Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1828

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-08-2018
Datum publicatie
07-08-2018
Zaaknummer
200.149.590
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

opzegging krediet door bank, waarna kredietnemende vennootschapfailleert en bank verhaal haalt op dga die zich jegens de bank hoofdelijk heeft verbonden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.149.590/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/426574 / HA ZA 12-1060

arrest van 7 augustus 2018

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats ] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. P.A. de Lange te Barendrecht,

tegen

ABN AMRO Bank N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de bank,

advocaat: mr. J.W. van Rijswijk te Amsterdam.

Het geding

Bij exploot van 17 december 2013 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een drietal door de rechtbank Den Haag, team handel, tussen partijen gewezen vonnissen van respectievelijk 5 december 2012, 27 februari 2013 en 16 oktober 2013. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] vijf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord (met producties) heeft de bank de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De juistheid van de door de rechtbank in het bestreden vonnis vastgestelde feiten is door partijen niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Wel heeft [appellant] in grief 1 aan de orde gesteld dat de rechtbank ten onrechte niet als vaststaand feit heeft opgenomen dat de bank ook financier en crediteur was van CB-NL Development B.V. en mr. [betrokkene] (verder respectievelijk: CB-NL en [betrokkene] ) in het project Molenkwartier te Breda. Daar geen rechtsregel de rechter verplicht alle vaststaande feiten in zijn vonnis te vermelden, faalt deze grief in zoverre. Voor zover [appellant] meent dat de rechtbank ten onrechte de door hem gestelde omstandigheden rond CB-NL niet heeft meegewogen, verwijst het hof naar zijn beoordeling.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1

[appellant] was [functienaam] van [naam] B.V., Levi Beheer B.V., [naam] 's-Hertogenbosch B.V., [naam] Meppel B.V., [appellant] Holding B.V., [naam] Groep B.V., [naam] Wassenaar B.V. en [naam] Amersfoort B.V.

2.2

[appellant] en de bank hebben op 22 juli 2010 een kredietovereenkomst ondertekend, waarbij de bank een kredietfaciliteit heeft verschaft aan voornoemde vennootschappen (verder te noemen: kredietnemers), bestaande uit een rekening-courantkrediet van in totaal € 1.650.000,-.

2.3

In de kredietovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:

"Reductieregeling

Het rekening-courant krediet zal op 01.01.2011 met EUR 450.000,= worden verlaagd tot EUR 1.200.000,=, en vervolgens op 01.08.2011 met EUR 300.000,= worden verlaagd tot EUR 900.000,=, behoudens wijziging.

(…)

Zekerheden en verklaringen

- Krediethypotheek van EUR 300.000,= in hoofdsom, te vermeerderen met 40% voor rente en kosten, op elk van de onroerende zaken te Meppel, aan de Paardemaat 1, alsmede op de onroerende zaken te 's-Hertogenbosch, aan de Ketelaarskampweg 22 (…)

- Hoofdelijke mede-aansprakelijkheid van de heer [appellant] , wonende te [woonplaats ].

- Hoofdelijke aansprakelijkheid van alle onder 1 vermelde partijen op grond van het bepaalde onder I.4 van de Algemene Bepalingen voor Kredietverlening door ABN AMRO.

- Pandrecht bedrijfsinventaris.

- Pandrecht vorderingen.

(…)

Ondergetekende, de heer [appellant] , verklaart zich hierbij tegenover ABN AMRO hoofdelijk verbonden voor al hetgeen ABN AMRO nu of te eniger tijd uit hoofde van de onderhavige kredietverhouding van de Kredietnemer te vorderen heeft of zal hebben.(...)."

2.4

Op deze overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden ABN AMRO Bank N.V., bestaande uit de Algemene Bankvoorwaarden van toepassing. Deze houden onder meer het volgende in:

"Artikel 18: Bewijskracht en bewaartermijn bankadministratie

Tegenover de cliënt strekt een uittreksel uit de administratie van de bank tot volledig bewijs, behoudens door de cliënt geleverd tegenbewijs. (...)

Artikel 27: Onmiddellijke opeisbaarheid

Als de cliënt in verzuim is met de nakoming van enige verplichting jegens de bank, mag de bank haar vorderingen op de cliënt door opzegging onmiddellijk opeisbaar maken, tenzij dit gelet op de geringe betekenis van het verzuim niet gerechtvaardigd is. Een dergelijke opzegging geschiedt schriftelijk met vermelding van de reden.

Artikel 35: Opzegging van de relatie

Zowel de cliënt als de bank kan de relatie tussen hen schriftelijk geheel of gedeeltelijk opzeggen. Als de bank de relatie opzegt, deelt zij desgevraagd de reden van de opzegging aan de cliënt mee. Na opzegging van de relatie worden de tussen de cliënt en de bank bestaande individuele overeenkomsten zo spoedig mogelijk afgewikkeld met inachtneming van de daarvoor geldende termijnen. Tijdens de afwikkeling blijven deze algemene bankvoorwaarden en de op de individuele overeenkomsten toepasselijke specifieke voorwaarden van toepassing."

2.5

De bank constateerde eind 2010 dat kredietnemers de oorspronkelijke faciliteit nog ten volle benutten, terwijl de kredietlimiet per 1 januari 2011 conform de reductieregeling zou worden verlaagd. De reductie van het krediet per 1 januari 2011 zou moeten plaatsvinden uit de opbrengst van een bouwproject genaamd "Symphora". Naar aanleiding van deze constatering zocht de bank contact met [appellant] . [appellant] heeft de bank te kennen gegeven dat de verlaging van de kredietlimiet per 1 januari 2011 niet zou kunnen worden gehaald. De bank heeft vervolgens op 31 december 2010 haar goedkeuring verleend aan tijdelijke handhaving van de limiet van € 1.650.000,- tot 1 februari 2011. De bank en [appellant] bleven daarna in gesprek over herstructurering van de kredietfaciliteit, althans terugdringing van het kredietgebruik.

2.6

Tijdens een gesprek tussen de bank en [appellant] op 31 januari 2011 bleek dat ook de reductie per 1 februari 2011 niet haalbaar was voor kredietnemers. De bank heeft vervolgens op 4 februari 2011 besloten de limiet van € 1.650.000,- nogmaals te verlengen, ditmaal tot 1 maart 2011.

2.7

De bank verzocht [appellant] op 15, 22, 23 en 24 februari 2011 om informatie en bescheiden met betrekking tot de solvabiliteit en liquiditeit van de kredietnemers. Daarbij is de bank gebleken dat – in strijd met een met haar gemaakte afspraak – door kredietnemers een bedrag van € 500.000,-, dat uit het project Symphora was ontvangen, is aangewend voor de betaling van crediteuren van kredietnemers.

2.8

De financiële situatie van de kredietnemers bleek begin maart 2011 ongewijzigd ten opzichte van januari en februari 2011. Naar aanleiding van nader overleg met [appellant] heeft de bank – onder voorbehoud van goedkeuring van de afdeling Riskmanagement – aan [appellant] voorgesteld toestemming te vragen tot voorlopige handhaving van de kredietfaciliteit op € 1.650.000,-, met een afbouw van € 50.000,- per maand per april 2011 en een eenmalige aflossing van € 500.000,- per september 2011. De bank heeft dit voorstel op 4 maart 2011 bij de afdeling Riskmanagement ingediend, maar deze afdeling heeft het voorstel afgewezen.

2.9

Op 15/16 maart 2011 schakelde de afdeling Riskmanagement de afdeling Financial Restructuring van de bank in. De afdeling Riskmanagement was van mening dat de situatie van kredietnemers dermate precair was dat het krediet als vastgelopen moest worden beschouwd.

2.10

Op 27 april 2011 vond een bespreking plaats tussen de afdeling Financial

Restructuring, [appellant] en zijn adviseur [naam adviseur] , waarbij [appellant] en [naam adviseur] te kennen gaven dat zij van plan waren [appellant] B.V. te laten failleren via een sterfhuisconstructie.

2.11

Bij brief van 3 mei 2011 schreef de bank aan (de directie van) kredietnemers onder meer:

"Geachte heer [appellant] , Geachte Directie,

Hierbij delen wij u mede dat wij, mede gezien de overstand op de rekening courant faciliteit en de precaire financiële situatie genoodzaakt zijn gebruik te maken van ons recht van dagelijkse opzegbaarheid van het aan u verstrekte krediet in rekening-courant en wel met onmiddellijke ingang.

In verband met het vorenstaande verzoeken wij u en voor zover nodig sommeren wij u om zo spoedig mogelijk doch uiterlijk op 17-05-2011 uw schuld bij onze instelling integraal af te lossen.

Indien u op 17-05-2011 uw schuld bij onze instelling niet integraal heeft afgelost dan stellen wij u reeds nu voor alsdan in gebreke en behouden ons het recht voor om alle ons conveniërende maatregelen te nemen teneinde tot incasso van onze vordering op u te geraken, alsmede zeggen wij u reeds nu voor alsdan alle eventueel aan u verstrekte leningen op.

(...)

Voor de goede orde wijzen wij u erop dat voor het overige alle bepalingen zoals vermeld in de kredietovereenkomst, waaronder bepalingen met betrekking tot de zekerheden en bijzondere bepalingen, van kracht blijven totdat u uw schuld bij onze instelling integraal heeft afgelost."

2.12

In juni 2011 zijn zes van de acht kredietnemende vennootschappen in staat van faillissement verklaard, telkens met aanstelling van mr. J. Regeling (verder: de curator) tot curator.

2.13

De bank heeft haar vordering uit hoofde van de kredietovereenkomst ter verificatie ingediend bij de curator in het faillissement van [appellant] Meppel B.V.

2.14

De bank heeft als pandhouder een aantal zekerheden uitgewonnen. Bij de uitwinning van de zekerheden heeft de bank, in overleg met de curator, Mirus International B.V., een onderneming die zich bezighoudt met de begeleiding van uitwinningstrajecten, ingeschakeld. [appellant] is nog in de gelegenheid gesteld de openstaande vorderingen op derden te innen, maar dit is niet van de grond gekomen.

2.15

De bank heeft ook als hypotheekhouder de registergoederen uitgewonnen, nadat zij eerder [appellant] de mogelijkheid had geboden deze ondershands te verkopen, zonder het gewenste resultaat.

2.16

De curator heeft [appellant] als middellijk bestuurder aansprakelijk gesteld voor het tekort in de faillissementen van de gefailleerde kredietnemers. Deze zaak is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer 426764 / HA ZA 12-1072.

2.17

Bij brief van 5 oktober 2011 schreef de bank aan [appellant] :

"Aangezien de zekerheden zeer waarschijnlijk onvoldoende zullen opbrengen om de schuld van [appellant] B.V. c.s. aan onze instelling te voldoen, zijn wij genoodzaakt u onder uw hoofdelijke aansprakelijkheid ten behoeve van het krediet verstrekt aan [appellant] B.V. c.s. aan te spreken.

Wij verzoeken u, en zonodig sommeren wij u, uiterlijk op 13 oktober 2011 een

bedrag ad EUR 1.610.433,70 te voldoen (...)

Indien u op 13-10-2011 niet heeft voldaan aan uw verplichtingen stellen wij u reeds nu voor alsdan in gebreke. Wij behouden ons nu het recht voor om alle conveniërende maatregelen te nemen, om onze positie te behouden c.q. zeker te stellen, teneinde tot incasso van onze vordering op u te geraken. (...)"

2.18

De opbrengst van de zekerheden heeft de bank verantwoord aan de curator. Deze waren onvoldoende om daaruit de vordering van de bank te kunnen voldoen.

2.19

In het door de bank opgestelde formulier 'Samenvatting Contract' met betrekking tot relatie [appellant] B.V., geprint op 6 augustus 2012, is als totale vordering van de bank een bedrag van € 1.592.535,24 vermeld.

2.20

In eerste aanleg vorderde de bank in conventie – zakelijk weergegeven – veroordeling van [appellant] tot betaling aan haar van een bedrag van € 1.592.535,24, vermeerderd met rente.

2.21

In reconventie vorderde [appellant] – op nieuw zakelijk weergegeven –

a. a) een verklaring voor recht dat de bank ten onrechte het krediet van kredietnemers heeft opgezegd;

b) veroordeling van de bank tot betaling aan [appellant] van een bedrag aan schadevergoeding, nader op te maken bij staat;

c) veroordeling van de bank tot betaling aan [appellant] van een voorschot op voornoemde schadevergoeding;

d) veroordeling van de bank tot het afleggen van integrale rekening en verantwoording jegens [appellant] omtrent – kortgezegd – de uitwinning van de in de kredietovereenkomst verstrekte zekerheden.

2.22

[appellant] stelde ook een tweetal incidentele vorderingen in, waarop de rechtbank bij incidentele vonnissen van 5 december 2012 en 27 februari 2013 heeft beslist

2.23

Het eerste van deze incidenten heeft [appellant] opgeworpen bij conclusie van 17 oktober 2012. In dit incident heeft hij gevorderd dat hem werd toegestaan kredietnemers alle in vrijwaring op te roepen. Bij genoemd vonnis in het vrijwaringsincident van 5 december 2012 heeft de rechtbank dit uitsluitend toegestaan ten aanzien van Levi Beheer B.V. en [appellant] Holding B.V. en de vordering voor het overige afgewezen, daartoe overwegende dat de overige zes kredietnemende vennootschappen failliet zijn verklaard, zodat [appellant] zijn vorderingen niet op andere wijze kan instellen dan door indiening van zijn vordering bij de curator.

2.24

[appellant] heeft afgezien van het in vrijwaring oproepen van Levi Beheer B.V. en [appellant] Holding B.V..

2.25

In het tweede incident heeft [appellant] bij conclusie van 16 januari 2013 voeging gevorderd van de onderhavige zaak met de onder 2.16 genoemde zaak van de curator tegen [appellant] . Bij vonnis in het voegingsincident van 27 februari 2013 heeft de rechtbank de gevraagde voeging afgewezen, omdat tussen beide zaken niet een zodanige samenhang bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om een gelijktijdige berechting.

2.26

Bij het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank de vordering in conventie toegewezen en de vorderingen in reconventie afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten.

3.1

In hoger beroep vordert [appellant] de vernietiging van de bestreden vonnissen en toewijzing van zijn incidentele vorderingen, afwijzing van de conventionele vordering van de bank alsmede toewijzing van zijn vordering in reconventie, met veroordeling van de bank in de kosten.

3.2

De grieven van [appellant] zijn gericht tegen de vaststelling van de feiten (grief 1), het oordeel van de rechtbank dat het beroep op artikel 7:855 lid 2 BW faalt (grief 2), het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een rauwelijkse of onterechte opzegging van de kredietfaciliteit (grief 3) en het oordeel dat geen reden bestaat om te twijfelen aan de hoogte van de vordering van de bank (grief 4). Met grief 5 beoogt [appellant] de volledige zaak aan het oordeel van het hof te onderwerpen.

3.3

Het hof stelt vast dat aldus geen (voldoende kenbare) grieven zijn gericht tegen de vonnissen in de incidenten, zodat het hoger beroep tegen die vonnissen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

3.4

Ter comparitie bij de rechtbank heeft [appellant] (voor het eerst) aangevoerd dat de problemen onder meer zijn ontstaan door het project Molenkwartier te Breda, een vastgoed ontwikkelingsproject dat via CB-NL en [betrokkene] door de bank werd gefinancierd en waarvan de bank dus volledig op de hoogte was. [betrokkene] , die in privé was veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 600.000,- aan [appellant] , zou de schrijver zijn van een anonieme brief aan de bank waarin negatief werd gesproken over [appellant] . Deze brief – zo vermoedde [appellant] – zou hebben meegespeeld bij het besluit het krediet op te zeggen. De bank heeft dit een en ander betwist. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat [appellant] zijn stellingen ten aanzien van het project Molenkwartier onvoldoende heeft onderbouwd.

3.5

In zijn memorie van grieven heeft [appellant] "de dwarsverbanden" met CB-NL en [betrokkene] aldus nader uitgewerkt:

[appellant] hield zich via zijn ondernemingen met name bezig met het detacheren van personeel. In het kader van verbreding en uitbreiding van zijn activiteiten heeft hij in 2009 grote delen van een gefailleerd aannemingsbedrijf overgenomen en ondergebracht in [appellant] Amersfoort B.V. De overname werd gedaan door tussenkomst van [betrokkene] . Daarnaast heeft [appellant] een aantal overeenkomsten gesloten voor de ontwikkeling en bouw van een grootschalig woningbouwproject, te weten het Molenkwartier te Breda. Verkopende partij was CB-NL, een vennootschap van [betrokkene] . De bank had eerder ten behoeve van het project aan CB-NL een hypothecaire lening verstrekt. De akte op grond waarvan de waarde van de grond van het project was bepaald bleek echter vervalst (er was sprake van een vervuild en ongesaneerd stuk grond) en de gestelde harde toezegging van woningbouwcorporatie Laurentius voor woningbouw bestond niet. De bank had dus een direct eigenbelang bij de overname, omdat het financieringsrisico aldus overging van CB-NL naar [appellant] . Hoewel de bank wist, althans kon en/of behoorde te weten dat het project op valse feiten was gebaseerd, heeft zij daarover gezwegen tegenover [appellant] . Als [appellant] van de juiste feiten op de hoogte was geweest, was hij nimmer tot aankoop van dat project overgegaan. [appellant] leidt door dit een en ander zeer grote schade, waarvoor hij de bank, [betrokkene] en CB-NL aansprakelijk acht. CB-NL en [betrokkene] zijn failliet verklaard op verzoek van [appellant] . De vordering van [appellant] in het faillissement van [betrokkene] beloopt een bedrag van bijna € 8 miljoen. Het beeld dat sprake is van een "klassiek wanpresterende debiteur" is daarom volgens [appellant] niet juist. Aan de bank komt onder deze feiten en omstandigheden dan ook geen beroep toe op het beweerdelijk niet nakomen van afspraken van [appellant] jegens de bank, aldus [appellant] in de toelichting op zijn eerste grief.

3.6

Het hof overweegt dat ook deze nadere toelichting ontoereikend is om [appellant] te kunnen volgen in zijn conclusie dat de bank aansprakelijk is voor zijn schade. [appellant] heeft tegenover de betwisting door de bank immers niets gesteld waaruit zou kunnen blijken dat de bank bij de verkoop van het project Molenkwartier door CB-NL aan zijn vennootschappen daadwerkelijk op de hoogte was van het feit dat het project Molenkwartier op drijfzand (en fraude) was gebaseerd. Evenmin heeft hij concreet toegelicht op grond waarvan de bank dat (tenminste) had behoren te weten, hetgeen wel op zijn weg had gelegen. De bank kan immers alleen een verwijt worden gemaakt dat zij [appellant] niet heeft gewaarschuwd, indien zij met voldoende mate van zekerheid wist, dan wel behoorde te weten dat de door [betrokkene] /CB-NL aan [appellant] gepresenteerde gegevens niet klopten. Dat een van deze situaties zich heeft voorgedaan, kan het hof niet vaststellen, omdat [appellant] zijn stellingen niet naar behoren heeft onderbouwd. Dit betekent dat grief 1 ook in zoverre faalt.

3.7

In zijn tweede grief stelt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat nu [appellant] directeur/grootaandeelhouder was van kredietnemers en de hiervoor onder 2.11 bedoelde brief mede aan hem geadresseerd was, hij de bank niet kan verwijten dat hij als borg niet op de hoogte is gesteld van de aan de kredietnemer gerichte ingebrekestelling Waarom hij dit oordeel niet juist acht, heeft [appellant] niet toegelicht. Nu de brief van 3 mei 2011 die de ingebrekestelling bevatte, mede aan [appellant] was gericht, begrijpt het hof niet waarom [appellant] dan toch meent dat hij niet is geïnformeerd. Reeds hierom kan grief 2 niet slagen. Aan beantwoording van de vraag of [appellant] wel als borg is aan te merken komt het hof daarom niet toe.

3.8

In de toelichting op haar derde grief verwijt [appellant] de bank met twee maten te meten, omdat de bank van CB-NL wel een oplopende roodstand bij de hypothecaire lening heeft toegestaan, terwijl zij ten aanzien van kredietnemer tot rauwelijkse opzegging is overgegaan.

3.9

Met de rechtbank constateert ook het hof dat van een rauwelijkse opzegging niet kan worden gesproken, nu reeds vanaf 1 januari 2011 sprake was van overstand omdat de contractueel overeengekomen afbetaling niet was nagekomen en de bank en [appellant] sinds dat moment intensief met elkaar in overleg zijn geweest over het terugbrengen van die overstand. In dat kader heeft de bank [appellant] en kredietnemers meerdere malen een nadere termijn gegund. De bank kon op grond van haar Algemene Bankvoorwaarden overgaan tot opzegging van de kredietovereenkomst. Gesteld noch gebleken is dat de opzegging onder de vaststaande omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Dit wordt niet anders door de enkele omstandigheid dat de bank – zoals [appellant] kennelijk meent – CB-NL meer respijt heeft gegeven dan de kredietnemers. Grief 3 faalt.

3.10

In zijn vierde grief klaagt [appellant] erover dat de bank geen volledige rekening en verantwoording heeft afgelegd over de wijze waarop de zekerheden zijn uitgewonnen. De zekerheden waren volgens [appellant] fors meer waard dan ze hebben opgebracht. Nu de bank geen rekening en verantwoording heeft afgelegd jegens hem, betwist [appellant] bij gebrek aan wetenschap de juistheid van de door de bank opgevoerde bedragen.

3.11

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis overwogen dat [appellant] , tegenover het betoog van de bank in de nrs. 44-49 van de conclusie van antwoord in reconventie, niet heeft onderbouwd dat (en waarom) hij (toch) geen enkel inzicht heeft in hetgeen met de uitgewonnen zekerheden is gebeurd of dat hij niet zou kunnen toelichten waarom de door de bank ingestelde vordering onjuist is. Bovendien – zo overwoog de rechtbank verder – heeft de bank onbetwist gesteld dat de door haar uitgewonnen registergoederen telkens meer hebben opgebracht dan de taxatiewaarde. De rechtbank heeft daarom de vordering tot het doen van rekening en verantwoording als onvoldoende onderbouwd afgewezen.

3.12

Het hof stelt vast dat [appellant] in hoger beroep geen nadere onderbouwing heeft gegeven voor zijn vordering tot het doen van rekening en verantwoording en voor zijn verweer tegen de hoogte van de vordering van de bank, hetgeen onder deze omstandigheden wel van hem mocht worden verwacht. Dit betekent dat ook de vierde grief niet kan slagen.

3.13

De vijfde grief is een veeggrief, die het lot deelt van de overige grieven.

3.14

Dit betekent dat het hoger beroep faalt, dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en dat [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De door de bank gevorderde wettelijke rente over deze proceskosten is toewijsbaar als na te melden.

3.15

Bij gebreke van stellingen die – indien bewezen – tot een ander oordeel zouden leiden, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

Beslissing

Het hof:

- verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep van de vonnissen in incident van de rechtbank Den Haag van 5 december 2012 en 27 februari 2013;

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen eindvonnis van de rechtbank Den Haag van 16 oktober 2013;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de bank tot op heden begroot op € 4.961,- aan griffierecht en € 5.501,- aan salaris advocaat en op € 131,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 68,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 68,-, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van veertien dagen.;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, F.R. Salomons en J.A. van Dorp en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 augustus 2018 in aanwezigheid van de griffier.