Gemeentewet. De GR is bekendgemaakt door kennisgeving van de inhoud daarvan in de Staatscourant van 31 december 2015, nr. 49260 en is in werking getreden op 1 januari 2016. Bij besluit van 13 januari 2016 heeft Dagelijks Bestuur van SVHW de directeur van SVHW aangewezen als ambtenaar als bedoeld in 232, lid 4, onderdeel a, van de Gemeentewet. Dit besluit is gepubliceerd in het Blad gemeenschappelijke regeling 2016, nr. 219, voor eenieder te vinden op www.overheid.nl.

7.4.

Gelet op het overwogene onder 7.2 en 7.3. faalt deze hoger beroepsgrond.

Met betrekking het geschilpunt 5.1.2 en 5.1.3. Opbrengstlimiet

7.5.

Het Hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of opbrengst van de rioolheffing de in artikel 228a, eerste lid, onderdelen a en b, van de Gemeentewet bedoelde kosten (hierna: de kosten van de gemeentelijke watertaken) overschrijdt, dezelfde uitgangspunten dienen te worden gehanteerd als die welke gelden voor de toetsing van de

opbrengsten van retributies aan de in artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet voor die heffingen voorgeschreven opbrengstlimiet (vergelijk HR 23 mei 2014, nr. 13/02955, ECLI:NL:HR:2014:1192).

Met betrekking het geschilpunt 5.1.2

7.6.

Een gemeente dient op controleerbare wijze vast te leggen welke uitgaven zij in welke mate door elk van de heffingen in een verordening beoogt te dekken (HR 31 maart 1999, nr. 33427, ECLI:NL:HR:1999:AA2720). Deze vastlegging speelt geen rol bij de beantwoording van de vraag of de opbrengsten van de heffingen uitgaan boven de “lasten ter zake”, waaronder bij de rioolheffingen de kosten van de gemeentelijke watertaken zijn te verstaan. De vastlegging dient uitsluitend om toetsing van (de opbrengst van) een bepaalde heffing aan enig algemeen rechtsbeginsel mogelijk te maken (vergelijk HR 4 februari 2005, nr. 38860, ECLI:NL:HR:2005:AP1951). Aangezien belanghebbende heeft volstaan met de enkele stelling dat de gemeente [Z] heeft nagelaten op controleerbare wijze vast te leggen welke uitgaven zij in welke mate door elk van de heffingen in de Verordening rioolheffing beoogt te dekken en geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die, indien aannemelijk bevonden, zouden kunnen leiden tot het oordeel dat de gemeente, aldus handelende, enig algemeen rechtsbeginsel heeft geschonden, heeft belanghebbende geen belang bij de onderhavige hoger beroepsgrond (vergelijk HR 4 februari 2005, nr. 38860, ECLI:NL:HR:2005:AP1951).

Met betrekking tot het geschilpunt 5.1.3 .

7.7.

Belanghebbende heeft met betrekking tot een drietal kostenposten in twijfel getrokken dat zij door de gemeente terecht tot de kosten van de gemeentelijke watertaken zijn gerekend. Haar twijfel betreft:

- de post Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) – Nog functioneel te verwerken posten, ten bedrage van € 250.000;

- de post Rioolstelsel onderhoud – Uitvoeringsplan ten bedrage van € 423.193;

- de post Baggeren algemeen – Overige kosten ten bedrage van € 545.000.

7.8.

Het ligt op de weg van de heffingsambtenaar om nadere inlichtingen over deze posten te verstrekken teneinde - naar vermogen - de twijfels van belanghebbende weg te nemen (HR 24 april 2009, nr. 07/12961, ECLI:NL:HR:2009:BI1968 en HR 4 april 2014, nr. 12/02475, ECLI:NL:HR:2014:777). Hiertoe heeft de heffingsambtenaar het volgende aangevoerd:

“- GRP - nog functioneel te verwerken posten € 250.000

Dit betreffen [bedoeld zal zijn: betreft] lasten, die voortvloeien uit het GRP, die nog functioneel moeten worden geboekt.

- Rioolstelsel onderhoud - uitvoering onderhoudsplan € 423.193

Ter zake van de post "Rioolstelsel onderhoud - uitvoering onderhoudsplan € 423.193" heb ik in de uitspraak op bezwaar reeds aangegeven dat dit de geraamde onderhouds- en vervangingskosten zijn op grond van het door de raad vastgestelde GRP. Deze kunnen worden gesplitst in

- Uitvoering prioritaire maatregelen € 316.193

- Reinigings- en inspectiekosten € 107.000

- Baggeren algemeen - Overige kosten € 545.000

Het baggerprogramma van de gemeente loopt van 2014-2018. In dit programma, dat een meerjarenbegroting kent, is voor 2016 een bedrag geraamd van € 545.000, betreffende

Baggeren voorbereiding

20.000

Baggeren uitvoering

300.000

Voorbereiding en uitvoering ruimen depot

175.000

Onderzoek Vestinggracht

50.000

(…).”

7.9.

Met de nadere inlichtingen die de heffingsambtenaar met betrekking tot de drie door belanghebbende in twijfel getrokken kostenposten heeft verstrekt, heeft hij naar het oordeel van het Hof gedaan wat van hem verlangd kan worden om de twijfels van belanghebbende met betrekking tot die kostenposten weg te nemen. Bij dit oordeel neemt het Hof in aanmerking dat het naar vermogen wegnemen van twijfel over bepaalde kostenposten niet zo ver gaat dat de heffingsambtenaar aannemelijk moet maken dat de desbetreffende kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en bovendien meer dan zijdelings verband houden met de in artikel 228a van de Gemeentewet genoemde gemeentelijke watertaken. Voorts acht het Hof in dit verband van belang dat belanghebbende niet heeft gesteld dat de door de heffingsambtenaar verstrekte nadere inlichtingen onjuist zijn. De enkele stelling van belanghebbende dat de verstrekte inlichtingen onvoldoende inzicht in de ramingen van de kostenposten en opbrengstramingen geven, is geen weerspreking van de feitelijke juistheid van de door de heffingsambtenaar verstrekte inlichtingen.

7.10.

Aangezien belanghebbende de door de heffingsambtenaar verstrekte nadere inlichtingen niet heeft weersproken, heeft het Hof, uitgaande van die feiten, slechts de vraag te beantwoorden of de genoemde kostenposten meer dan zijdelings verband houden met de gemeentelijke watertaken. Deze vraag beantwoordt het Hof, gelet op hetgeen partijen daarover over en weer hebben aangevoerd, bevestigend. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat uit hetgeen is overgelegd volgt dat de drie kostenposten op de gemeentelijke begroting zijn gebaseerd alsmede dat voor een correctie van de omvang van deze kostenposten pas aanleiding is indien de gemeente de kostenposten niet in redelijkheid op de onder 7.8. genoemde bedragen heeft kunnen ramen (vergelijk HR 4 april 2014, nr. 12/02475, ECLI:NL:HR:2014:777). Met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat dit laatste het geval is.

Met betrekking tot het geschilpunt 5.1.4

7.11.

Aangezien het Hof de vragen onder 5.1.1. tot en met 5.1.3. bevestigend beantwoordt, behoeft de vraag onder 5.1.4. geen beantwoording

Met betrekking tot het verzoek van belanghebbende om vergoeding van griffierechten en proceskosten in de zaak BK 17/00746

7.12.

In de zaak BK 17/00746 betreffende het hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank met het kenmerk ROT 17/7672 heeft de heffingsambtenaar pas in de laatste fase van de behandeling van het hoger beroep op aandringen van het Hof de informatie verstrekt – te weten pagina 20 van de Programmabegroting 2016-2020 van het Waterschap – waaruit kon worden afgeleid dat de opbrengst van de zuiveringsheffing de kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater niet overschrijdt. Uit de eerder door de heffingsambtenaar aan het Hof verstrekte informatie viel dit niet op te maken zoals onder meer blijkt uit de heropeningsbeslissing waarin het Hof op grond van de tot dat moment door de heffingsambtenaar verstrekte informatie tot een onjuiste (voorlopige) gevolgtrekking over de verhouding tussen de opbrengsten en de kosten komt, welke onjuiste (voorlopige) gevolgtrekking de heffingsambtenaar pas door de overlegging van de meergenoemde pagina 20 van de Programmabegroting heeft weerlegd, alsmede uit het feit dat belanghebbende pas na kennisneming van deze pagina haar standpunt dat opbrengsten van de zuiveringsheffing de daarmee te bestrijden kosten overtreffen, heeft laten vallen. Naar het oordeel van het Hof had de heffingsambtenaar het beroep en het hoger beroep kunnen voorkomen door belanghebbende uiterlijk bij het doen van uitspraak op het bezwaar van belanghebbende, waarin deze de vermeende overschrijding van de kosten van de gemeentelijke watertaken door de opbrengst van de zuiveringsheffing al aan de orde stelde, de informatie te verstrekken die hij uiteindelijk pas in de laatste fase van het hoger beroep aan het Hof en daarmee aan belanghebbende heeft verstrekt. Hierin ziet het Hof reden de heffingsambtenaar in de zaak betreffende de aanslag in de zuiveringsheffing van het Waterschap voor het jaar 2016 te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende. Voor een vergoeding van de door belanghebbende in bezwaar tegen de aanslag in de zuiveringsheffing gemaakte kosten ziet het Hof geen aanleiding omdat de heffingsambtenaar, voordat belanghebbende bezwaar maakte, anders dan ná de bezwaarfase het geval was, de inhoud van belanghebbendes grief tegen de aanslag in de zuiveringsheffing niet kende.

Slotsom

7.13.1.

Het hoger beroep in de zaak BK-17/00746 is ongegrond, behoudens voor zover belanghebbende daarin heeft verzocht om veroordeling van de heffingsambtenaar in de door belanghebbende in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten.

7.13.2.

Het hoger beroep in de zaak BK-17/00747 is ongegrond.

Proceskosten en griffierechten

8.1.1.

Gelet op hetgeen onder 7.12 is overwogen zal het Hof de heffingsambtenaar in zaak nr. BK 17/00746 veroordelen in de proceskosten van belanghebbende. De kosten van rechtsbijstand stelt het Hof met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.254,50 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van de Rechtbank, 1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van het Hof, ½ punt voor het verschijnen op de nadere zitting van het Hof, een bedrag per punt van € 501 en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1). Voor een hogere vergoeding van kosten van rechtsbijstand ziet het Hof geen aanleiding. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

8.2.

Voor een proceskostenveroordeling in de zaak BK-17/00747 ziet het Hof geen aanleiding.

8.3.

Op grond van hetgeen onder 7.12 is overwogen zal het Hof voorts, met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb, bepalen dat de heffingsambtenaar belanghebbende het door deze in beroep en hoger beroep in de zaak BK 17/00746 betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

Het Gerechtshof

  • -

    bevestigt de uitspraken van de Rechtbank;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in zaak nr. BK 17/00746 in de door belanghebbende gemaakte proceskosten ten bedrage van € 2.254,50;

  • -

    bepaalt dat de heffingsambtenaar belanghebbende het in de zaak BK-17/00746 in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170 vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door G.J. van Leijenhorst, E.M. Vrouwenvelder en B.G. van Zadelhoff, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema-van der Koogh. De beslissing is op 1 augustus 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.