Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1821

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
24-07-2018
Zaaknummer
200.222.219/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Is biologisch kind afstammeling van erflater/legitimaris? Gerechtelijke vaststelling niet herroepen. Omvang legitimaire massa. Vorderingen en schulden van erflater: vof en huurinkomsten. Afwikkeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2018-0136
JERF 2018/309
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.222.219/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/491781/HA ZA 15-766

arrest van 10 juli 2018

inzake

[de erfgenaam] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: appellant,

advocaat: mr. G.R. van der Plas te Katwijk, Zuid-Holland,

tegen

[het biologisch kind] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: geïntimeerde,

advocaat: mr. V. Kortenbach te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 18 augustus 2017 is appellant in hoger beroep gekomen van drie door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnissen van 12 oktober 2016, 22 februari 2017 en 24 mei 2017.

Bij memorie van grieven heeft appellant vier grieven aangevoerd.

Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde de grieven bestreden en tevens incidenteel appel ingesteld.

Appellant heeft hierop gereageerd bij memorie van antwoord in incidenteel appel.

Vervolgens heeft appellant de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Het hof stelt vast dat aan het procesdossier ontbreekt productie 2 bij de dagvaarding in eerste aanleg, zijnde de beschikking waarbij het vaderschap van erflater over geïntimeerde is vastgesteld. Voorts ontbreken de even bladzijden van het als productie 11 overgelegde proces-verbaal. Een en ander staat aan een beoordeling van de grieven echter niet in de weg.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. De door de rechtbank in het tussenvonnis van 12 oktober 2016 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan.

2. Bij het eindvonnis van 24 mei 2017 is, voor zover hier van belang en uitvoerbaar bij voorraad appellant veroordeeld als executeur in de nalatenschap van erflater om aan geïntimeerde te betalen diens legitieme portie van € 332.593,83, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van 14 november 2012 tot aan de dag van algehele betaling.

3. Appellant vordert dat het het hof behage, te vernietigen de vonnissen van 12 oktober 2016, 22 februari 2017 en 24 mei 2017 door de rechtbank Den Haag tussen appellant en geïntimeerde gewezen, en opnieuw rechtdoende, geïntimeerde alsnog in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren c.q. af te wijzen, kosten rechtens.

4. Geïntimeerde concludeert in principaal appel dat het het hof behage, bij arrest en uitvoerbaar bij voorraad, appellant niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn vordering tot vernietiging van de vonnissen in eerste aanleg af te wijzen.

Geïntimeerde vordert in incidenteel appel te vernietigen (voor zover nodig) de vonnissen van 12 oktober 2016 en/of 24 mei 2017, en opnieuw rechtdoende, appellant te veroordelen om aan geïntimeerde te betalen, als executeur diens legitieme portie van € 390.593,83, dan wel als persoonlijk schuldenaar van geïntimeerde uit hoofde van de vrijwaringsplicht en/of artikel 6:10 BW een bedrag van € 63.192,50, e.e.a. vermeerderd met de wettelijke rente hierover met ingang van 14 november 2012 tot aan de dag van algehele betaling, met bekrachtiging van de vonnissen voor het overige en met veroordeling van appellant als executeur in de kosten van dit hoger beroep, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van het arrest tot aan de dag der algehele voldoening.

5. Appellant concludeert in het incidenteel appel dat het het hof moge behagen geïntimeerde niet-ontvankelijk te verklaren in het incidenteel appel, dan wel zijn vordering af te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het (het hof begrijpt:) incidenteel appel.

Kern van het geschil en enige achtergrondinformatie

6. Appellant is krachtens testament verleden op 27 augustus 2008 enige en algehele erfgenaam in de nalatenschap van [volgt naam vader] (hierna: erflater) die [in] 2012 is overleden. In zijn testament heeft erflater appellant tevens benoemd tot executeur van zijn nalatenschap. Appellant heeft de nalatenschap zuiver aanvaard.

7. Bij beschikking van 22 april 2013 van de rechtbank Den Haag is het juridisch vaderschap van erflater over geïntimeerde vastgesteld. Erflater is de biologische vader van appellant. Niet is komen vast te staan dat erflater de juridische vader van appellant is.

8. In geschil is of geïntimeerde als legitimaris recht heeft op zijn legitieme portie en zo ja, wat de waarde is waarover de legitieme portie moet worden berekend (de legitimaire massa).

9. Nu hieromtrent geen grieven zijn opgeworpen, gaat het hof er met de rechtbank vanuit dat geïntimeerde tijdig een beroep op zijn legitieme heeft gedaan en dat de legitieme portie van geïntimeerde de helft van de legitimaire massa bedraagt.

10. Het hof zal de grieven zo veel mogelijk gezamenlijk bespreken.

Legitimaris?

11. In zijn eerste, meest verstrekkende grief herhaalt appellant zijn stelling in eerste aanleg, dat geïntimeerde geen afstammeling is van erflater en derhalve geen aanspraak kan maken op een legitieme portie. Hij voert daartoe in de kern het volgende aan: weliswaar is het juridisch vaderschap van erflater over geïntimeerde in rechte vastgesteld, maar geïntimeerde heeft in die procedure de rechtbank bewust misleid met de stelling dat hij pas in 2012 door DNA-onderzoek op de hoogte is geraakt van zijn verwantschap met erflater, terwijl de uitslag van dit onderzoek reeds in 2003 bij geïntimeerde bekend was.

12. Geïntimeerde heeft de stellingen van appellant gemotiveerd betwist. Hij merkt op dat ter zake hetgeen door de rechtbank in dit verband over de beschikking van 22 april 2013 van de rechtbank Den Haag en het indienen van herroeping daarvan is overwogen niet gegriefd is.

13. Het hof is van oordeel dat de eerste grief van appellant faalt. Zoals geïntimeerde terecht stelt, is de beschikking waarbij het vaderschap van erflater ten aanzien van geïntimeerde is vastgesteld inmiddels in kracht van gewijsde gegaan, zodat deze beslissing in het onderhavige geding tussen partijen bindende kracht heeft. Of geïntimeerde in dat geding bedrog heeft gepleegd - zoals, naar het hof begrijpt, appellant stelt - kan eerst in een procedure tot herroeping van de beschikking tot gerechtelijke vaststelling vaderschap aan de orde komen. Echter, op geen enkele wijze is gebleken dat appellant op de voet van artikel 390 en volgende Rv. tijdig herroeping van die beschikking heeft verzocht en dat dit verzoek is toegewezen.

14. Gelet hierop staat naar het oordeel van het hof het juridisch vaderschap van erflater over geïntimeerde vast. Anders dan appellant kennelijk meent, kan een kind te allen tijde een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap doen, ook indien de persoon van wie het vaderschap moet worden vastgesteld, inmiddels is overleden. Aan dit verzoek is geen vervaltermijn is verbonden.

15. Het hof passeert het door appellant in het kader van zijn eerste grief aangeboden getuigenbewijs als niet ter zake doende. Hetgeen partijen omtrent de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van erflater overigens nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

16. Nu geïntimeerde als afstammeling van erflater door de wet als erfgenaam tot de nalatenschap van erflater wordt geroepen, is hij op grond van artikel 4:63 lid 2 BW legitimaris en heeft hij recht op zijn legitieme portie, bestaande uit een vordering in geld op het vermogen van erflater. Geïntimeerde is door een beroep te doen op zijn legitieme portie geen erfgenaam geworden.

Legitimaire massa

17. Artikel 4:65 BW bepaalt dat de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f.

18. In zijn overige grieven II tot en met IV betoogt appellant dat de rechtbank de legitimaire massa op twee onderdelen onjuist heeft vastgesteld. Het hof zal deze hierna bespreken.

Vordering van erflater

19. Volgens appellant had erflater ten tijde van zijn overlijden een vordering van € 126.385,- inclusief rente op geïntimeerde, vanwege door erflater ten behoeve van geïntimeerde gedane betalingen aan derden. Bij de vaststelling van de legitimaire massa dient met dit bedrag nog rekening te worden gehouden. In zijn memorie van antwoord in incidenteel appel stelt appellant dat hij persisteert dat het bedrag van € 126.385,- in mindering moet worden gebracht op de legitimaire massa omdat dit bedrag ten behoeve van geïntimeerde door erflater is betaald.

20. Geïntimeerde verweert zich tegen de stellingen van appellant als volgt:

- de door appellant gestelde vordering van erflater ziet op schulden van de tot 2006 door partijen gezamenlijk gedreven vennootschap onder firma (hierna: de vof), die daarna door appellant als eenmanszaak is voortgezet. Bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van 22 juli 2015 heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat appellant op basis van de door partijen gemaakte afspraken over de afwikkeling van de vof, gehouden is geïntimeerde te vrijwaren van alle vennootschapsschulden. Erflater had ter zake derhalve geen vordering op geïntimeerde;

- appellant heeft geen belang bij zijn grief omdat indien de legitimaire massa wordt verhoogd met voormeld bedrag van de vordering, de legitimaire aanspraak van geïntimeerde ook hoger wordt.

Geïntimeerde stelt zich in incidenteel appel op het standpunt dat de door de rechtbank berekende legitimaire massa van € 655.187,66 nog moet worden verhoogd met het bedrag van € 126.385,-. Dit omdat erflater door het betalen van die vennootschapsschulden een vordering heeft gekregen op de vof casu quo vennoten, voor welke vordering appellant geïntimeerde diende te vrijwaren op grond van laatstgenoemd vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 juli 2015. Geïntimeerde berekent zijn legitieme portie aldus op € 390.786,33.

21. Het hof begrijpt uit de memorie van grieven in samenhang bezien met de memorie van antwoord in incidenteel appel dat grief II van appellant zich beperkt tot de door hem gestelde vordering van erflater op geïntimeerde van € 126.385,-. Blijkens de memorie van antwoord heeft ook geïntimeerde die grief als zodanig heeft opgevat.

22. Het hof stelt vast dat in hoger beroep tussen partijen in confesso is dat ten tijde van zijn overlijden tot het vermogen van erflater behoorde een vordering van € 126.385,- vanwege door erflater ten behoeve van geïntimeerde betaalde schulden. Volgens appellant betreft dit een vordering op geïntimeerde, volgens geïntimeerde een vordering op de vennootschap casu quo vennoten, waarvoor appellant hem op grond van het vonnis van 22 juli 2015 dient te vrijwaren.

23. Het hof is van oordeel dat voormelde geldvordering van erflater deel uitmaakt van de goederen van de nalatenschap als bedoeld in artikel 4:65 BW en derhalve alsnog bij de waarde van die goederen van de nalatenschap moet worden opgeteld. Het hof overweegt voorts dat het procesdossier onvoldoende relevante gegevens bevat om te kunnen vaststellen of de vordering betrekking heeft op schulden van geïntimeerde verband houdende met de vof of op andere schulden van geïntimeerde en wie deze schulden moet dragen. Daar komt bij dat partijen hieromtrent wisselende stellingen innemen. Geïntimeerde heeft in eerste aanleg nog betwist dat erflater schulden van de vof voor zijn rekening zou hebben genomen (productie 9). Dit terwijl appellant in zijn toelichting op grief II melding maakt van een bedrag van ruim
€ 100.000,- dat erflater ten behoeve van de toenmalige vof en de belastingschuld van beide vennoten zou hebben betaald. Het hof begrijpt uit de stellingname van appellant in zijn memorie van antwoord in incidenteel appel dat hij een beroep op verrekening doet, in die zin dat de door hem gestelde schuld van geïntimeerde aan erflater ad € 126.385,- op de legitieme portie van geïntimeerde in mindering moet worden gebracht. Dat erflater een vordering op geïntimeerde had, staat echter blijkens het door partijen gevoerde debat in het geheel niet vast voor het hof, zodat voor (het toepassen van) verrekening geen plaats is.

Schuld van erflater wegens nog af te dragen huurinkomsten

24. Van 2006 tot 1 januari 2012 waren erflater en partijen gedrieën eigenaar van een loods die zij verhuurden aan derden. De huurinkomsten werden naar rato van ieders aandeel verdeeld. Nu tegen de daarop betrekking hebbende overweging (2.9) van de rechtbank in het vonnis van 24 mei 2017 (onder verwijzing naar 4.26 en 4.27 van het tussenvonnis van 12 oktober 2016) niet is gegriefd, staat in hoger beroep vast dat geïntimeerde zijn deel van de huurinkomsten over voormelde periode niet heeft ontvangen, maar dat erflater die gelden - volgens de rechtbank € 32.261,89 - heeft behouden. Geïntimeerde heeft ter zake dus een vordering op erflater.

25. Deze schuld, als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 onder a, van erflater aan geïntimeerde die niet met zijn dood teniet is gegaan, komt op grond van artikel 4:65 BW in mindering op de waarde van de goederen van de nalatenschap.

26. Appellant is het er voorts niet mee eens dat de rechtbank de voormelde vordering van geïntimeerde op het door geïntimeerde berekende bedrag van € 32.261,89 heeft gesteld, in plaats van het door appellant gestelde bedrag van € 6.277,86 (productie 3 bij akte houdende producties na comparitie van partijen).

27. Geïntimeerde heeft de stellingen van appellant gemotiveerd betwist.

28. Het hof is van oordeel dat de rechtbank in haar vonnis van 12 oktober 2016 onder 4.26 en 4.27 ter zake de hoogte van het bedrag van de niet aan geïntimeerde uitgekeerde huurinkomsten terecht heeft geoordeeld zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden.

29. Appellant laat ook in hoger beroep na het door hem opgestelde overzicht van huurinkomsten te onderbouwen met stukken, zodat hij de stelling van geïntimeerde dat die hem toekomende opbrengsten € 32.261,89 bedroegen nog immer onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Evenals de rechtbank gaat het hof derhalve uit van de juistheid van de berekening van geïntimeerde. Het aanbod van appellant in zijn memorie van grieven ‘de door hem opgestelde lijst - waar nodig - van nadere uitleg te voorzien c.q. nader te onderbouwen’ beschouwt het hof als tardief en in strijd met de goede procesorde, zodat het hof daaraan voorbij gaat. Appellant had die nadere onderbouwing meteen in het geding in hoger beroep kunnen en moeten inbrengen.

Proceskosten

30. Appellant is het er niet mee eens dat hij in eerste aanleg in de proceskosten is veroordeeld, aangezien het volgens hem in procedures als de onderhavige gebruikelijk is om de proceskosten tussen partijen te compenseren.

31. Geïntimeerde stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten aanzien van de proceskosten terecht heeft beslist zoals zij heeft gedaan door appellant in zijn hoedanigheid van executeur in de proceskosten te veroordelen en de proceskosten te matigen.

32. Het hof stelt vast dat appellant geen grief heeft gericht tegen de veroordeling door de rechtbank tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van geïntimeerde. De buitengerechtelijke kosten liggen derhalve niet aan het hof voor.

33. Ten aanzien van de proceskosten overweegt het hof dat beide partijen een aandeel hebben in het onderhavige geschil. Om verdere verslechtering van de onderlinge verhouding te voorkomen acht het hof het geraden de proceskosten in de hoofdzaak van zowel het geding in eerste aanleg als het geding in hoger beroep te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het bestreden eindvonnis van 24 mei 2017 dient in zoverre te worden vernietigd. Hetgeen meer of anders is gevorderd zal worden afgewezen.

34. Mitsdien wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden eindvonnis van 24 mei 2017 voor zover het betreft:

  • -

    hetgeen onder 3.1 is bepaald (de legitieme portie)

  • -

    hetgeen onder 3.5 is bepaald (de proceskostenveroordeling)

en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt appellant als executeur in de nalatenschap van erflater om aan geïntimeerde te betalen diens legitieme portie van € 390.786,33, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van 14 november 2012 tot aan de dag van algehele betaling;

compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden vonnissen voor zover haar het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, P.B. Kamminga en C.M. Warnaar en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juli 2018 in aanwezigheid van de griffier.