Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1824

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
24-07-2018
Zaaknummer
200.222.935/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Tijdens huwelijk gezamenlijk aangegaan doorlopend krediet. Afspraak dat ieder der partijen de helft van de schuld voor eigen rekening zal nemen en aflossen. Vrouw betaalt niet aan de derde. Man vordert betaling van het door de vrouw verschuldigde aan hem zodat ook haar deel wordt afgelost. Afgewezen, want dat is niet overeengekomen. Passering bewijsaanbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.222.935/01

Zaaknummer rechtbank : 6014826\ CV EXPL 17-18137

arrest van 24 april 2018

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. R. van Noord te Ridderkerk,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ),

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw.

Het geding

Bij exploot van 16 augustus 2017 - hersteld bij herstelexploot van 6 september 2017 - is de man in hoger beroep gekomen van een door de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 23 juni 2017 (hierna ook: het bestreden vonnis).

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis.

Bij voormeld exploot van 16 augustus 2017 heeft de man één grief aangevoerd.

Tegen de vrouw is verstek verleend.

Vervolgens heeft de man de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

De feiten

Partijen zijn op 9 september 2009 in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd. Het huwelijk is op 7 maart 2017 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

Partijen hebben op 17 juni 2016 een echtscheidingsconvenant gesloten waarin zij onder III. aangaande ‘De verdeling van de huwelijksgemeenschap’ onder meer het volgende zijn overeengekomen:

‘De verdeling van de gemeenschap van goederen heeft inmiddels in onderling overleg plaatsgevonden. Partijen hebben een schuld bij Freo bekend onder contractnummer [volgt nummer] . Partijen zullen beiden ieder de helft van deze schuld voor eigen rekening nemen en aflossen.’

Voorts is onder V. aangaande ‘Ontbinding en vernietiging’ opgenomen:

‘Partijen verbinden zich deze overeenkomst noch geheel, noch gedeeltelijk te zullen (laten) ontbinden op grond van enigerlei tekortkoming in de nakoming daarvan. Nakoming zal steeds gevorderd kunnen worden, al dan niet met schadevergoeding.’

Onder VI. aangaande ‘Vrijwaring en finale kwijting’ is opgenomen:

‘Partijen vrijwaren elkaar over en weer, indien de ene partij wordt aangesproken tot voldoening van een schuld, welke ingevolge deze overeenkomst ten laste van de andere partij komt.’

Beoordeling van het hoger beroep

1. Bij het bestreden vonnis is ter zake van voormelde schuld bij Freo Doorlopend Krediet (hierna ook: Freo) uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    de vrouw veroordeeld om aan de man tegen kwijting te betalen € 1.125,-, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 7 maart 2017 tot de dag van algehele voldoening;

  • -

    de vrouw in de proceskosten veroordeeld.

De vordering van de man de vrouw te veroordelen om ingaande 1 mei 2017 maandelijks aan hem te betalen de helft van de maandelijkse rente en aflossing thans bedragende € 360,- per maand (zijnde € 180,-) tot de gehele lening ad € 25.597,10 van partijen bij Freo is voldaan, is afgewezen.

2. De man vordert dat het het hof behage gedeeltelijk te vernietigen het bestreden vonnis en, opnieuw rechtdoende, de vrouw te veroordelen ingaande 1 mei 2017 bij vooruitbetaling maandelijks een bedrag te betalen ad € 180,- tot de gehele lening ad € 25.597,10 is voldaan, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.

3. Het gaat in deze zaak om het volgende. Partijen hebben op 3 juli 2014 - derhalve tijdens hun huwelijk - gezamenlijk een overeenkomst Freo Doorlopend Krediet afgesloten, met een kredietlimiet van € 36.000,- (productie 3 eerste aanleg). In het kader van de echtscheiding zijn zij in hun bovenvermeld echtscheidingsconvenant overeengekomen dat ieder de helft van deze schuld voor eigen rekening zal nemen en aflossen. Volgens de man bedraagt de schuld thans
€ 25.597,10 en dient deze in maandelijkse termijnen van € 360,- aan rente en aflossing te worden afbetaald. Hiervan dient de vrouw de helft, ofwel € 180,-, te betalen.

4. De man stelt dat de vrouw nalaat haar deel ad € 180,- aan rente en aflossing aan de kredietmaatschappij te betalen, terwijl hij zijn deel wel voldoet. Door dit nalatig gedrag van de vrouw is een betalingsachterstand ontstaan, die door de Stichting BKR wordt geregistreerd in het Centraal Krediet Informatiesysteem. Hierdoor kan de man geen hypothecaire lening afsluiten ten behoeve van de aankoop van een nieuwe woning. Om BKR-registratie te voorkomen dan wel op de heffen, is de man gedwongen ook het door de vrouw te betalen deel aan rente en aflossing van de schuld bij Freo te voldoen. Hieruit volgt naar de mening van de man dat de vrouw de helft van de schuld bij Freo aan hem verschuldigd is.

5. Het hof overweegt als volgt. De schuld aan Freo betreft een huwelijkse schuld waarvoor partijen in de externe verhouding jegens Freo - zo leidt het hof af uit de overgelegde kredietovereenkomst - hoofdelijk aansprakelijk zijn. Deze externe aansprakelijkheid is niet gewijzigd door de ontbinding van de huwelijksgemeenschap en het huwelijk van partijen, noch door de overeengekomen verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Artikel 1:102 BW bevestigt dat ieder van partijen voor het geheel aansprakelijk blijft voor de gemeenschapsschulden waarvoor hij/zij voordien aansprakelijk was.

6. Ten aanzien van de interne draagplicht zijn partijen in hun convenant overeengekomen dat beiden ieder de helft van de schuld bij Freo voor eigen rekening zal nemen en aflossen. Uit de processtukken blijkt dat de man hieronder verstaat dat ieder van partijen afzonderlijk € 180,- per maand aan rente en aflossing aan de kredietverstrekker draagt en betaalt, totdat de gehele schuld is afgelost. Het hof zal zich bij voormelde uitleg van de man aansluiten. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de vrouw in zowel eerste aanleg als in hoger beroep heeft afgezien van de mogelijkheid daartegen verweer te voeren.

7. Het hof begrijpt uit de grief met toelichting in samenhang bezien met zijn vordering in hoger beroep dat de man - kennelijk met ingang van 1 mei 2017 - de volledige termijn van € 360,- per maand aan rente en aflossing aan Freo is gaan betalen en daarmee ook het door de vrouw te dragen en betalen deel van € 180,- per maand, voldoet. Voorts begrijpt het hof daaruit dat de man maandelijks het door hem ten behoeve van de vrouw aan Freo betaalde bedrag van
€ 180,- per maand van haar wenst terug te ontvangen, totdat de gehele schuld ad € 25.597,10 door hem zal zijn afgelost.

8. Het hof is van oordeel dat indien en voor zover de vrouw verzuimt het door haar te dragen deel van de maandelijkse rente en aflossing op de schuld aan Freo te betalen, de man nakoming dient te vorderen op grond van hetgeen partijen zijn overeengekomen onder III., V. en VI. van het echtscheidingsconvenant. De vordering van de man strekkende tot vergoeding door de vrouw aan hem van een bedrag van € 180,- per maand totdat de schuld bij Freo volledig door hem zal zijn afgelost, kan niet worden toegewezen. Immers, partijen zijn in hun echtscheidingsconvenant ten aanzien van die schuld overeengekomen zoals hiervoor in rechtsoverweging 6 is uiteengezet en zijn aan die overeenkomst gebonden. Daarnaast geldt dat de man geen vergoeding toekomt ter zake van termijnen die nog niet door hem voor de vrouw zijn voldaan.

9. Dit alles leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Bewijsaanbod

10. Het hof zal het bewijsaanbod van de man als onvoldoende concreet en specifiek passeren.

Proceskosten

11. Gelet op de familierechtelijke aard van de onderhavige zaak zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De andersluidende vordering van de man zal worden afgewezen.

12. Mitsdien wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A. van Kempen, O.I.M. Ydema en S.H.M. van der Heiden en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 april 2018 in aanwezigheid van de griffier.