Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1787

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
24-07-2018
Zaaknummer
BK-17/00932
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:13708, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:2408
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door haar gemaakte en op haar drukkende specifieke zorgkosten hoger zijn dan het door de Inspecteur in aanmerking genomen bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-07-2018
V-N Vandaag 2018/1601
FutD 2018-2109
V-N 2018/55.1.3
Viditax (FutD), 21-12-2018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00932

Uitspraak van 17 juli 2018

in het geding tussen:

[X] , [Z] , belanghebbende,

(gemachtigden: A.M.H. Hogervorst en A.F. van Hecke)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: E.G.M. de Groot en H.B. van Houten-Bücker)

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 23 november 2017, nummer SGR 17/2650, betreffende onder 1.1. vermelde aanslag en beschikking.

Aanslag en beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting en premievolksverzekeringen (de aanslag) opgelegd. Daarbij is een bedrag van € 5.352 aan specifieke zorgkosten niet in aanmerking genomen. Voorts is bij beschikking € 26 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft hiertegen beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 26 juni 2018, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2014 aangifte (de aangifte) gedaan voor de inkomstenbelasting en premievolksverzekeringen (IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.295. In de aangifte zijn, voor zover hier van belang, als persoonsgebonden aftrekpost uitgaven voor de hierna genoemde specifieke zorgkosten opgevoerd.

Medicijnen € 146

Uitgaven voor hulpmiddelen € 595

Uitgaven voor vervoer € 2.190

Extra uitgaven kleding of beddengoed € 310

Genees- en heelkundige hulp € 2.932

Totaal uitgaven specifieke zorgkosten € 6.173

Af: Drempel uitgaven specifieke zorgkosten - € 821

Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten € 5.352

3.2.

Naar aanleiding van de aangifte heeft de Inspecteur bij brief van 29 december 2015 om nadere informatie gevraagd inzake de specifieke zorgkosten. Hij heeft onder meer verzocht om rekeningen en betalingsbewijzen, de vergoedingsspecificaties van de zorgverzekeraar van de afgetrokken kosten, een verklaring dat de kosten niet door de verzekeraar zijn vergoed en het jaaroverzicht van de zorgverzekeraar.

3.3.

Bij brief van 21 maart 2016 heeft de Inspecteur aan belanghebbende laten weten voornemens te zijn af te wijken van de aangifte omdat hij geen informatie over de specifieke zorgkosten heeft gekregen. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief, ontvangen door de Belastingdienst op 5 april 2016 en meegedeeld dat, voor zover hier van belang, de gehele giroboekhouding is overgelegd en dat zij niet de beschikking heeft over een totaaloverzicht van de zorgverzekering.

3.4.

De Inspecteur heeft bij brief van 27 juni 2016 geantwoord dat hij aan de hand van alleen de giroafschriften niet kan beoordelen of de gemaakte kosten voor aftrek in aanmerking komen en dat hij daarom de correctie handhaaft.

3.5.

Met dagtekening 15 juli 2016 is aan belanghebbende een aanslag IB/PVV voor het jaar 2014 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.647.

3.6.

In de bezwaarfase heeft de Inspecteur bij brief van 9 januari 2017 wederom verzocht om nadere informatie betreffende de zorgkosten. In antwoord op dit verzoek heeft belanghebbende bij brief van 17 januari 2017, het volgende geantwoord:

“U vraagt om een overzicht van de verzekeringsmaatschappij. Maar die is dus niet ontvangen. (…)

Bijgaand ontvangt U (nogmaals) de kopie van de aantekeningen aangifte.

Nader hier herhaald:

Aangepaste kleding: ivm borstamputaie: beter vallende kleding, en het warmhouden van de schouder, (inwendig ernstig verminkt ivm bot erosie *) Prothesehouders; €65. (…)

De aangifte was bovendien nog niet compleet. Er was nog sprake van een dieet, bijgaand doktersvoorschrift)( mbt hartfalen) gehouden Hoge Bloeddruk (hypertensie) volgens dieetlijst ad €100

(…)

Auto: zie de garage rekeningen betalingen, extra kosten 2000 wegens nieuwe aanschaf automaat (autodiefstal van nieuwe auto) aftrek normaal 500/ jaar, nu dus door de diefstal 2000 restwaarde, hetgeen dus is gestolen.

alsook 1000 km (te vlaag) geschat x 0,19/ km = 190 #

#. Bezwaar tegen eigen aangifte: werkelijke kosten 3000 km (boodschappen doen met de auto, want zij kan niet sjouwen) a .> €0,76 werkelijke kosten (geschat #) (maar: Uw taak: zie giroafschriften) (wegenbelasting + benzine + verzekering alsmede afschrijving nieuwe auto in 5 jaar) geeft €2280. in plaats van opgevoerde 190

(# km prijs zelfs zeer waarschijnlijk boven de €1)”.

3.7.

Bij brief van 9 februari 2017 heeft de Inspecteur nogmaals om informatie verzocht. Bij brief van 2 maart 2017 heeft de Inspecteur meegedeeld dat indien hij de gevraagde informatie vóór 16 maart niet heeft ontvangen het bezwaarschrift zal worden afgehandeld op basis van de gegevens waarover hij op dat moment beschikt.

3.8.

Bij brief van 21 maart 2017 heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld voornemens te zijn het bezwaar af te wijzen. Bij brief door de Belastingdienst ontvangen op 4 april 2017 heeft belanghebbende het volgende vermeld:

“Onder verwijzing naar alle u reeds toegezonden betaalbewijzen, en algehele giroboekhouding.

Indien u Uw werk doet:

U kunt nazien dat van de fiscaal opgevoerde kosten: niets is ontvangen aan vergoeding. Er valt niet in te zien: waarom een overzicht van de ziektekostenverzekering dit zal veranderen. Zoals al eerder gesteld is: Een dergelijk overzicht is ook niet voorhanden.

Zal moeten worden opgevraagd.

Overigens zal dit daaruit dan ook blijken.

Het is echter aan U te stellen en te bewijzen dat dit onjuist zal zijn opgevoerd.”

3.9.

Bij brief van 6 april 2017 heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen omdat de gevraagde informatie niet is verstrekt en belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de in aftrek gebrachte uitgaven daadwerkelijk zijn gedaan.

3.10.

Ter zitting bij de Rechtbank heeft belanghebbende aangeboden het overzicht met vergoedingsspecificaties van de zorgverzekeraar van 17 maart 2017 over te leggen. De Rechtbank heeft dit stuk niet toegelaten.

Oordeel van de Rechtbank

De Rechtbank heeft, voor zover thans van belang, overwogen:

“ 6. [Belanghebbende] heeft eerst ter zitting aangeboden het overzicht met vergoedingsspecificaties van de zorgverzekeraar van 17 maart 2017 te overleggen. [De Inspecteur] heeft zich hiertegen verzet. De rechtbank heeft het stuk niet toegelaten.

7. Bij de vraag of stukken tot de procedure kunnen worden toegelaten is het volgende van belang. Artikel 8:58, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Deze bepaling beoogt, blijkens de daarop gegeven toelichting, een behoorlijk verloop van de procedure te waarborgen. Uit deze strekking volgt dat de rechter - binnen het kader van een goede procesorde - de mogelijkheid heeft stukken die binnen tien dagen voor de zitting of eerst ter zitting zijn overgelegd al dan niet in de procedure toe te laten (HR 1 oktober 2004, nr. 38.967, ECLI:NL:HR:2004:AR3099, BNB 2005/151). Bij de beslissing of een partij, hoewel de wederpartij daartegen bezwaar maakt, de gelegenheid moet krijgen bewijsstukken ter zitting alsnog over te leggen, zal een afweging moeten plaatsvinden van enerzijds het belang dat die partij heeft bij het overleggen van die stukken en de redenen waarom hij dit niet in een eerdere fase van de procedure voor de feitenrechter heeft gedaan, en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang. (HR 3 februari 2006, nr. 41.329, ECLI:NL:HR:2006:AV0821, BNB 2006/204, HR 16 maart 2007, nr. 42.905, ECLI:NL:HR:2007:BA0721, BNB 2007/222 en HR 10 april 2009, nr. 42681, ECL1:NL:HR:2009:BI0562, BNB 2009/167).

8. [ De Inspecteur] heeft [belanghebbende] meermaals in de gelegenheid gesteld het bedoelde stuk in te brengen (zie brieven van verweerder van 29 december 2015, 21 maart 2016, 9 januari 2017). Bij brief, ingekomen bij verweerder op 23 januari 2017, heeft de gemachtigde geschreven:

"Indien U een opgave wenst van de zorgverzekering, graag Uw nader bericht, dan zal kantoor aan mevrouw verzoeken die op te vragen, (maar strikt nodig lijkt ons dit niet).

Immers uit de giroafschriften U reeds toegezonden, blijkt eea. reeds 100%"

In antwoord hierop heeft de Inspecteur bij brief van 9 februari 2017 wederom aangegeven het overzicht nodig te hebben. Dit overzicht is niet verstrekt. Bij brief, ingekomen bij [de Inspecteur] op 4 april 2017, schrijft de gemachtigde:

"U kunt nazien dat van de fiscaal opgevoerde kosten: niet is ontvangen aan vergoeding. Er valt niet in te zien waarom een overzicht van de ziektekostenverzekering dit zal veranderen.

Zoals al eerder gesteld is: Een dergelijk overzicht is ook niet voorhanden. Zal moeten worden opgevraagd. (...)."

Vervolgens is op 6 april 2017 uitspraak op bezwaar gedaan. De verklaring van de gemachtigde ter zitting dat hij het stuk na de uitspraak op bezwaar aan [de Inspecteur] had opgestuurd en dat [de Inspecteur] het aan de rechtbank had moeten sturen, volgt de rechtbank niet. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat belanghebbende na de uitspraak op bezwaar nog stukken bij [de Inspecteur] heeft ingediend waarvan zij zelf het nut niet zag. Bovendien lag het op haar weg het stuk mee te sturen bij haar beroepschrift dan wel in te brengen als tiendagenstuk toen zij zag dat het niet bij [de Inspecteurs] stukken zat. Het is in strijd met de goede procesorde om eerst ter zitting een stuk waar door [de Inspecteur] meerdere malen om is gevraagd in te brengen.

9. Artikel 6.17, eerste lid, van de Wet IB 2001 noemt als uitgaven voor specifieke zorgkosten, de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor;

a. genees- en heelkundige hulp (...);

b. vervoer;

c. (...);

d. andere hulpmiddelen (...);

e. (...);

f. (...);

g. extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven (...);

h. (...).

10. Ten aanzien van de aftrek van specifieke zorgkosten rust op [belanghebbende], als degene die de aftrek claimt, de bewijslast aannemelijk te maken dat zij dergelijke uitgaven heeft gedaan. Naast het algemene vereiste dat de uitgaven op [belanghebbende] moeten drukken geldt bij specifieke zorgkosten de voorwaarde dat de belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van de uitgaven (artikel 6.1, derde lid, van de Wet IB 2001).

11. [ De Inspecteur] stelt zich terecht op het standpunt dat enkel het overleggen van giroafschriften niet volstaat als bewijs. Belanghebbende heeft met hetgeen zij heeft gesteld niet voldaan aan de op haar rustende bewijslast. Aan [belanghebbende] is meerdere malen om specifieke informatie gevraagd. Zij heeft, op een niet nader onderbouwde medische verklaring van de huisarts ("hartfalen + hoge bloeddruk, medicatie + dieetadvies") en een pagina met handgeschreven aantekeningen na, geen enkel bewijsstuk ter onderbouwing van de doorhaar gestelde op haar drukkende uitgaven ingebracht. De in de aangifte opgenomen aftrek aan specifieke zorgkosten is dan ook terecht niet verleend.

12. Hetgeen [belanghebbende] overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot vermindering van de aanslag.

13. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5. In geschil is of de Inspecteur bij het opleggen van de aanslagen terecht de onder 3.1 en 3.6 vermelde uitgaven wegens specifieke zorgkosten niet in aanmerking heeft genomen.

Conclusies van partijen

6.1.

Zo het gelijk aan belanghebbende is, is niet in geschil dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd, dat de uitspraak op bezwaar dient te worden vernietigd en dat de aftrek van € 5.352 aan specifieke zorgkosten dient te worden verleend.

6.2.

Zo het gelijk aan de Inspecteur is, is niet in geschil dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1

Vooropgesteld zij dat de bewijslast dat recht bestaat op aftrek van specifieke zorgkosten op belanghebbende rust. In dit verband volstaat, gelijk de Rechtbank heeft geoordeeld, het enkel overleggen van bankafschriften niet als bewijs. Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wet IB 2001 mag een belastingplichtige alleen uitgaven in aanmerking nemen als deze op hem drukken. Uit een vergoedingsspecificatie van de zorgverzekeraar kan blijken dat en tot welk bedrag uitgaven ter zake van specifieke zorgkosten zijn vergoed, en dus niet op de belastingplichtige drukken.

7.2.1.

Belanghebbende heeft ter zitting van de Rechtbank aangeboden een overzicht met vergoedingsspecificaties van de zorgverzekeraar van 17 maart 2017 (de specificatie) te overleggen. De Inspecteur heeft zich hiertegen verzet.

7.2.2.

Belanghebbende bestrijdt in hoger beroep het oordeel van de Rechtbank om de specificatie niet toe te laten.

7.2.3.

De Rechtbank heeft voor haar beslissing redengevend geacht (i) dat de Inspecteur belanghebbende meermalen in de gelegenheid heeft gesteld de specificatie in het geding te brengen, (ii) dat het in de rede had gelegen de specificatie bij het beroepschrift mee te sturen (iii) dat belanghebbende de specificatie in het geding had kunnen brengen als tiendagenstuk.

7.2.4.

De enkele omstandigheid dat een belastingplichtige eerder in de gelegenheid is geweest de inspecteur gegevens te verschaffen, is in beginsel onvoldoende reden om hem in de procedure niet alsnog de gelegenheid te geven bewijs te leveren. De Rechtbank heeft bij haar beoordeling of de specificatie (alsnog) kon worden toegelaten terecht geoordeeld dat in het kader van de goede procesorde een afweging moet plaatsvinden tussen enerzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang en anderzijds het belang van de desbetreffende partij bij overlegging van die stukken en de redenen waarom hij dat niet eerder in de procedure heeft gedaan.

7.2.5.

De Inspecteur heeft belanghebbende gedurende circa vijf kwartalen in de gelegenheid gesteld de specificatie te overleggen voordat hij uitspraak op bezwaar deed. In de bezwaarprocedure noch voorafgaand aan de zitting in eerste aanleg heeft belanghebbende de specificatie in het geding gebracht. Een valide verklaring waarom belanghebbende in eerste aanleg de specificatie niet eerder dan ter zitting in het geding wilde brengen heeft zij niet gegeven.

7.2.6.

Onder deze omstandigheden heeft de Rechtbank zonder schending van enige rechtsregel kunnen beslissen de specificatie niet in het geding toe te laten.

7.3.

Belanghebbende heeft haar stelling dat de specificatie al voor de zitting van de Rechtbank in het bezit was van de Inspecteur, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt. Alsdan mist met betrekking tot de specificatie, anders dan belanghebbende betoogt, het bepaalde in artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toepassing en lag het op de weg van belanghebbende om, indien zij wenste dat de specificatie in de beoordeling van het hoger beroep zou worden betrokken, dit stuk bij haar hogerberoepschrift of, met inachtneming van artikel 8:58 van de Awb, als nader stuk over te leggen. Belanghebbende heeft dit echter nagelaten.

7.4.

Belanghebbende heeft in eerste aanleg – zoals de Rechtbank terecht heeft geoordeeld – niet voldaan aan de op haar rustende bewijslast ter zake van de op haar drukkende specifieke zorgkosten. Evenmin heeft belanghebbende in hoger beroep aan de op haar rustende bewijslast voldaan.

Slotsom

7.5.

De slotsom luidt dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Proceskosten en griffierecht

Er zijn geen termen voor een veroordeling van de Inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten noch voor vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door E.M. Vrouwenvelder, P.J.J. Vonk en G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema. De beslissing is op 17 juli 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.