Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1874

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
09-08-2018
Zaaknummer
22-003103-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens wederspannigheid tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003103-17

Parketnummer: 09-827579-16

Datum uitspraak: 1 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 30 juni 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1990,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 18 juli 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 dagen met aftrek van voorarrest, en een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis. Tevens is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 03 september 2016 te 's-Gravenhage, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meer ambtenaren, te weten [verbalisant 1], agent van politie Eenheid Den Haag en/of [verbalisant 2], agent van politie Eenheid Den Haag, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten teneinde na de aanhouding van haar, verdachte, terzake artikel 8 en/of 107 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) haar over te brengen naar een politiebureau, te weten politiebureau De Heemstraat ter voorgeleiding voor een hulpofficier van justitie en/of ter uitvoering van een ademanalyse in de zin van artikel 163 WVW 1994, door (met kracht) haar arm(en) los te rukken/trekken en/of door (grote en/of zwaaiende) arm en/of handbewegingen te maken en/of door (de spieren in) haar armen aan te spannen en/of door in tegengestelde richting te bewegen dan waar die ambtena(a)r(en) haar, verdachte, trachtten te bewegen en/of door (met kracht) met haar arm(en) en/of be(e)n(en) naar/in de richting van die ambtena(a)r(en) te slaan en/of te schoppen, in elk geval te bewegen, waardoor die [verbalisant 1] geraakt werd op/tegen zijn rechterhand en/of door met haar, verdachtes, nagels te krabben, terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een gebroken middenhandsbot in de rechterhand en/of meerdere krassen op de linkerarm bij die [verbalisant 1] ten gevolge heeft gehad.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 dagen met aftrek van voorarrest, en tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee gedeeltelijk niet verenigt.

Verweren

Ter terechtzitting in hoger beroep zijn door de raadsvrouw van de verdachte een aantal verweren gevoerd, één en ander zoals omschreven in haar overgelegde pleitnota. Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

Betrouwbaarheid verklaringen verbalisanten

Anders dan de verdediging is het hof met de rechtbank van oordeel dat de verklaringen zoals afgelegd door de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] weliswaar niet volledig identiek zijn, maar dat deze verklaringen op hoofdlijnen voldoende gelijkluidend en consistent zijn om deze voor het bewijs te kunnen gebruiken. Bij dit oordeel weegt onder meer mee dat hetgeen op de camerabeelden van (een deel van) het incident is te zien niet afwijkt van hetgeen door de verbalisanten is gerelateerd. De verklaringen die door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris zijn afgelegd geven het hof geen aanleiding om van een andere lezing van het incident uit te gaan. Het hof neemt voorts de overwegingen van de rechtbank onder het kopje “bijzondere bewijskracht” op pagina 4 en 5 van het vonnis over en maakt deze tot de zijne.

Causaal verband

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan wederspannigheid tegen de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Hoewel niet duidelijk is geworden op welk moment tijdens de aanhouding van de verdachte de verbalisant [verbalisant 1] het bij hem geconstateerde letsel precies heeft opgelopen, staat naar het oordeel van het hof voldoende vast dat het verzet van de verdachte het letsel van [verbalisant 1] heeft veroorzaakt.

Rechtmatigheid bediening

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het uitgangspunt is dat de politieambtenaar die handelingen verricht in het kader van de aanhouding van een verdachte werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Bij de beoordeling of zich omstandigheden voordoen die tot een ander oordeel kunnen leiden, dienen de noodzaak van het handelen, alsmede de proportionaliteit en subsidiariteit van het handelen te worden beoordeeld. Met de rechtbank stelt het hof vast dat uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat er voldoende aanleiding bestond om de verdachte aan te houden. Dit is ook niet door de verdediging bestreden. Op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en de stukken in het dossier is het hof niet gebleken dat bij het door de verbalisanten na het verzet van de verdachte toegepaste geweld de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit zijn overschreden. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat er zich omstandigheden hebben voorgedaan die leiden tot de conclusie dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op of omstreeks 03 september 2016 te 's-Gravenhage, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meer ambtenaren, te weten [verbalisant 1], agent van politie Eenheid Den Haag en/of [verbalisant 2], agent van politie Eenheid Den Haag, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten teneinde na de aanhouding van haar, verdachte, terzake artikel 8 en/of 107 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) haar over te brengen naar een politiebureau, te weten politiebureau De Heemstraat ter voorgeleiding voor een hulpofficier van justitie en/of ter uitvoering van een ademanalyse in de zin van artikel 163 WVW 1994, door (met kracht) haar arm(en) los te rukken/trekken en/of door (grote en/of zwaaiende) arm en/of handbewegingen te maken en/of door (de spieren in) haar armen aan te spannen en/of door in tegengestelde richting te bewegen dan waar die ambtena(a)r(en) haar, verdachte, trachtten te bewegen en/of door (met kracht) met haar arm(en) en/of be(e)n(en) naar/in de richting van die ambtena(a)r(en) te slaan en/of te schoppen, in elk geval te bewegen, waardoor die [verbalisant 1] geraakt werd op/tegen zijn rechterhand en/of door met haar, verdachtes, nagels te krabben, terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een gebroken middenhandsbot in de rechterhand en/of meerdere krassen op de linkerarm bij die [verbalisant 1] ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid door zich met geweld tegen opsporingsambtenaren te verzetten. Aan dit verzet heeft één van deze opsporingsambtenaren letsel overgehouden en de gevolgen hiervan zijn ernstig en langdurig gebleken. Dit handelen van de verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag en voor het publieke belang dat door opsporingsambtenaren wordt gediend. Opsporingsambtenaren moeten ongehinderd door gedrag als dat van de verdachte hun werk kunnen doen.

Het hof heeft in het voordeel van de verdachte acht geslagen op een haar betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 juli 2018, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat, mede gelet op het bepaalde in artikel 22b, lid 1 en onder b van het Wetboek van Strafrecht, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf ter hoogte van het door verdachte ondergane voorarrest, en een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Vordering tot schadevergoeding [verbalisant 1]

In het onderhavige strafproces heeft [verbalisant 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 2.404,00. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij evenwel aangetoond dat tot een bedrag van € 56,00 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf

3 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 1.000,00 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.056,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant 1].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 181 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verbalisant 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.056,00 (duizend zesenvijftig euro) bestaande uit € 56,00 (zesenvijftig euro) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [verbalisant 1], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.056,00 (duizend zesenvijftig euro) bestaande uit

€ 56,00 (zesenvijftig euro) materiële schade en

€ 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 3 september 2016.

Dit arrest is gewezen door mr. M.J.J. van den Honert,

mr. W.J. van Boven en mr. B.W. Streefland, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 augustus 2018.

Mr. W.J. van Boven en mr. B.W. Streefland zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.