Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1777

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
200.230.407
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WOR, samenstelling ondernemingsraad, verkiezingen, kiesgroepen, zetelverdeling, aantal leden, zittingsduur, procedure kandidatenlijsten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2018/222
AR-Updates.nl 2018-0883
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.230.407/01

Zaaknummer rechtbank: 6342913 HA VERZ 17-116

beschikking van 24 juli 2018

inzake

de gemeenschappelijke ondernemingsraad van Royal IHC,

gevestigd te Kinderdijk, verzoeker in principaal hoger beroep,

verweerder in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de OR,

advocaat: mr. C.P.J. Clarijs te Tilburg,

tegen

  1. IHC Merwede BV,

  2. IHC Merwede Holding BV,

beide gevestigd te Sliedrecht,

verweersters in principaal hoger beroep,

verzoeksters in incidenteel hoger beroep,

hierna gezamenlijk te noemen: Royal IHC,

advocaten: mrs. E.S. de Bock en J. Stolk te Amsterdam.

Het geding

Bij beroepschrift (met bijlagen) ter griffie ingekomen op 27 december 2017 is de OR in (principaal) hoger beroep gekomen van de beschikking van 30 november 2017 van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Dordrecht (hierna: de kantonrechter), zoals verbeterd op 22 december 2017. Bij faxbericht van 3 januari 2018 zond de OR twee aanvullende producties. In genoemde beschikking heeft de kantonrechter de verzoeken van Royal IHC gedeeltelijk toegewezen. De OR heeft zes principale grieven aangevoerd, die door Royal IHC bij verweerschrift in hoger beroep tevens houdend incidenteel beroepschrift (met bijlagen) zijn bestreden. Daarbij heeft Royal IHC (niet genummerde of specifiek als zodanig aangeduide) incidentele grieven aangevoerd, die door de OR bij incidenteel verweerschrift in hoger beroep (met bijlagen) zijn bestreden. Bij brief van 11 juni 2018 heeft de advocaat van de OR een brief met bijlagen aan het hof gestuurd.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 juni 2018, waarbij de advocaten van partijen de zaak hebben toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt. Daarop is een datum van de uitspraak bepaald.

Beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende.

1.1.

Royal IHC maakt deel uit van een internationaal concern dat zich bezighoudt met de bouw van gespecialiseerde schepen voor natte mijnbouw- en baggeractiviteiten, complexe custom built offshore- schepen, engineering, equipment en services die in de schepen worden verwerkt en productondersteuning voor klanten.

1.2.

Royal IHC heeft ongeveer 3.000 werknemers wereldwijd in dienst, waarvan er ongeveer 2.200 in Nederland werken. Daarnaast zijn er voor haar ongeveer 785 ingeleende arbeidskrachten werkzaam in Nederland.

1.3.

De OR is een gemeenschappelijke ondernemingsraad in de zin van art. 3 WOR en is ingesteld voor nagenoeg alle Nederlandse groepsmaatschappijen van Royal IHC. Volgens het OR-reglement van juli 2013 behoort de OR uit 17 leden te bestaan. De OR bestond feitelijk uit 11 leden.

1.4.

De leden van de OR worden gekozen voor een periode van 4 jaar. De zittingsperiode van de personen die ten tijde van de procedure in eerste aanleg lid waren van de OR liep af op 31 december 2017. Deze leden zijn destijds verkozen uit 3 afzonderlijke kandidatenlijsten als bedoeld in art. 9 lid 3 WOR (hierna: kiesgroepen), behorende bij de divisie Offshore, de divisie Dredging en Mining en de divisie Technology & Services.

1.5.

In augustus 2017 heeft de OR het OR-reglement herzien. In geschil zijn de volgende wijzigingen:

 Er wordt niet meer gekozen vanuit de verschillende kiesgroepen, maar vanuit één kiesgroep voor geheel Royal IHC.

 Er is voorzien in de kiesgerechtigdheid en verkiesbaarheid van ingeleende arbeidskrachten.

 Het systeem van het SER- voorbeeldreglement inzake de volgorde en de termijnen voor het indienen van kandidatenlijsten, is overgenomen. Dit houdt in dat de kandidatenlijst van de vakbonden uiterlijk 6 weken voor de verkiezingen worden ingediend, waarna de OR bekend maakt welke vakbonden kandidatenlijsten hebben ingediend. Vervolgens, tot uiterlijk 4 weken voor de verkiezingen, kunnen andere kandidatenlijsten (de vrije kandidatenlijsten) worden ingediend.

1.6.

In eerste aanleg heeft Royal IHC verzocht, voor zover in hoger beroep nog van belang,

  1. te bepalen dat het geheel afschaffen van kiesgroepen in het OR-reglement in strijd is met (een goede toepassing van) de WOR;

  2. de OR te gebieden het OR-reglement aan te passen door twee kiesgroepen op te nemen, metaal en niet-metaal;

  3. de OR te gebieden het OR-reglement aan te passen door de termijn waarbinnen kandidatenlijsten namens de vakbonden en vrije lijsten kunnen worden ingediend op een zelfde moment te laten aanvangen en even lang te laten duren;

  4. e OR te gebieden het OR-reglement aan te passen waardoor ingeleende arbeidskrachten niet verkiesbaar en niet kiesgerechtigd zijn;

  5. zodanige maatregelen te treffen als de kantonrechter geraden acht.

1.7.

Bij de bestreden beschikking van 28 december 2017 heeft de kantonrechter, voor zover in hoger beroep nog van belang en samengevat:

  1. bepaald dat het geheel afschaffen van kiesgroepen in het OR-reglement in strijd is met (een goede toepassing van) de WOR;

  2. de OR geboden het OR-reglement aan te passen door daarin twee kiesgroepen op te nemen, te weten metaal (blue collars) en niet-metaal (white collars), met dien verstande dat het aantal OR-zetels over de beide kiesgroepen verdeeld zal worden in de verhouding 50-50;

  3. de overige verzoeken tot aanpassing van het OR-reglement afgewezen;

  4. e proceskosten gecompenseerd.

2. Naar aanleiding van de bestreden beschikking heeft de OR op 11 januari 2018 het
OR-reglement aangepast conform de beschikking, waarbij het aantal leden (in verband met de door de kantonrechter voorgeschreven 50/50-verdeling) is gesteld op 18. De kiesgroepen zijn hierin aangeduid als "blue collar" en "white collar" De OR-verkiezingen hebben vervolgens – conform dit reglement – plaatsgevonden van 16 tot 20 april 2018. Alle plaatsten zijn gevuld.

3. In principaal hoger beroep heeft de OR verzocht om de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en de verzoeken van Royal IHC uit de eerste aanleg alsnog af te wijzen.

4. In incidenteel hoger beroep heeft Royal IHC verzocht de beschikking van de kantonrechter in zoverre te vernietigen dat de OR wordt geboden – samengevat – het OR-reglement aan te passen door daarin te bepalen dat:

  1. vanaf de eerstvolgende OR-verkiezingen de zittingstermijn van de OR 3 jaar bedraagt;

  2. vanaf de eerstvolgende OR-verkiezingen de herkiesbaarheid van OR-leden wordt bekort tot eenmaal of tweemaal (aldus in totaal maximaal 6 tot 9 jaar OR-lidmaatschap, uitgaande van een zittingsduur van 3 jaar);

  3. bij de eerstvolgende OR-verkiezingen de OR zal bestaan uit een oneven aantal leden met een maximum van 17 leden;

  4. bij de eerstvolgende OR-verkiezingen het aantal OR-zetels over de 2 kiesgroepen metaal (blue collar) en niet-metaal (white collar) zal worden verdeeld in een verhouding 37.5% (metaal/blue collar) en 62.5% (niet-metaal/white collar), aldus bij 17 OR-leden 6 versus 11 OR-leden, althans een verhouding binnen de kiesgroepen zo vast te stellen dat de meerderheid van de OR-leden afkomstig is uit de niet-metaal (white collar) kiesgroep;

  5. bij de eerstvolgende verkiezingen de termijn waarbinnen kandidatenlijsten namens de vakbonden kunnen worden ingediend – zo begrijpt het hof – op eenzelfde moment te laten aanvangen en niet langer te laten duren als voor de vrije kandidatenlijsten;

  6. bij de eerstvolgende verkiezingen ingeleenden, ongeacht welke hoedanigheid zij hebben en ongeacht hoe lang zij (feitelijk) werkzaam zijn voor Royal IHC (en de met haar verbonden onderneming en groepsmaatschappijen), niet verkiesbaar en kiesgerechtigd zijn, althans te bepalen dat dit geldt totdat een eventuele schriftelijke door beide partijen ondertekende overeenkomst als bedoeld in
    art. 6 lid 4 WOR tussen Royal IHC en de OR is gesloten en het reglement in overeenstemming is gebracht met een zodanige schriftelijke door beide partijen ondertekende overeenkomst; en

  7. zodanige (andere) maatregelen te treffen ter bescherming van de belangen van Royal IHC (en de met haar verbonden onderneming en groepsmaatschappijen) en (een goede toepassing van) de medezeggenschap binnen Royal IHC (en de met haar verbonden onderneming en groepsmaatschappijen).

5. De principale grieven hebben alle betrekking op de vraag of de OR moe(s)t worden geboden het OR-reglement aan te passen door daarin twee kiesgroepen op te nemen: metaal (blue collars) en niet-metaal (white collars), waarbij het aantal OR-zetels over de beide kiesgroepen verdeeld zal worden in de verhouding 50-50. Bij verweerschrift in principaal hoger beroep, verzoekschrift in incidenteel hoger beroep 7.4 heeft Royal IHC bij wijze van incidentele grief verzocht de zetelverdeling in de OR vast te stellen op 37,5% voor de blue collars en 62,5% voor de white collars. Deze grieven zien op dezelfde onderwerpen en lenen zich daarom voor gezamenlijke behandeling.

6. Het hof neemt tot uitgangspunt dat de ondernemingsraad een reglement maakt waarin de onderwerpen zijn geregeld die bij of krachtens de WOR aan hem zijn opgedragen of overgelaten (art. 8 lid 1 WOR). Tot deze onderwerpen behoort de verkiezing van de leden van de ondernemingsraad (art. 9 WOR). De ondernemingsraad kan in zijn reglement bepalen dat voor bepaalde groepen van in de onderneming werkzame personen, of voor bepaalde onderdelen van de onderneming, afzonderlijke kandidatenlijsten worden ingediend. Deze kandidatenlijsten/kieslijsten dienen als grondslag voor de verkiezing van een in dit reglement bepaald aantal leden van de ondernemingsraad (art. 9 lid 3, eerste volzin WOR). De ondernemingsraad treft, indien dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR in de onderneming, voorzieningen in zijn reglement opdat de verschillende groepen van de in de onderneming werkzame personen zoveel mogelijk in de ondernemingsraad vertegenwoordigd kunnen zijn (art. 9 lid 4 WOR).

7. Het hof zal eerst beoordelen of het bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR in de onderneming van Royal IHC, om voor de verkiezing van de leden van de OR te werken met twee kiesgroepen: metaal (blue collars) en niet-metaal (white collars). In het bevestigende geval is de OR verplicht het OR-reglement daarop aan te passen/aangepast te houden.

8. Overigens acht het hof de woordkeuze voor white en blue collars ongelukkig, omdat deze traditioneel een rangorde impliceert. Royal IHC heeft echter benadrukt dat het onderscheid niet is ingegeven door een positievere waardering van de groep white collars boven de groep blue collars. Het hof zal deze termen hierna niet gebruiken, omdat deze het debat onnodig “kleur” geven. Het hof zal verder van metaalgebonden medewerkers en niet-metaalgebonden medewerkers spreken en de groepen als Metaal en Niet-metaal aanduiden.

Kiesgroepen

9. Royal IHC stelt dat zij een versnelde transformatie doormaakt van een klassiek metaalbedrijf dat op het maken van een schip is gericht, naar een kennisbedrijf – een integration solution provider – waarbij design & engineering, project management en services voorop staan.

9.1

Als integrated solution provider zal sprake zijn van een KOP/STAART bedrijf waar de focus ligt op (i) design en engineering (KOP - samen met de klant oplossingen voor diens problemen uitwerken) en (ii) de service over de levensduur van de oplossing (STAART- het integrated karakter). Dit proces is onomkeerbaar.

9.2

Door die verdergaande specialisering in engineering, project management en services verandert ook de samenstelling van het personeel. Inmiddels is ongeveer 62,5% van de werknemers actief binnen een niet- metaalgerelateerde functie (de groep Niet- metaal) en heeft 37,5% van de werknemers een metaalgebonden (maak)activiteit (de groep Metaal). Deze verschillende groepen medewerkers hebben ook andere behoeftes.

9.3

De HR afdeling hanteert als één van haar speerpunten voor het HR-beleid in de periode 2017-2020: het moderniseren van arbeidsvoorwaarden, waarbij de keuzevrijheid van deze verschillende groepen medewerkers voorop staat. Royal IHC overweegt daarbij de mogelijkheid voor de niet- metaalgerelateerde medewerkers – op vrijwillige basis – uit de Metaal-CAO en de CAO voor Hoger Personeel met bijbehorende pensioenregeling te stappen, zodat een flexibeler arbeidsvoorwaardenpakket en secundaire (arbeidsvoorwaardelijke) regelingen kunnen worden aangeboden.

9.4

In deze tijd van transformatie wordt de grote uitdaging het aantrekken en vasthouden van talenten om het KOP/STAART model invulling te geven. Hiervoor is een zoektocht bezig naar engineers, service engineers en project manager die internationaal inzetbaar zijn. Die transformatie en zoektocht wordt bevorderd wanneer sprake is van een OR met leden in wie het personeel zich herkent, aldus nog steeds Royal IHC.

10. De vraag is of de niet-metaalgerelateerde medewerkers bepaalde gemeenschappelijke kenmerken hebben, waarmee deze groep zich onderscheidt van de metaalgerelateerde medewerkers, en dat zij daardoor – vanuit een goede werking van de WOR bezien – een redelijk belang hebben bij een afzonderlijke kiesgroep. Naar het oordeel van het hof dient deze vraag bevestigend te worden beantwoord, om de volgende redenen.

10.1

Niet in geschil is dat Royal IHC de in r.o. 9 bedoelde transformatie doormaakt. Er is daardoor inmiddels sprake van twee verschillende groepen medewerkers die zich in ieder geval onderscheiden door de aard van hun activiteiten en hun werkplek. Het gaat dan om de werf voor de klassieke op productie van schepen gerichte activiteiten van de groep Metaal en het kantoor voor het design, de engineering en de service-activiteiten van de groep Niet-metaal.

10.2

Ook in de opvatting van de OR is dat het geval. Zo voert de OR aan dat (i) de verdeling tussen Metaal en Niet-metaal na verloop van tijd en gedurende de zittingsperiode van de OR kan wijzigen als gevolg van de ontwikkelingen binnen Royal IHC (beroepschrift 37), (ii) de situatie zich kan voordoen dat werknemers “van kleur verschieten” omdat zij een functie gaan vervullen die anders gelabeld wordt (beroepschrift 40), (iii) bij het door de OR gehanteerde integrale kiesstelsel (bij de voorbereiding van de verkiezingen conform het reglement van augustus 2017) een evenredige kandidatenverdeling groepen Metaal en Niet-metaal is bereikt (beroepschrift 14), (iv) bij door de transformatie van Royal IHC naar een kennisbedrijf de activiteiten van de groep Metaal onder druk staan (verweerschrift eerste aanleg 23), (v) de OR geen afzonderlijke kieslijsten wenst om een “hokjescultuur” te voorkomen (beroepschrift 16). Dit alles zou zonder betekenis zijn als er van een relevant onderscheid tussen beide groepen geen sprake zou zijn.

10.3

Dit onderscheid komt ook tot uitdrukking in de verschillende belangen van deze groepen bij de transformatie naar een kennisbedrijf. Zo wijst de OR er - als gezegd - op dat door de transformatie de (maak)activiteiten van de metaalgerelateerde medewerkers onder druk staan. De (veelal hoger opgeleide) niet-metaalgerelateerde medewerkers hebben bovendien een ander belang bij de personeels-employment discussie (zie hiervoor onder 9.3) dan de metaalgerelateerde medewerkers. Bij deze ontwikkeling kunnen er uiteenlopende belangen ontstaan tussen deze groepen.

10.4

Het (gemiddelde) opleidingsniveau van de niet-metaalgerelateerde medewerkers is hoger dan dat van de metaalgerelateerde medewerkers. Door de toename van het aantal niet-metaalgerelateerde medewerkers stijgt het percentage hoger opgeleiden (hbo en wo) ten opzichte van het percentage medewerkers met een lbo-achtergond (verweerschrift in hoger beroep 7.4).

10.5

Het hof acht aannemelijk dat dit verschil in opleidingsniveau relevante betekenis heeft voor de arbeidsvoorwaarden. Royal IHC heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken gesteld dat zij er voor de toekomst, in het kader van de transformatie naar streeft om een groot deel van de niet-metaalgerelateerde medewerkers een flexibeler en meer “cafetaria-model” set van arbeidsvoorwaarden aan te bieden en op vrijwillige basis uit de Metaal-CAO en de CAO voor Hoger Personeel met bijbehorende pensioenregeling te stappen (pleitnota Royal IHC in eerste aanleg 4.3.9 en pleitnota Royal IHC in hoger beroep 3.6.2). En dat dit nodig is in haar streven om talenten aan te trekken en vast te houden om het KOP/STAART model van een kennisorganisatie invulling te geven. Ook daarmee is een eigen belang van de niet-metaalgerelateerde medewerkers, in de zin van medezeggenschap over een mogelijk andere (beoogde) rechtspositie en inbedding in de organisatie. Dat op dit moment het niveau van de arbeidsvoorwaarden voor een groot deel van de niet-metaalgerelateerde medewerkers overeenkomt met dat van de metaalgerelateerde medewerkers (pleitnota OR in hoger beroep 12) maakt dit niet anders, maar onderstreept een mogelijk uiteenlopen van belangen tussen beide groepen over verschillende arbeidsvoorwaarden (inleidend verzoekschrift 6.1.6)

10.6

Deze kenmerken van de groep niet-metaalgerelateerde medewerkers maken dat deze groep een eigen – een overigens niet aan het belang van Royal IHC gelijk te stellen – belang heeft bij een kiesgroep. Door de vertegenwoordiging van deze groep in de samenstelling van de OR te borgen, wordt bereikt dat deze in ieder geval in zoverre representatief is voor de onderneming van Royal IHC. Het deelnemen van niet-metaalgerelateerde medewerkers aan de door de OR ingestelde of nog in te stellen deelcommissies en vaste commissies (beroepschrift 28 en 31) vormen geen waarborg voor een representatieve vertegenwoordiging van deze medewerkers in de OR zelve. Dat het bij een integraal kiesstelsel in voorkomend geval ook zo kan uitpakken dat de OR representatief is samengesteld maakt dit niet anders, omdat het er om gaat dat deze samenstelling in het reglement is gewaarborgd.

11. Het hof verwerpt het standpunt van de OR dat Royal IHC streeft naar het beperken van vakbondsinvloed in de OR en daarmee in de onderneming. Dat is niet aannemelijk gemaakt of geworden. Dat meer metaalgerelateerde medewerkers vakbondslid zijn dan niet-metaalgerelateerde medewerkers, is een gegeven. Dat enkele feit is echter onvoldoende om de verdenking te rechtvaardigen dat Royal IHC met haar wens een aparte kiesgroep voor niet-metaalgerelateerde medewerkers te introduceren in feite streeft naar beperking van de vakbondsinvloed in haar onderneming.

11. Het hof verwerpt de overige bezwaren van de OR tegen de verzochte kieslijsten, omdat deze onvoldoende afdoen aan het belang van de niet-metaalgerelateerde medewerkers bij een eigen kiesgroep, om de volgende redenen.

12.1

De OR beroept zich op de resultaten van een onderzoek dat hij met een adviseur heeft gedaan naar wat het beste kiesstelsel is, waaruit naar voren is gekomen dat een integraal kiesstelsel het beste voldoet (beroepschrift 34). Het hof leest in het advies van deze adviseur dat het vertrekpunt van dit onderzoek is dat er geen “hokjescultuur” en “rangen en standen” mochten ontstaan. Met dit vertrekpunt kan niet worden gezegd dat de OR onbevangen de mogelijkheid van kiesgroepen heeft onderzocht. Naar het oordeel van het hof is het bezwaar tegen het ontstaan van een hokjescultuur/rangen en standen – wat daar ook van zij – van minder gewicht dan een representatieve samenstelling van de OR.

12.2

Dat de medewerkers door deze kieslijsten geen kandidaten van de “andere kieslijst” kunnen kiezen is inherent aan het systeem van kieslijsten, terwijl niet aannemelijk is geworden dat dit een onoverkomelijk probleem is.

12.3

Het fluctueren van het aantal niet-metaalgerelateerde medewerkers ten opzichte van metaalgerelateerde medewerkers door het veranderen van de onderneming doet geen afbreuk aan de kenmerken die de groepen onderscheiden. Het kan wel betekenis hebben voor de verdeling van het aantal zetels in de OR, waarover het hof hierna zal oordelen.

12.4

Het hof ziet niet in waarom het bij kiesgroepen per definitie moeilijker zal zijn om al dan niet tussentijdse vacatures in te vullen, dan bij een integraal systeem.

12.5

De OR stelt dat het er om gaat wat er binnen een organisatie leeft en welke behoeftes er onder het personeel zijn. Het is juist dat dit punt van belang is, maar anders dan de OR lijkt aan te nemen, is het niet per definitie beslissend. Daar komt nog bij dat beide partijen emailberichten van medewerkers hebben overgelegd die op dit punt een tegengesteld beeld laten zien. Voor zover de OR wenst te betogen dat er geen relevante/werkelijke behoefte is aan een eigen kiesgroep, is dat onvoldoende onderbouwd.

13. Te beoordelen is dan hoe de zetelverdeling tussen deze twee kiesgroepen dient te zijn.

Zetelverdeling

14. In beginsel geldt bij een systeem met kiesgroepen als uitgangspunt dat de zetelverdeling in de OR evenredig is, dat wil zeggen: proportioneel aan het aantal medewerkers van een kiesgroep ten opzichte van het totaal aantal medewerkers. Dat zou op dit moment neerkomen op 37,5% van de zetels voor de metaalgerelateerde medewerkers en 62,5% voor de niet-metaalgerelateerde medewerkers.

14. De kantonrechter heeft naar redelijkheid en billijkheid een 50/50- verdeling vastgesteld – kort gezegd – omdat de verwachting voor de komende jaren is dat het aantal metaalgerelateerde medewerkers verder zal dalen als gevolg van de transformatie van de onderneming, waarmee deze groep onder druk staat en dus een groot belang heeft bij een deugdelijke vertegenwoordiging in de OR. De huidige OR is op basis van deze verdeling gekozen.

14. Royal IHC stelt dat er geen concrete voornemens bestaan de productiecapaciteit in Nederland verder te verkleinen en er dus geen reden is aan te nemen dat de positie van de metaalgerelateerde medewerkers, in de zin van negatieve personele consequenties, onder druk staat. Zij stelt voorts dat de verwachting is dat het aantal niet-metaalgerelateerde medewerkers de komende jaren verder zal oplopen. Zonder een evenredige zetelverdeling bestaat dan het risico dat de niet-metaalgerelateerde medewerkers gedurende de huidige zittingstermijn nog meer ondervertegenwoordigd zullen raken, aldus nog steeds Royal IHC.

14. Het hof oordeelt als volgt.

17.1.

Niet in geschil is dat de onderneming in een transformatie zit naar een kennisorganisatie. De verwachting is daarmee gerechtvaardigd dat het aantal medewerkers in de groep Niet-metaal zal toenemen ten opzichte van het aantal in de groep Metaal. Dit kan het gevolg zijn van het aannemen van relatief meer niet-metaalgerelateerde medewerkers dan metaalgerelateerde medewerkers, het ontslaan van relatief meer metaalgerelateerde dan niet-metaalgerelateerde medewerkers, of door een combinatie van beide factoren.

17.2.

Daar staat tegenover dat ook niet in geschil is dat Royal IHC een proces in gang heeft gezet om de (huidige en nieuwe) niet-metaalgerelateerde medewerkers op basis van vrijwilligheid onder te brengen/in dienst te nemen bij een recent overgenomen vennootschap: KCI The Engineers BV (hierna: KCI). KCI heeft een eigen, uit het oogpunt van medezeggenschap los van de OR staande ondernemingsraad. Als dit proces zich in relevante mate voltrekt zal dit tot een wezenlijke afname van het aantal niet-metaalgerelateerde medewerkers binnen het medezeggenschapsbereik van de OR kunnen leiden. Dit betekent dat er over de ontwikkeling van de verhouding Niet-metaal ten opzichte van Metaal in de komende paar jaar geen stellige verwachtingen kunnen worden uitgesproken.

17.3.

Van belang is verder dat de OR na de verkiezingen in april 2018 is samengesteld op basis van een kiesgroep voor Metaal en een voor Niet-metaal, waarbij de zetels zijn verdeeld in de verhouding 50/50. Desgevraagd hebben partijen ter zitting verklaard dat – ondanks dat zij hun standpunten ter zake niet prijsgeven – de OR naar behoren/wens functioneert en dat geen van hen tussentijdse verkiezingen nastreeft, ongeacht de uitkomst van dit geding.

17.4.

Bij deze stand van zaken is de vraag of het bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR in de onderneming om nu reeds ten behoeve van de verkiezingen van de OR in het voorjaar van 2022, het OR- reglement op het punt van de zetelverdeling te doen aanpassen en/of wijzigingen daarin terug te draaien. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. De geschetste ontwikkelingen en redelijke verwachtingen zijn zo dynamisch en ingrijpend van karakter dat op dit moment niet kan worden geoordeeld wat een passende zetelverdeling is in 2022. Dit klemt te meer omdat de rechter hier terughoudendheid past, daar het in beginsel aan de ondernemingsraad zelf is in het reglement vast te stellen. Bij aanpassing van de door de kantonrechter vastgestelde zetelverdeling van 50/50 heeft op dit moment geen van beide partijen een belang, omdat de verkiezingen al hebben plaatsgevonden op basis van deze zetelverhouding en partijen geen tussentijdse verkiezing nastreven. Dit betekent dat het hof het verzoek van Royal IHC ten aanzien van de zetelverdeling zal afwijzen bij gebrek aan belang (art. 3:303 BW). Het hof overweegt daarbij dat in deze procedure het belang niet kan zijn gelegen in de herbeoordeling van de compensatie van de proceskosten in eerste aanleg omdat een proceskostenveroordeling in dit geding per definitie niet aan de orde is vanwege het bepaalde in art. 22a WOR.

17.5.

Het hof zal bij wijze van maatregel ter bescherming van een goede toepassing van de medezeggenschap binnen Royal IHC bepalen dat de OR tijdig voorafgaande aan de eerstvolgende verkiezingen beziet of de in het reglement opgenomen zetelverdeling recht doet aan het uitgangspunt van een (in beginsel) evenredige verdeling tussen de kiesgroepen Metaal en Niet-metaal. Om discussies over de tijdigheid te voorkomen bepaalt het hof deze naar billijkheid als: uiterlijk 4 maanden voor de eerstvolgende verkiezingsdatum.

Overige kwesties

18. Royal IHC heeft bij verweerschrift in hoger beroep voorts een aantal verzoeken gedaan omtrent het aanpassen van het OR- reglement ten aanzien van (i) het aantal OR-leden, (ii) de zittingsduur van de OR, (iii) de herkiesbaarheid van de OR- leden, (iv) de procedure ter zake van de kandidatenlijsten bij verkiezingen en (v) het kiesrecht van ingeleenden. Deze verzoeken zijn incidentele grieven, ondanks dat deze niet als zodanig zijn aangeduid.

18. De OR stelt dat Royal IHC bij brief van 12 januari 2018 heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen het door de OR laatstelijk (naar aanleiding van de bestreden beschikking) aangepaste OR- reglement. Dit aangepaste reglement voorziet niet in de door Royal IHC gewenste voorzieningen. Door tegen dit reglement geen bezwaar te hebben heeft Royal IHC daarmee ingestemd. Daaraan verbindt de OR de conclusie – zo begrijpt het hof – dat de verzoeken van Royal IHC reeds daarom niet kunnen worden toegewezen. Op het punt van het kiesrecht van ingeleenden doet de OR een beroep op de in art. 6 lid 4 WOR bedoelde overeenstemming met de ondernemer.

18. Het hof verwerpt de conclusies die de OR aan de brief van 12 januari 2018 verbindt, omdat deze in zijn context moet worden begrepen: Royal IHC had geen bezwaar tegen de wijze waarop de OR uitvoering had gegeven aan de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde bestreden beschikking met het oog op de verkiezingen die waren gepland van 16 tot en met 20 april 2018, maar dat impliceert niet dat zij het ook eens was met die beschikking. Ten tijde van het versturen van deze brief was er al (principaal) hoger beroep ingesteld door de OR, namelijk op 28 december 2017. Zo lang nog niet duidelijk was of Royal IHC had berust in de beschikking (art. 358 lid 1 jo 334 Rv), dan wel incidenteel hoger beroep zou instellen moest de OR er dus rekening mee houden dat ook Royal IHC in hoger beroep zou gaan en deze geschilpunten waarover de kantonrechter had geoordeeld nog bestonden. Dat geldt temeer omdat in deze beschikking op de geschilpunten in het nadeel van Royal IHC was beslist. Het reglement hoefde dus niet te voorzien in de door Royal IHC gewenste punten. Het reglement voorzag wel in de door Royal IHC gewenste kiesgroepen en zetelverdeling, zoals daarover in de beschikking was geoordeeld. Bij die stand van zaken mocht de OR de brief van 12 januari 2018 redelijkerwijze niet zo begrijpen dat Royal IHC zich had neergelegd bij de regeling van deze geschilpunten in het OR-reglement (Haviltex).

18. Dit betekent dat het beroep van de OR op deze brief van 12 januari 2018 bij de diverse punten wordt verworpen.


Aantal OR-leden

22. De OR bestond reglementair aanvankelijk uit 17 leden. Na de beschikking van de kantonrechter heeft de OR dit aantal in het reglement verhoogd naar 18 leden, dit om een 50/50 verdeling mogelijk te maken. Royal IHC verzet zich hiertegen en stelt dat er sprake moet zijn van een oneven aantal leden en maximaal 17 leden. Een opwaartse aanpassing naar 18 leden is volgens Royal IHC onlogisch omdat ook de OR erkent dat hij moeite heeft de OR gevuld te krijgen en te houden.

22. Het hof neemt tot uitgangspunt wat hiervoor in r.o. 17.3 en 17.4 is overwogen ten aanzien van de zetelverdeling. Dit geldt ook op dit punt. Dit betekent dat op dit moment niet kan worden geoordeeld wat een passend aantal leden van de OR is in 2022 en of deze zetels ook kunnen worden gevuld. Het hof zal ook hier bij wijze van maatregel ter bescherming van een goede toepassing van de medezeggenschap binnen Royal IHC bepalen dat de OR tijdig – dat wil zeggen: uiterlijk 4 maanden voor de eerstvolgende verkiezingsdatum – zijn reglement zodanig aanpast dat het aantal leden correspondeert met het (oneven) aantal overeenkomstig art. 6 lid 1 WOR aan de hand van het dan bij Royal IHC in dienst zijnde aantal werknemers, tenzij Royal IHC met een afwijkend aantal instemt.

Zittingsduur OR-leden

24. Royal IHC stelt dat in art. 12 lid 1 WOR is bepaald dat de zittingsduur van de OR
3 jaar is en niet 4 jaar zoals de OR in het OR- reglement heeft bepaald. Een termijn van 3 jaar moet voldoende zijn voor overdracht aan en inwerken van OR- leden. Een periode van 4 jaar is een veel te lange commitment dat wordt gevraagd, aldus nog steeds Royal IHC.

24. Het hof verwerpt dit standpunt van Royal IHC. Het bepalen van de zittingsduur valt bij uitstek in het domein van de OR. De OR heeft aangevoerd dat de ervaring leert dat 4 jaren nodig is om als OR- lid naar behoren te kunnen functioneren en heeft dit onderbouwd aan de hand van verklaringen van OR- leden en voormalige OR- leden. Royal IHC heeft daartegen niet meer ingebracht dan dat zij deze verklaring niet logisch vindt. Dat is van onvoldoende gewicht om te oordelen dat het bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR in de onderneming om de zittingsduur naar 3 jaren terug te brengen.

Beperking herkiesbaarheid

26. Royal IHC stelt dat het voor de goede doorstroom wenselijk is dat de herkiesbaarheid van leden van de OR wordt beperkt tot 1of 2 keer, dus in totaal voor een periode van 6 tot 9 jaar. Op die manier komt er plek voor andere medewerkers met mogelijk nieuwe en frisse ideeën die kunnen meedenken en meebeslissen over Royal IHC. Het hof verwerpt dit standpunt omdat het onvoldoende is onderbouwd. De samenstelling van de OR is afhankelijk van het resultaat van de verkiezingen. Dat er daarbij geen ruimte of kans is voor nieuwe leden is niet aannemelijk, alleen al omdat er (kennelijk) moeite is om de zetels in de OR gevuld te krijgen.

Ingeleenden

27. Kiesgerechtigd zijn de personen die ten minste 6 maanden in de onderneming werkzaam zijn geweest (art. 6 lid 2 WOR). Verkiesbaar tot lid van de ondernemingsraad zijn de personen die gedurende ten minste een jaar in de onderneming werkzaam zijn geweest (art. 6 lid 3 WOR). Deze rechten komen dus toe aan “in de onderneming werkzame personen”. Dat zijn de in art. 1 lid 2 WOR bedoelde personen. Daartoe behoren ook de personen die krachtens een uitzendovereenkomst in de zin van art. 7:690 BW ten minste 24 maanden in de onderneming werkzaam zijn (art. 1 lid 3 onder a WOR).

27. De ondernemer en de ondernemingsraad kunnen, indien dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR in de onderneming, overeenkomen dat ook andere groepen personen gelden als “in de onderneming werkzame personen” in de zin van art. 1 lid 2 WOR. Als deze overeenstemming ontbreekt kan ieder van hen de kantonrechter daarover een beslissing vragen (art. 6 lid 4 WOR).

27. De OR heeft eenzijdig het OR- reglement gewijzigd, aldus dat ook personen die langer dan 24 maanden ingeleend zijn in de onderneming kiesgerechtigd en verkiesbaar zijn. Daarbij gaat het om uitzendkrachten, gedetacheerden, payrollkrachten, oproepkrachten en ZZP'ers.

27. Royal IHC stelt dat zij niet heeft ingestemd met deze wijziging en ook dat deze wijziging niet bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR in de onderneming.

27. De OR voert aan dat Royal IHC wel met de wijziging heeft ingestemd. Al tijdens de verkiezingen van 2009 en 2013 hebben alle ingeleende medewerkers die langer dan 24 maanden zijn ingeleend, meegedaan. De OR heeft destijds aan de HR director om lijsten van deze medewerkers gevraagd en deze ook gekregen. Daar komt bij dat het onderwerp van de flexibele schil met regelmaat onderwerp van overleg met de bestuurder was. Het is bevorderlijk voor een goede toepassing van de WOR om de ingeleenden medezeggenschapsrechten toe te kennen omdat hun aantal – in hoofdzaak metaalgerelateerde functies – naar verwachting de komende jaren zal toenemen. Hun arbeidsomstandigheden en werkplezier zijn niet wezenlijk anders dan de andere in de onderneming werkzame personen, aldus nog steeds de OR.

27. Het hof verwerpt het standpunt van de OR dat Royal IHC heeft ingestemd met de in het geding zijnde medezeggenschapsrechten van ingeleenden. Het enkele feit dat Royal IHC aan de OR lijsten van ingeleenden heeft verstrekt betekent niet per definitie dat zij ermee instemde dat deze personen kiesgerechtigd/verkiesbaar waren. Dat kan onder omstandigheden wel zo zijn, maar deze omstandigheden zijn niet aangevoerd. Dat er regelmatig overleg was over de flexibele schil maakt dit niet anders.

27. De kantonrechter heeft het standpunt van de OR in r.o. 4.16 van de beschikking zo begrepen dat haar een beslissing is gevraagd in de zin van art. 6 lid 4 WOR. Daartegen is geen grief aangevoerd. Het hof zal er daarom van uitgaan dat om een beslissing op dit punt is gevraagd.

27. Het hof ziet geen grond om te oordelen dat het bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR in de onderneming van Royal IHC om bedoelde ingeleenden kiesgerechtigd en verkiesbaar te maken. Royal IHC heeft gesteld dat het aantal ingeleenden wezenlijk af is genomen en dat er op dit moment 79 ingeleenden ten minste 24 maanden bij haar werkzaam zijn (inleidend verzoekschrift 6.3.5 en verweerschrift in hoger beroep 12.4). Dit is niet gemotiveerd betwist. Afgezet tegen een populatie van 2.200 werknemers is dit aantal van 79 verwaarloosbaar. Dat wordt niet anders omdat er in totaal 688 ingeleenden bij Royal IHC werkzaam zijn. Daarvan zijn er dan 609 korter dan 24 maanden werkzaam. Dat de belangen van de laatste groep gelijk zijn aan of op een lijn moeten worden gesteld met de groep van 79 die langer is ingeleend, is niet zonder meer aannemelijk. Door de OR is te weinig aangevoerd om dit te oordelen.

27. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van Royal IHC op dit punt toewijsbaar is.

Procedure kandidatenlijsten

36. De ondernemingsraad stelt in zijn reglement nadere regels voor (onder meer) de kandidaatstelling voor de verkiezingen (art. 10 WOR). Het OR-reglement is in augustus 2017 op dit punt gewijzigd. Zo is bepaald dat de vakbonden als eerste, tot uiterlijk 6 weken voor de verkiezingsdatum kandidatenlijsten kunnen indienen (art. 7 lid 3 OR-reglement). Nadat de OR deze kandidatenlijst bekend heeft gemaakt kunnen er “vrije lijsten” – dat wil zeggen: lijsten met kandidaten die geen lid zijn van een vakbond die kandidaten heeft gesteld – worden ingediend (art. 7 lid 4 OR-reglement) tot uiterlijk 4 weken voor de verkiezingsdatum (art. 7 lid 5 OR-reglement). De OR heeft zich bij deze opzet gericht naar het SER-voorbeeldreglement.

36. Royal IHC stelt zich op het standpunt dat deze opzet niet bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR in de onderneming, omdat de vrije kandidaten daarbij minder tijd hebben om zich te profileren dan de kandidaten op de lijsten van de vakbonden.

36. Het hof verenigt zich met dit standpunt van Royal IHC. Voorop moet staan dat de verkiezingen eerlijk verlopen. Daar hoort in beginsel – uitzonderlijke omstandigheden daargelaten – bij dat voor de kandidaten dezelfde regels gelden. Dit houdt onder meer in dat alle kandidaten evenveel tijd hebben om zich te profileren en dat de daarvoor geldende periode gelijktijdig aanvangt en eindigt. Daarmee bestaat er tussen de kandidaten een level playing field. Dat de vakbonden tijd nodig hebben om over de kieslijsten hun achterban te raadplegen is – zo al juist – van onvoldoende gewicht om aan dit fundamentele beginsel af doen. Daar komt bij dat niet is in te zien waarom de achterbanraadpleging niet intern zou kunnen plaatsvinden, voordat de kandidatenlijst wordt ingeleverd. Het enkele feit dat de OR op dit punt het SER-voorbeeldreglement volgt leidt niet tot een ander oordeel.

36. Dit betekent dat het verzoek van Royal IHC op dit punt zal worden toegewezen, zij het dat dit - gelet op de eerst in 2022 voorziene verkiezingen - niet hoeft te geschieden binnen twee weken na heden, maar tijdig, dat wil zeggen uiterlijk 4 maanden voor de eerstvolgende verkiezingsdatum.

Slotsom

40. Aan bewijslevering komt het hof niet toe nu geen ter zake dienende, dan wel onvoldoende concrete bewijsaanbiedingen zijn gedaan.

40. Uit het voorgaande volgt dat het principaal hoger beroep faalt en het incidenteel hoger beroep gedeeltelijk slaagt. De bestreden beschikking zal uitsluitend worden vernietigd op het punt van de kiesgerechtigdheid en verkiesbaarheid van ingeleenden en op het punt van de procedure voor het indienen van kandidatenlijst. De verzoeken van
Royal IHC ter zake zullen worden toegewezen. Een proceskostenveroordeling is vanwege het bepaalde in art. 22a WOR niet aan de orde.

Beslissing in principaal en in incidenteel hoger beroep

Het hof:

- vernietigt de tussen partijen gewezen beschikking van 30 november 2017 van de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Dordrecht,
voor zover daarbij de verzoeken om (i) de OR te gebieden het OR-reglement aan te passen door de termijn waarbinnen kandidatenlijsten namens de vakbonden en vrije lijsten kunnen worden ingediend op een zelfde moment te laten aanvangen en even lang te laten duren en (ii)e OR te gebieden het OR-reglement aan te passen waardoor ingeleende arbeidskrachten niet verkiesbaar en niet kiesgerechtigd zijn, zijn afgewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- gebiedt de OR om uiterlijk 4 maanden voor de eerstvolgende verkiezingsdatum het
OR-reglement zodanig aan te passen dat:

(i) het aantal leden correspondeert met het (oneven) aantal overeenkomstig
art. 6 lid 1 WOR aan de hand van het dan bij Royal IHC in dienst zijnde aantal werkzame personen, tenzij Royal IHC met een afwijkend aantal instemt;

(ii) de in het reglement opgenomen zetelverdeling recht doet aan het uitgangspunt van een (in beginsel) evenredige verdeling tussen de kiesgroepen Metaal en Niet- metaal;

(iii) bij de eerstvolgende en verdere verkiezingen de termijn waarbinnen kandidatenlijsten namens de vakbonden (werknemersverenigingen) kunnen worden ingediend op eenzelfde moment aanvangen en voor de vrije lijsten ten minste zo lang duren als voor de vakbondslijsten (lijsten van werknemersverenigingen);

(iv) dat ingeleenden, ongeacht welke hoedanigheid zij hebben en ongeacht hoe lang zij (feitelijk) werkzaam zijn voor Royal IHC (en de met haar verbonden ondernemings- en groepsmaatschappijen), niet verkiesbaar en kiesgerechtigd zijn, tenzij Royal IHC alsnog met een andersluidende bepaling instemt;

  • -

    bekrachtigt de beschikking voor het overige;

  • -

    wijst af het anders of meer verzochte;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.S. van Coevorden, M.J. van der Ven en
C.J. Loonstra en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juli 2018 in aanwezigheid van de griffier.