Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1703

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
2200192515
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplichtig aan brandstichting in een woning met behulp van vuurwerk rond jaarwisseling 2013/2014. Veroordeling tot 9 maanden gevangenisstraf waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het hof heeft daarbij o.a. in aanmerking genomen dat de rol van de verdachte van essentieel belang was, nu er sprake was van een gerichte actie vanwege een conflict dat de verdachte had. Onvoldoende aanwijzingen dat verdachte thans detentieongeschikt moet worden geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001925-15

Parketnummer: 10-712045-14

Datum uitspraak: 11 juli 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 april 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[Medeverdachte 2]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
[adres in het buitenland].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het op 8 april 2015 gehouden onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 28 september 2016, 8 februari 2017 en 27 juni 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 januari 2014 te Herkingen, gemeente Goeree-Overflakkee,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de [adres], welke woning deel uitmaakte van een aaneengesloten bebouwing, immers heeft / hebben verdachte en / of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk (een stuk) vuurwerk (Cobra 6) ontstoken en/of in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een restant van) vuurwerk (Cobra 6), althans met (een) brandbare stof(fen), en/of (vervolgens) dit brandende stuk vuurwerk door de brievenbus (en/of aldus in de hal van die woning) gegooid,

ten gevolge waarvan brand is ontstaan in de hal van die woning en/of de brievenbus van de voordeur en/of een gordijn en/of een deurmat en/of schoeisel en/of kleding in die hal geheel of gedeeltelijk is / zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor één of meer belendende voordeur(en) en/of inboedels van de belendende woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of één of meerdere zich in die belendende woning(en) bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen te duchten was;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 3]

op of omstreeks 01 januari 2014 te Herkingen, gemeente Goeree-Overflakkee,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de [adres], welke woning deel uitmaakte van een aaneengesloten bebouwing,

immers heeft / hebben [medeverdachte 3] voornoemd en / of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk (een stuk) vuurwerk (Cobra 6) ontstoken en/of in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een restant van) vuurwerk (Cobra 6), althans met (een) brandbare stof(fen), en/of (vervolgens) dit brandende stuk vuurwerk door de brievenbus (en/of aldus in de hal van die woning) gegooid,

ten gevolge waarvan brand is ontstaan in de hal van die woning en/of de brievenbus van de voordeur en/of een gordijn en/of een deurmat en/of schoeisel en/of kleding in die hal geheel of gedeeltelijk is / zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor één of meer belendende voordeur(en) en/of inboedels van de belendende woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of één of meerdere zich in die belendende woning(en) bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen te duchten was

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 1 januari 2014 te Herkingen, gemeente Goeree-Overflakkee

opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

- te bemiddelen bij de aanschaf van vuurwerk en/of vervolgens

- te zorgen voor geld voor dit vuurwerk en/of

- het adres van die woning te geven aan die [medeverdachte 3] voornoemd.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de opgelegde straf, en dat het hof, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Het hof is, evenals de rechtbank en met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen aan de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

[medeverdachte 3]

op 01 januari 2014 te Herkingen, gemeente Goeree-Overflakkee,

opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de [adres], welke woning deel uitmaakte van een aaneengesloten bebouwing,

immers heeft medeverdachte 3 voornoemd toen aldaar opzettelijk (een stuk) vuurwerk (Cobra 6) ontstoken en (vervolgens) dit brandende stuk vuurwerk door de brievenbus gedaan,

ten gevolge waarvan brand is ontstaan in de hal van die woning en de brievenbus van de voordeur en een gordijn en een deurmat en schoeisel en kleding in die hal geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor [aangever 1] en [aangever 2] te duchten was

tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 1 januari 2014 te Herkingen, gemeente Goeree-Overflakkee

opzettelijk gelegenheid en inlichtingen heeft verschaft door

- te bemiddelen bij de aanschaf van vuurwerk en vervolgens

- het adres van een woning te geven aan die [medeverdachte 3] voornoemd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Het hof merkt in het subsidiair tenlastegelegde de naam “[medeverdachte 3]” aan als een kennelijke verschrijving en leest deze als “[medeverdachte 3]”. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplichtigheid aan

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is medeplichtig geweest aan brandstichting in een woning met behulp van vuurwerk.

De aanleiding daartoe was een conflict dat de verdachte op dat moment had met een man die in het huis ernaast woonde. Deze man moest schrik worden aangejaagd. De verdachte heeft [medeverdachte 3] verteld waar deze man woonde, alsmede bemiddeld bij de aanschaf van vuurwerk. De verdachte wist wat [medeverdachte 3] van plan was. [Medeverdachte 3] is met het vuurwerk – abusievelijk – naar de woning naast het door de verdachte bedoelde pand gegaan, heeft daar een stuk vuurwerk ontstoken en dit brandend stuk vuurwerk door de brievenbus gedaan waardoor brand is ontstaan.

Het hof neemt in aanmerking dat de rol van de verdachte van essentieel belang was, nu er sprake was van een gerichte actie vanwege een conflict dat de verdachte had.

De verdachte treft het ernstige verwijt dat door zijn aandeel in de brandstichting niet alleen gemeen gevaar voor goederen, maar ook levensgevaar voor de bewoners van die woning is ontstaan, die op het moment van de brand lagen te slapen. Er is grote schade toegebracht aan de woning en de daarin aanwezige goederen. Vanwege de brandschade was de woning drie maanden niet bewoonbaar, aldus de verklaring van de aangever.

Dergelijke brandstichtingen zijn ernstige feiten, die angst en onrust in de samenleving en zeker in een kleine gemeenschap als die van Herkingen veroorzaken.

Het hof heeft acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie van 6 juni 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het omtrent de persoon van de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 17 mei 2017, alsmede op de inhoud van de brief van mevrouw M. Kamphorst-Roemer, arts, medisch adviseur Dienst Justitiële Inrichtingen, betreffende de detentiegeschiktheid van de verdachte.

Het hof ziet in hetgeen door de raadsman van de verdachte op de terechtzittingen in hoger beroep van 28 september 2016 en 8 februari 2017 is aangevoerd omtrent de persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, alsmede op grond van de voorhanden zijnde stukken onvoldoende aanwijzingen dat de verdachte thans detentieongeschikt moet worden geacht.

Alles afwegende acht het hof, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, het passend en geboden aan de verdachte een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur op te leggen. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en anderzijds getracht te voorkomen dat de verdachte nieuwe strafbare feiten zal plegen.

Het hof constateert dat het hoger beroep niet binnen twee jaren na het instellen ervan is afgedaan en dat de termijn voor de berechting in hoger beroep met ruim dertien maanden is overschreven. Wat betreft de totale duur van de behandeling in hoger beroep is dan ook sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het hof neemt in aanmerking dat de vertraging in de behandeling van het hoger beroep mede te wijten is aan de verdediging, nu de verdediging heeft verzocht om onderzoek te doen naar de detentiegeschiktheid van de verdachte en de verdachte vervolgens niet adequaat heeft gereageerd op de herhaalde verzoeken tot het (laten) verstrekken van gegevens ten behoeve van de beoordeling van de detentiegeschiktheid. Gelet op deze omstandigheid zal het hof aan dit verzuim geen gevolgen verbinden en in zoverre volstaan met de constatering van deze overschrijding.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 48 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. H. van den Heuvel,

mr. S.A.J. van 't Hul en mr. M.J. de Haan-Boerdijk, in bijzijn van de griffier mr. H. Hafti.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 juli 2018.