Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1879

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
06-08-2018
Zaaknummer
200.239.085/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing. Plaatsing in gezinshuis. Geen perspectief op terugplaatsing bij de moeder. Verzoek onderzoek ex art. 810 Rv afgewezen nu dit niet tot beslissing van de zaak kan leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.239.085/01

rekestnummer rechtbank : JE RK 18-605

zaaknummer rechtbank : C/09/550220

beschikking van de meervoudige kamer van 18 juli 2018

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. R.F.P. Scheele te Rotterdam,

tegen

William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie: Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 24 april 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.2

De moeder is op 14 mei 2018 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.3

De gecertificeerde instelling heeft op 14 juni 2018 een verweerschrift ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 23 mei 2018 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

- op 22 juni 2018 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 4 juli 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. C.C. Sneper, kantoorgenoot van mr. R.F.P. Scheele;

- de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Uit de moeder is geboren: [de minderjarige] , [in] 2009, te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige). De moeder is belast met het ouderlijk gezag.

3.2

De minderjarige verblijft feitelijk in de accommodatie van jeugdhulpverlener [accommodatie jeugdhulpverlener] te [plaats] .

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd tot 25 april 2019 met behoud van William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering als gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Voorts is de machtiging om de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen verlengd tot 25 april 2019, betreffende plaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en aansluitend plaatsing in een gezinsgerichte voorziening.

4.2

De moeder is het niet eens met deze beslissing.

4.3

De moeder verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en eventueel de onderhavige zaak verder aan te houden waarbij in de tussentijd toepassing wordt gegeven aan het verzoek van de moeder op grond artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), strekkende tot het doen van (aanvullend) onderzoek door een derde deskundige met de hoofdvraag of de minderjarige thuis bij de moeder kan worden geplaatst en of dit in haar belang is.

4.4

De gecertificeerde instelling verweert zich daartegen en verzoekt het hof het door de moeder ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

Hoor en wederhoor

5.1

De moeder stelt het volgende. Tijdens de zitting in eerste aanleg heeft de gecertificeerde instelling haar verzoek vermeerderd in die zin dat is verzocht om de verlening van een machtiging om de minderjarige na de plaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder in een gezinshuis te plaatsen. Ter zitting in eerste aanleg heeft de moeder expliciet aangegeven dat geen sprake is van een wijziging van het oorspronkelijke verzoek van de gecertificeerde instelling, zoals in de bestreden beschikking wordt vermeld, maar van een vermeerdering dan wel aanvulling van dit verzoek. Conform artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden dient aan de moeder voldoende tijd gegeven te worden om zich hiertegen te verweren, hetgeen niet is gebeurd. Daarnaast heeft de gecertificeerde instelling geen deugdelijke onderbouwing voor haar verzoek gegeven. Bovendien zou de verplaatsing naar een gezinshuis de zoveelste verplaatsing van de minderjarige betekenen, en afgezien van beginselen van een goede procesorde behoort de rechter ingevolge artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind zorgvuldig over de belangen van de minderjarige te oordelen.

5.2

De gecertificeerde instelling voert aan dat de jeugdzorgwerker meerdere keren heeft geprobeerd om de overplaatsing van de minderjarige met de moeder te bespreken. De moeder heeft volgens de gecertificeerde instelling letterlijk tegen de jeugdzorgwerker gezegd dat zij niets wil horen over het gezinshuis en niet openstaat voor informatie hierover. Inmiddels is er op 11 juni 2018 een zitting geweest waarin de moeder zich heeft kunnen verweren tegen de machtiging toegestane wijziging in de verblijfplaats ex artikel 1:265d lid 2 sub c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De kinderrechter heeft alle verzoeken afgewezen en benadrukt dat de minderjarige zo snel mogelijk geplaatst moet worden in het gezinshuis.

5.3

Het hof overweegt als volgt. Indien en voor zover de moeder heeft bedoeld te stellen dat sprake is van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor, nu zij stelt dat zij zich niet tegen de vermeerdering van het verzoek in eerste aanleg heeft kunnen verweren, is dit gebrek in hoger beroep hersteld. De moeder is in hoger beroep immers ten volle in de gelegenheid geweest om haar standpunt omtrent het inleidende verzoek van de gecertificeerde instelling naar voren te brengen. De feitelijke gang van zaken in eerste aanleg kan er derhalve niet toe leiden dat de bestreden beschikking op die grond wordt vernietigd. Daarnaast merkt het hof nog op dat de moeder ook reeds tijdens de zitting op 11 juni 2018 bij de rechtbank heeft kunnen reageren op het standpunt van de gecertificeerde instelling betreffende de plaatsing van de minderjarige in een gezinshuis.

Machtiging uithuisplaatsing

5.4

De moeder stelt het volgende. Nergens in de resultaten van het persoonlijkheidsonderzoek ten aanzien van de minderjarige wordt geadviseerd dat de minderjarige in een gezinshuis dient te worden geplaatst. De rechtbank heeft daarom volgens de moeder onterecht overwogen dat de minderjarige op termijn naar een gezinshuis zou moeten. Op basis van het persoonlijkheidsonderzoek van de minderjarige kan ook niet beoordeeld worden of de minderjarige de benodigde therapieën bij de moeder kan volgen bij een thuisplaatsing. De verplaatsing van de minderjarige naar een gezinshuis lijkt een praktische noodgreep vanuit de gecertificeerde instelling. De moeder wijst op een door de gecertificeerde instelling overgelegd adviesverslag van [jeugdhulpverlener] , gedateerd 29 mei 2018. In dit verslag adviseert de betreffende gedragswetenschapper om de minderjarige in een gezinshuis te plaatsen. De moeder vraagt zich af op basis van welk onderzoek de gedragswetenschapper dit kon beoordelen en adviseren. De gedragswetenschapper heeft de vaardigheden van de moeder op geen enkele wijze onderzocht. De moeder meent voorts dat de gecertificeerde instelling op geen enkele manier heeft kunnen beargumenteren waarom de moeder de door [jeugdhulpverlener] voorgestelde therapieën niet ambulant aan haar dochter zou kunnen geven. De moeder is zich ervan bewust dat de minderjarige duidelijkheid, structuur en grenzen nodig heeft. Dit is ook iets wat de moeder biedt tijdens de omgangsmomenten, de weekenden en de vakanties. De moeder is van mening dat de persoonlijke problematiek van de minderjarige ook opgepakt kan worden met reguliere behandelingen.

5.5

De gecertificeerde instelling voert het volgende aan. De gecertificeerde instelling heeft meerdere hulpverleningstrajecten ingezet en er zijn meerdere uithuisplaatsingen geweest nadat de moeder weer een kans had gekregen om de minderjarige thuis op te voeden. De moeder kan de minderjarige echter niet bieden wat zij nodig heeft. De moeder is niet leerbaar gebleken. De hulpverlening komt steeds tot dezelfde conclusie wat betreft de zorgen ten aanzien van de moeder en de minderjarige, namelijk dat de moeder geen stappen heeft gezet en geen hulpvraag heeft. Gebleken is volgens de gecertificeerde instelling dat de moeder onvoldoende aandacht en begrip heeft voor de emotionele behoeften van de minderjarige. De moeder handelt volgens de gecertificeerde instelling onvoldoende in het belang van de minderjarige. Hulpverlening heeft hier geen verandering in kunnen bewerkstelligen. De minderjarige is beschadigd omdat zij zo vaak uit huis is geplaatst en steeds weer is geprobeerd om haar thuis te plaatsen. De gecertificeerde instelling meent dat het thans voor de minderjarige belangrijk is dat haar perspectief duidelijk is en er rust in haar leven komt. De minderjarige heeft een bovengemiddelde opvoeding nodig, gezien de beschadiging die zij heeft opgelopen. In het persoonlijkheidsonderzoek komt tevens naar voren dat de minderjarige een specifieke aanpak nodig heeft. De gecertificeerde instelling wijst op het advies van [jeugdhulpverlener] dat een gespecialiseerd gezinshuis het beste past bij de minderjarige die veel aandacht vraagt en veel begeleiding nodig heeft. Deze begeleiding kan alleen geboden worden in een gezinshuis, waar professionele begeleiding aanwezig is en waar de professionals ervaring hebben met de betreffende gedragsproblematiek. Het gezinshuis wordt tevens ondersteund door een organisatie die meerdere disciplines in huis heeft zoals een orthopedagoog. De minderjarige heeft recht op een stabiele plek waar zij kan wonen en waar de begeleiders weten hoe ze met het gedrag van de minderjarige moeten omgaan, aldus de gecertificeerde instelling.

5.6

De raad verklaart ter zitting het evenals de gecertificeerde instelling van belang te vinden dat de minderjarige verder opgroeit in een gezinshuis. Hiertoe wijst de raad erop dat uit de stukken blijkt dat bij de minderjarige onder meer sprake is van een ontremd-sociaalcontactstoornis en van hechtingsproblematiek. De minderjarige heeft al veel meegemaakt, onder meer door de verschillende wisselingen in haar verblijfsituatie. De raad meent dat het vertrouwen in volwassenen bij de minderjarige dient te worden hersteld. De minderjarige is derhalve het beste gebaat bij een plaatsing in een gezinshuis, nu zij in die situatie de mogelijkheid krijgt zich te hechten aan volwassenen.

5.7

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter de duur telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.8

Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals deze heeft gedaan. Het hof neemt de gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep is niet gebleken van feiten of omstandigheden die kunnen leiden tot een andersluidend oordeel. Het hof neemt daarbij het volgende nog in aanmerking. Het hof deelt met de gecertificeerde instelling de zorgen over de minderjarige. De minderjarige laat gedragsproblemen zien die verklaard kunnen worden vanuit een ontremd-sociaal-contactstoornis. Gebleken is dat een eerdere terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder thuis, alsook de inzet van meerdere hulpverleningstrajecten, niet het gewenste resultaat hebben gehad. De minderjarige vraagt gezien haar kindeigen problematiek om bovengemiddelde opvoedvaardigheden van haar verzorger. De moeder kan niet voldoen aan deze opvoedbehoefte van de minderjarige. De moeder is niet leerbaar gebleken. Het hof acht het, evenals de gecertificeerde instelling, van belang dat thans een stabiele situatie wordt gecreëerd met voldoende ondersteuning voor de minderjarige en specifieke aandacht voor de problematiek van de minderjarige. Een gespecialiseerd gezinshuis, zoals vanuit [jeugdhulpverlener] geadviseerd, kan deze opvoedsituatie aan de minderjarige bieden. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de uithuisplaatsing van de minderjarige waarbij de minderjarige op korte termijn in een gezinsgerichte voorziening zal worden geplaatst, noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding.

Onderzoek ex artikel 810a lid 2 Rv

5.9

De moeder stelt voorts dat het belang van de minderjarige niet gediend is bij een verdere uithuisplaatsing zonder dat nader onderzoek plaatsvindt. Er dient volgens de moeder zowel een onderzoek naar de minderjarige plaats te vinden door middel van een persoonlijkheidsonderzoek, uitgevoerd door een GZ-psycholoog, alsook dient de moeder te worden onderzocht door middel van therapie. Daarnaast dient een eventuele thuisplaatsing te worden onderzocht. Volgens de moeder is er duidelijk behoefte aan een objectiverend onderzoek naar de mogelijkheden van een terugplaatsing, nu er onder meer geen enkel onderzoek is gedaan in het recente verleden en de minderjarige geen daadwerkelijke behandeling meer nodig heeft maar het inzetten van therapieën voldoende lijkt. Artikel 810a Rv beoogt een eigen recht aan de moeder te geven om een deskundig oordeel te verlangen, zeker gezien het feit dat de moeder niet is onderzocht en er evenmin een ouderschapsbeoordeling is gedaan.

5.10

De gecertificeerde instelling voert aan dat het voor de minderjarige belangrijk is dat haar perspectief duidelijk is en dat zij in een stabiele opvoedsituatie kan wonen. De gecertificeerde instelling wijst op het persoonlijkheidsonderzoek dat reeds heeft plaatsgevonden. Door de betreffende gedragswetenschapper wordt een behandeling gericht op hechting geadviseerd. De gecertificeerde instelling voert verder aan dat diverse onafhankelijke deskundige hulpverleners de moeder hebben geobserveerd met betrekking tot haar contact met de minderjarige en haar opvoedkwaliteiten. Deze deskundigen hebben allen aangegeven ernstige zorgen te hebben over de leerbaarheid van de moeder. De moeder nam adviezen niet over en was van mening dat de problematiek voornamelijk bij de minderjarige lag. De gecertificeerde instelling wijst er ook op dat de moeder de rechtbank reeds eerder heeft verzocht om een onderzoek uit te laten voeren naar haar opvoedkwaliteiten, echter dat dit is afgewezen omdat de moeder de afgelopen jaren heeft laten zien dat zij niet leerbaar is. De gecertificeerde instelling meent dat de moeder niet kan bieden wat de minderjarige nodig heeft en dat een nader onderzoek daar geen verandering in zal brengen. Daarnaast verzet het belang van de minderjarige zich volgens de gecertificeerde instelling tegen een nieuw onderzoek, aangezien zij een kwetsbaar meisje is dat schade heeft opgelopen bij eerdere pogingen tot een terugplaatsing.

5.11

Het hof overweegt als volgt. Art. 810a lid 2 Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Het verzoek dient voldoende concreet en ter zake dienend te zijn en feiten en omstandigheden te bevatten die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige.

5.12

Het hof is van oordeel dat een onderzoek op de voet van artikel 810a Rv, gelet op het hiervoor onder 5.8 overwogene, in de onderhavige zaak niet mede tot de beslissing in deze zaak zal kunnen leiden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat ook het belang van de minderjarige zich tegen een dergelijk onderzoek verzet. Thans is gebleken dat een gespecialiseerd gezinshuis het beste aansluit bij de opvoedbehoeftes van de minderjarige. Duidelijk geworden is dat een terugplaatsing bij de moeder niet meer tot de mogelijkheden behoort. De minderjarige is gebaat bij duidelijkheid en dient niet te worden belast met een nader onderzoek naar een mogelijke terugplaatsing, die toch niet meer zal gaan plaatsvinden.

5.13

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het meer of anders verzochte af;

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, E.A. Mink en O.I.M. Ydema, bijgestaan door mr. N.M. Gerts als griffier, en is op 18 juli 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.