Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1716

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
22-003754-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens diefstal, meerdere malen gepleegd, tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003754-17

Parketnummer: 10-711070-16

Datum uitspraak: 30 mei 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 24 augustus 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1970,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 16 mei 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot 6 weken gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Voorts zijn er beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 15 juni 2016 te Rockanje, gemeente Westvoorne, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een regenpak en/of een blauwe regenjas en/of een groene regenjas/poncho, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2:
hij in of omstreeks de periode van 11 april 2016 tot en met 16 april 2016 te Oostvoorne, gemeente Westvoorne, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 3, althans 1 of meer, RVS werkbanken, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3:
hij in of omstreeks de periode van 12 april 2016 tot en met 13 april 2016 te Oostvoorne, gemeente Westvoorne, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een plantenbakje en/of een deken/plaid en/of 6, althans 1 of meer, ledlampjes, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [aangever 4] niet meer aan de orde is in hoger beroep aangezien hij in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard en hij zich niet opnieuw in hoger beroep heeft gevoegd. Voorts heeft de advocaat-generaal gedeeltelijke toewijzing gevorderd van de benadeelde partij [aangever 5], alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op of omstreeks 15 juni 2016 te Rockanje, gemeente Westvoorne, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een regenpak en/of een blauwe regenjas en/of een groene regenjas/poncho, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2:
hij in of omstreeks de periode van 11 april 2016 tot en met 16 april 2016 te Oostvoorne, gemeente Westvoorne, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 3, althans 1 of meer, RVS werkbanken, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3:
hij in of omstreeks de periode van 12 april 2016 tot en met 13 april 2016 te Oostvoorne, gemeente Westvoorne, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een plantenbakje en/of een deken/plaid en/of 6, althans 1 of meer, ledlampjes, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 en 3 bewezen verklaarde levert telkens op:

diefstal, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van het derde feit moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hiertoe heeft zij – samengevat - aangevoerd dat de verdachte ten tijde van dit feit onder invloed was van (verkeerde) medicatie nu aan hem door de apotheek geen Ropinirol was meegegeven maar Rohypnol. De verdachte verkeerde daardoor in een quasi slaapwandelende toestand, zo heeft hij bijvoorbeeld ook eerst een half uur op het bankje in de tuin van de aangeefster gezeten alvorens hij de spullen heeft meegenomen, geen typerend gedrag voor een dief, aldus de raadsvrouw.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe het volgende.

Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat het feit de verdachte niet kan worden aangerekend nu hij dit feit onder invloed van verkeerde medicatie zou hebben gepleegd. Het gevoerde verweer is daartoe onvoldoende onderbouwd, zowel ten aanzien van het gestelde dat de verdachte toen Rohypnol heeft geslikt als ten aanzien van het gestelde dat de verdachte als gevolg van het gebruik van deze –verkeerde – medicatie kwam te verkeren in een toestand waardoor het begane feit hem niet kan worden toegerekend.

Voorts constateert het hof dat volgens het proces-verbaal van bevindingen van de camerabeelden de verdachte slechts enkele seconden is gaan zitten op het bankje, vervolgens heeft hij de tijd genomen om actief in de tuin rond te kijken alvorens hij daar spullen uit wegnam.

Er is dan ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich verschillende malen schuldig gemaakt aan diefstal. De verdachte heeft met zijn handelen laten blijken geen respect te hebben voor de persoonlijk eigendommen van anderen. Naast financiële schade voor de aangevers leveren dergelijke feiten ook vaak overlast op.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 mei 2018, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is echter naar voren gekomen dat de verdachte zware tijden doormaakt. De verdachte heeft te kampen met psychische problemen als gevolg van PTSS opgelopen als militair. Daarnaast heeft hij lang te kampen gehad met daaruit voortvloeiende verslavingsproblematiek en daarmee samenhangende verwervingscriminaliteit. Voorts heeft de verdachte de volledige zorg op zich genomen voor zijn ernstig zieke vrouw.

Hoewel een gevangenisstraf een passende en geboden reactie op de bewezen verklaarde feiten zou zijn geweest, acht het hof een dergelijke straf gezien deze zwaarwegende persoonlijke omstandigheden niet opportuun. De verdachte heeft nog niet eerder een taakstraf gekregen en ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte naar voren gebracht een taakstraf te prefereren boven een detentie gezien de in feite niet aan een ander overdraagbare zorg voor zijn vrouw.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur daarom een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [aangever 5]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever 5] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 196,38.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 196,38.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 18,43, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte deels betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 18,43 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde immateriële schade (voor aanschaf opritverklikkers en bewegingssensoren) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding, omdat niet is komen vast te staan dat deze - in feite materiële - schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde. Deze gevorderde kosten zijn kosten die zijn gemaakt ter preventie van diefstal in de toekomst.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[aangever 5]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 18,43 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangever 5].

Vordering tot schadevergoeding [aangever 4]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever 4] zich in eerste aanleg als benadeelde partij gevoegd.

Deze vordering is toen niet-ontvankelijk verklaard.

Nu de benadeelde partij [aangever 4] zich in hoger beroep niet opnieuw heeft gevoegd, is deze vordering tot schadevergoeding in hoger beroep niet meer aan de orde.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 5] ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 18,43 (achttien euro en drieënveertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 april 2016 tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever 5], ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 18,43 (achttien euro en drieënveertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 april 2016 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door mr. T.B. Trotman,

mr. I.P.A. van Engelen en mr. O.E.M. Leinarts, in bijzijn van de griffier mr. M.S. Ferenczy.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 mei 2018.

Mr. I.P.A. van Engelen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.