Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1862

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-07-2018
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
200.231.527/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet. Beroep werkgever op vervaltermijn ex artikel 7:686a lid 4 onderdeel a BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2018/151
AR-Updates.nl 2018-0914
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.231.527/01

Rekestnummer rechtbank : 6239720 VZ VERZ 17-21394

beschikking van 31 juli 2018

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker (in hoger beroep),

hierna te noemen: [verzoeker],

advocaat: mr. R. Grijpstra te Almere,

tegen

Media Markt Alexandrium B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster (in hoger beroep),

hierna te noemen: Media Markt,

advocaat: mr. R. Simons te Rotterdam.

Het geding

Bij verzoekschrift in hoger beroep (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 16 januari 2018, heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam zitting houdende te Rotterdam van 19 oktober 2017, waarbij hij zeven grieven heeft aangevoerd. Media Markt heeft een verweerschrift (met producties) ingediend. Op 26 maart 2018 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden voor een raadsheer-commissaris. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Voorafgaande aan de mondelinge behandeling heeft mr. Grijpstra bij brief van 16 maart 2018 nog een Akte overlegging nadere stukken (met producties) in het geding gebracht, zoals vermeld in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling. Tenslotte hebben partijen het hof verzocht een beschikking te wijzen.

Beoordeling van het hoger beroep

  1. Het hof stelt vast dat partijen er, voorafgaande aan de mondelinge behandeling, schriftelijk van op de hoogte zijn gesteld dat deze zou plaatsvinden voor een door het hof benoemde raadsheer-commissaris, en in de gelegenheid zijn gesteld om hun eventuele bezwaren hiertegen kenbaar te maken en het hof om een meervoudige behandeling te verzoeken. Partijen hebben hier geen gebruik van gemaakt. Zij hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bevestigd geen bezwaar te hebben tegen de enkelvoudige behandeling van de zaak.

  2. Het hof gaat uit van de volgende, tussen partijen vaststaande, feiten. [verzoeker] is op 5 januari 2015 bij Media Markt in dienst getreden in de functie van [functienaam 1] tegen een uurloon van € 4,13 bruto, te vermeerderen met vakantiegeld. Op 4 november 2016 heeft Media Markt [verzoeker] per 1 november 2016 op staande voet ontslagen wegens ongeoorloofd verzuim/werkweigering. Op 14 augustus 2017 heeft [verzoeker] een verzoek ingediend bij de kantonrechter tot vernietiging van het ontslag op staande voet.

3. [verzoeker] heeft aangevoerd dat hij ten tijde van het ontslag op staande voet ernstig psychisch ziek was, en als gevolg daarvan niet kon werken en evenmin in staat was zich ziek te melden of te reageren op berichten van Media Markt om te komen werken. Hij heeft zijn stellingen onderbouwd met medische stukken en met stukken van het UWV waaruit blijkt dat [verzoeker] vanaf 1 november 2016 een Ziektewetuitkering ontvangt van het UWV (namens Media Markt die eigenrisicodrager is, waarbij UWV heeft aangegeven zowel uitkering als mediakosten te zullen verhalen), en dat 1 augustus 2016 door het UWV als eerste ziektedag wordt beschouwd.

4. De kantonrechter heeft [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek, nu hij dit niet heeft ingediend binnen de in artikel 7:686a lid 4 onderdeel a BW genoemde vervaltermijn van twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. [verzoeker] heeft zich er op beroepen dat het toepassen van artikel 7:686a lid 4 onderdeel a BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De kantonrechter heeft dit beroep verworpen. Daartoe heeft hij overwogen dat de rechter bij de honorering van een dergelijk beroep grote terughoudendheid dient te betrachten, en dat hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd over zijn medische toestand onvoldoende concreet is om te kunnen concluderen dat hij niet is staat is geweest om tijdig een verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet in te dienen. [verzoeker] is hiervan in hoger beroep gekomen.

5. Grief 1, die zich richt tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten, hoeft geen bespreking meer omdat het hof met deze grief al rekening heeft gehouden bij het vaststellen van de feiten in r.o. 2 van dit arrest.

6. In grief 2 stelt [verzoeker] dat de kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat [verzoeker] de ontslagbrief van 1 november 2016 omstreeks die tijd heeft ontvangen of moe(s)t hebben ontvangen. [verzoeker] voert aan dat hij zich als gevolg van zijn psychische klachten nagenoeg niets meer kan herinneren van de periode 1 augustus 2016 tot ongeveer juli 2017, en hij bij gebrek aan wetenschap en kennis ontkent dat hij de ontslagbrief omstreeks november 2016 heeft ontvangen. Gelet op het feit dat de ontslagbrief niet aangetekend is verzonden, [verzoeker] de ontvangst ervan ontkent en gelet op de ontvangsttheorie, moet het er voor worden gehouden dat hij niet eerder dan in juli 2017 de ontslagbrief heeft ontvangen.
Het hof verwerpt de grief. Vast staat dat de ontslagbrief zich bevond bij de administratieve stukken die [verzoeker] in 2017 aan mevrouw [Y] ter beschikking heeft gesteld. Bij gebreke van enige andere verklaring over de wijze en het moment waarop [verzoeker] in het bezit is geraakt van de brief, kan redelijkerwijs niet anders worden geconcludeerd dan dat [verzoeker] deze brief kort na dagtekening ervan, dus in november 2016, heeft ontvangen.

7. De grieven 3 tot en met 5 richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn verzoek. Het hof overweegt hierover het volgende.

8. De kantonrechter is er terecht van uit gegaan dat toepassing van de in artikel 7:686a lid 4 onderdeel a BW genoemde vervaltermijn van twee maanden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn, maar dat de rechter bij de honorering van een dergelijk beroep grote terughoudendheid dient te betrachten. De stelling van Media Markt dat het een absolute vervaltermijn betreft, die niet op grond van de redelijkheid en billijkheid buiten toepassing kan worden gesteld, wordt verworpen. Het hof verwijst naar HR 22-06-2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5695.

9. Bij de beoordeling van de vraag of toepassing van de vervaltermijn van twee maanden in deze zaak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, moet gelet worden op alle omstandigheden van het geval. Het hof overweegt in dit verband dat uit de door [verzoeker] overgelegde medische stukken voldoende blijkt dat hij in de periode rond zijn ontslag op staande voet ernstig psychisch ziek was, waarvoor hij enige tijd intensief is behandeld en waarvan hij ook thans nog niet volledig is hersteld. Dit betekent echter niet dat hij in de gehele periode vanaf zijn ontslag op 4 november 2016 tot aan zijn verzoekschrift van 14 augustus 2017 niet eerder in staat is geweest om, eventueel met bijstand van familie of mevrouw [Y], de nietigheid van zijn ontslag in te roepen. Zo staat vast dat [verzoeker] in het najaar van 2016 bij zijn vader is gaan wonen, terwijl [verzoeker] niet heeft toegelicht dat en waarom zijn vader hem op dit punt niet kon helpen. Echter, ook als het hof ervan uit gaat dat [verzoeker] tot aan de bijstand van mevrouw [Y] niet in staat was om het ontslag op staande voet aan te vechten, dan nog heeft [verzoeker] naar het oordeel van het hof te lang gewacht met de indiening van zijn verzoek. De verklaring van mevrouw [Y] in haar brief van 14 december 2017 dat zij als [functienaam 2] pas vanaf 12 juli 2017 in contact is gekomen met [verzoeker], is in strijd met haar eigen e-mail van 19 juli 2017 waarin zij schrijft dat zij [verzoeker] sinds juni 2017 heeft gesproken over zijn inkomsten (eerste aanleg, productie 10 bij akte/reactie [verzoeker] naar aanleiding van verweerschrift). De datum 12 juli 2017 kan bovendien niet juist zijn, omdat uit de stukken blijkt dat mevrouw [Y] al in begin juni 2017 namens [verzoeker] een ziekmelding heeft gedaan bij het UWV. In de brief van het UWV aan Media Markt van 26 september 2017 (eerste aanleg, productie 6 bij akte/reactie [verzoeker] naar aanleiding van verweerschrift) wordt immers verwezen naar een brief van het UWV van 13 juni 2017 waarin Media Markt in de gelegenheid is gesteld om de ziekmelding van [verzoeker] alsnog op te starten. Hierbij sluit aan dat Media Markt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep onweersproken heeft gesteld dat haar inmiddels uit een bericht van het UWV was gebleken dat de ziekmelding van [verzoeker] bij het UWV is binnengekomen op 7 juni 2017. Uit de ziekmelding met terugwerkende kracht door mevrouw [Y] van [verzoeker] bij het UWV volgt dat zij bekend moet zijn geweest met het arbeidsverleden van [verzoeker] bij Media Markt, en het feit dat aan deze arbeidsovereenkomst een einde was gekomen. Aannemelijk is dat zij de ziekmelding bij het UWV vooraf heeft besproken met [verzoeker], waarbij één en ander aan de orde zal zijn gekomen. Ervan uitgaande dat mevrouw [Y] vanaf begin juni 2017 [verzoeker] bijstand heeft verleend voor zijn financiën, dan nog is er meer dan twee maanden verstreken tot de uiteindelijke indiening van het verzoek tot vernietiging van het ontslag op 14 augustus 2017. Dat [verzoeker] en mevrouw [Y], die werkzaam is als [functienaam 2], mogelijk niet op de hoogte waren van de (on)geldigheid van het ontslag en de vervaltermijn van twee maanden, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om te concluderen dat het beroep van Mediamarkt op de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 onderdeel a BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij merkt het hof nog op dat niet aannemelijk is geworden dat Media Markt eerder dan medio 2017 op de hoogte was van de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker]. De vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 onderdeel a BW dient er mede toe dat de werkgever niet lang in onzekerheid blijft over de geldigheid van een ontslag op staande voet.

10. Uit het bovenstaande volgt dat het hof het oordeel van de kantonrechter dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, deelt. Dit brengt mee dat de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd zal worden. De overige grieven behoeven geen bespreking meer.

11. Het hof ziet in de omstandigheden van deze zaak geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam zitting houdende te Rotterdam van 19 oktober 2017.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M.T. van der Hoeven-Oud, M.J. van der Ven en

M. Flipse en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 juli 2018 in aanwezigheid van de griffier.