Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1852

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-07-2018
Datum publicatie
09-08-2018
Zaaknummer
22-005167-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft een hennepkwekerij gehad in zijn woning en daarnaast illegaal elektriciteit afgenomen. Tevens heeft de verdachte een grote hoeveelheid boodschappen gestolen bij de supermarkt.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 130 uren, subsidiair 65 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005167-17

Parketnummer: 09-797321-15

Datum uitspraak: 13 juli 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 24 november 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1980,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 29 juni 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 130 uur subsidiair 65 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Voorts is een beslissing genomen over het in beslag genomen geldbedrag, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.


hij in of omstreeks de periode van 16 oktober 2014 tot en met 19 december 2014 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 138 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

subsidiair:

een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks de periode van 16 oktober 2014 tot en met 19 december 2104 te Rijswijk met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 138 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte toen en daar, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken/bereiden/bewerken/verwerken en/of opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten ter beschikking te stellen;

2.


hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 19 december 2014 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben/heeft weggenomen een hoeveelheid stroom/elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Energiebedrijf Eneco en/of Stedin Netbeheer B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders;

subsidiair:


een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) in of omstreeksde periode van 1 november 2013 tot en met 19 december 2014 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen (in/uit een pand aan de [adres]) een hoeveelheid stroom/elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Energiebedrijf Eneco en/of Stedin Netbeheer B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan die onbekend gebleven perso(o)n(en) en/of zijn/haar/hun mededader(s) en/of aan verdachte bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest door dat pand en/of de in dat pand bevindende netcomponenten en elektrische installatie in de meterkast ter beschikking te stellen (voor het inrichten van een hennepplantage);

3.


hij op of omstreeks 30 oktober 2016 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een grote hoeveelheid boodschappen (waaronder vuilniszakken en/of paracetamol en/of gerookte kipfilet), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn (vestiging Escamplaan), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 130 uur subsidiair 65 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

(primair)


hij in of omstreeks de periode van 16 oktober 2014 tot en met 19 december 2014 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 138 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.

(primair)


hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 19 december 2014 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben/heeft weggenomen een hoeveelheid stroom/elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Energiebedrijf Eneco en/of Stedin Netbeheer B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders;

3.


hij op of omstreeks 30 oktober 2016 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een grote hoeveelheid boodschappen (waaronder vuilniszakken en/of paracetamol en/of gerookte kipfilet), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn (vestiging Escamplaan), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverwegingen

Betrokkenheid van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn overgelegde pleitnotities - op het standpunt gesteld – zakelijk weergegeven - dat de verdachte van het onder 1 primair en 2 primair moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de feiten alleen heeft gepleegd, dan wel dat hij nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen. Er is hooguit sprake van de rol van medeplichtige, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De hennepkwekerij is aangetroffen in een woning, die eigendom was van de verdachte. De persoon aan wie hij de woning op papier verhuurde, de voormalige medeverdachte [medeverdachte] – die bij inmiddels onherroepelijk vonnis van 24 november 2017 is vrijgesproken van overtreding van de Opiumwet, doch is veroordeeld wegens valsheid in geschrifte -, heeft verklaard dat zij niet in de woning verbleef. Het alarm van de woning was doorgeschakeld naar de telefoon van de verdachte en de verdachte heeft verklaard dat hij de woning in de gaten hield en daar handelingen pleegde, waaronder het vervangen van de luchtverfrissers.

Het hof acht aannemelijk dat van een feitelijke verhuur aan [medeverdachte] geen sprake was en dat de woning in werkelijkheid geheel en al ter beschikking stond van de verdachte. Het hof is op basis van de genoemde feiten en omstandigheden en de overige gebezigde bewijsmiddelen van oordeel dat de verdachte degene is geweest die de hennepkwekerij heeft opgezet en heeft laten draaien.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn onvoldoende aanknopingspunten naar voren gekomen dat de verdachte daarbij heeft samengewerkt met iemand anders die mede verantwoordelijk is geweest voor de hennepkwekerij, zodat van medeplegen ex artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht geen sprake is.

Het hof stelt, met betrekking tot de door de verdachte afgelegde verklaring dat anderen verantwoordelijk waren voor het opzetten van de hennepkwekerij in zijn woning, vast dat de verdachte op geen enkel moment nadere vragen heeft willen beantwoorden over deze personen die – zo stelt de verdachte – verantwoordelijk zouden moeten worden gehouden voor het telen van hennep aldaar. De verdachte heeft de door hem afgelegde verklaring aldus op geen enkele wijze nader geconcretiseerd of verifieerbaar gemaakt. Dat er anderen dan de verdachte (als medeplegers) betrokken waren bij de hennepkwekerij is (daardoor) niet aannemelijk geworden.

Het standpunt van de verdediging dat de verdachte daardoor enkel de rol van medeplichtige kan worden toebedeeld, is naar het oordeel van het hof – met het voorgaande in ogenschouw genomen – onvoldoende onderbouwd.

Voor zover de verdediging heeft bepleit dat [medeverdachte] degene is geweest die de hennepkwekerij heeft aangelegd, overweegt het hof dat zij louter bij de zaak is betrokken om te verhullen dat de verdachte de hennepkwekerij had.

De verweren worden verworpen.

Diefstal van stroom

De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld – zakelijk weergegeven – dat er geen bewijs is dat de verdachte de onder 2 primair tenlastegelegde diefstal van stroom heeft gepleegd en dat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent dat, nu - gelet op het hiervoor overwogene - als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte de desbetreffende hennepkwekerij in zijn eentje heeft opgezet en gerund, daaruit kan worden afgeleid dat hij ook degene is geweest die de elektriciteit heeft gestolen.

Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 primair en 3 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een hennepkwekerij gehad in zijn woning en daarnaast illegaal elektriciteit afgenomen.

Zodoende heeft hij doelbewust op wederrechtelijke wijze financieel voordeel nagestreefd. Hennepkwekerijen leveren veel overlast voor omwonenden en zijn bovendien brandgevaarlijk. De illegale teelt van hennep leidt veelal, direct en indirect, tot vele vormen van (zware) criminaliteit.

Daarnaast heeft de verdachte een grote hoeveelheid boodschappen gestolen. Hij heeft daarmee blijk gegeven van een gebrek aan respect voor andermans eigendom. Winkeldiefstal is een ergerlijk feit dat voor winkeliers veel overlast en financiële schade veroorzaakt.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 juni 2018.

Het hof heeft geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, nu de verdachte op 19 december 2014 is aangehouden en de rechtbank vonnis heeft gewezen op 24 november 2017. Daarmee is de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste aanleg met 11 maanden overschreden. Het hof is van oordeel dat aan deze termijnoverschrijding geen consequenties hoeven te worden verbonden en dat kan worden volstaan met de constatering hiervan, gelet op de voortvarende behandeling in hoger beroep die meebrengt dat de strafzaak in twee instanties is behandeld in ruim drieënhalf jaar.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Beslag

Het hof zal ten aanzien van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 701,65, zoals vermeld op de beslaglijst, ten behoeve van de voordeelsontneming bij de verdachte, de bewaring gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 primair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 130 (honderddertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 65 (vijfenzestig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de bewaring van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een geldbedrag van € 701,65 ten behoeve van de voordeelsontneming bij de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk,

mr. E. van Die en mr. R.J. de Bruijn, in bijzijn van de griffier mr. S. Johannes.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 juli 2018.