Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1697

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
22-002236-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mega Spaarne: Eendaadse samenloop van voorbereidingshandelingen en invoer rond jaarwisseling 2009/2010 van (berekende hoeveelheid van) 1017 kilo cocaïne verstopt in een containerlading whisky. Verdachte was in 2011 in eerste aanleg vrijgesproken. Anders dan de rechtbank acht het hof zowel opzet op de invoer van cocaïne als het medeplegen van die invoer bewezen. Veroordeling tot 5 jaar gevangenisstraf rekening houdend met forse overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002236-11

Parketnummer: 10-750007-10

Datum uitspraak: 11 juli 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 april 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1963,

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

BRP-adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 4 juni 2018, 6 juni 2018 en 27 juni 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van beide ten laste gelegde feiten.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij in of omstreeks de periode van 31 december 2009 tot en met 4 januari 2010

te Rotterdam en/of Amsterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (hieronder mede te verstaan invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), ongeveer 1017 kilogram (netto) cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2:
hij in of omstreeks de periode van 26 november 2009tot en met 4 januari 2010

te Rotterdam en/of Amsterdam en/ofPort of Spain en/of D'ahadie, althans in Nederland en/of Jamaica en/of Trinidad,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 1017 kilogram (netto) cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of,

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):

- de deklading welke ter maskering van de voornoemde hoeveelheid verdovende middelen (te weten dozen King George Whisky) (aan)gekocht en/of

- contact onderhouden met de leverancier van de deklading en/of

- ( een) aanbetaling(en) verricht aan de leverancier van de deklading en/of

- voornoemde hoeveelheid verdovende middelen in Jamaica en/of Trinidad (laten) verpakken in de deklading en deze deklading (laten) in(ge)laden in container (met nummer TCLU 203597-7) met als eindbestemming Nederland en/of

- contact onderhouden met zijn mededader(s) en/of

- inklaringskosten, betreffende de container, waarin de cocaïne (tussen de lading) was verborgen, aan CMA te (laten) betalen en/of

- vervoer van de container (laten) regelen door [douane expediteur] en/of

- kosten van het vervoer van de container voldaan aan [douane expediteur] en/of

- een bedrijfsterrein en/of loods en/of pand (gelegen aan de [adres loods] te Amsterdam) geregeld en/of ter beschikking gesteld ten behoeve van de op en/of overslag van voornoemde hoeveelheid verdovende middelen en/of de bijbehorende deklading en/of

- ( de) container(s) (waarin cocaïne was verborgen) (persoonlijk) in ontvangst genomen in die loods of dat pand en/of

- de inhoud van de container, de deklading uitgepakt en/of laten uitpakken en/of sorteren in de loods aan de [adres loods] en/of

- een busje geregeld ten behoeve van het (verdere) vervoer van dozen met verdovende middelen en/of deklading en/of

- de container en en/of de loods en/of het busje voortdurend heeft en/of hebben (laten) bewa(a)k(t)en en/of

- de gesorteerde dozen ingepakt en/of laten inpakken in een busje en/of

- de gesorteerde dozen vanaf de loods aan de [adres loods] verder hebben (laten) vervoer(d)en.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de gevangenneming van de verdachte zal worden bevolen bij de einduitspraak.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij in of omstreeks de periode van 31 december 2009 tot en met 4 januari 2010

te Rotterdam en/of Amsterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (hieronder mede te verstaan invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), ongeveer 1017 kilogram (netto) cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2:
hij in of omstreeks de periode van 26 november 2009 tot en met 4 januari 2010

te Rotterdam en/of Amsterdam en/ofPort of Spain en/of D'ahadie, althans in Nederland en/of Jamaica en/of Trinidad,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 1017 kilogram (netto) cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of,

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):

- de deklading welke ter maskering van de voornoemde hoeveelheid verdovende middelen (te weten dozen King George Whisky) (aan)gekocht en/of

- contact onderhouden met de leverancier van de deklading en/of

- (een) aanbetaling(en) verricht aan de leverancier van de deklading en/of

- voornoemde hoeveelheid verdovende middelen in Jamaica en/of Trinidad (laten) verpakken in de deklading en deze deklading (laten) in(ge)laden in container (met nummer TCLU 203597-7) met als eindbestemming Nederland en/of

- contact onderhouden met zijn mededader(s) en/of

- inklaringskosten, betreffende de container, waarin de cocaïne (tussen de lading) was verborgen, aan CMA te (laten) betalen beta(a)l(d)en en/of

- vervoer van de container (laten) regelen door [douane expediteur] en/of

- kosten van het vervoer van de container voldaan aan [douane expediteur] en/of

- een bedrijfsterrein en/of loods en/of pand (gelegen aan de [adres loods] te Amsterdam) geregeld en/of ter beschikking gesteld ten behoeve van de op- en/of overslag van voornoemde hoeveelheid verdovende middelen en/of de bijbehorende deklading en/of

- (de) container(s) (waarin cocaïne was verborgen) (persoonlijk) in ontvangst genomen in die loods of dat pand en/of

- de inhoud van de container, de deklading uitgepakt en/of laten uitpakken en/of sorteren gesorteerd in de loods aan de [adres loods] en/of

- een busje geregeld ten behoeve van het (verdere) vervoer van dozen met verdovende middelen en/of deklading en/of

- de container en en/of de loods en/of het busje voortdurend heeft en/of hebben (laten) bewa(a)k(t)en en/of

- de gesorteerde dozen ingepakt en/of laten inpakken in een busje en/of

- de gesorteerde dozen vanaf de loods aan de [adres loods] verder hebben (laten) vervoer(d)en.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig de overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota, het verweer gevoerd dat de verdachte van de beide ten laste gelegde feiten behoort te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad nu hij geen wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van cocaïne. Evenmin is er volgens de raadsman sprake van medeplegen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat op zaterdag 2 januari 2010 door de douane Rotterdam in een container met het nummer TCLU 203597-7 een berekende hoeveelheid van 1017 kilo cocaïne werd aangetroffen in een deklading van tien pallets met in totaal 900 dozen whisky. Op vijf van de tien pallets waren in totaal 74 dozen met daarin pakketten cocaïne in plaats van flessen whisky aangetroffen. De cocaïne zat telkens in de op het pallet in het midden geplaatste dozen, welke dozen – anders dan alle andere dozen - voorzien waren van tape met daarop de in het rood gedrukte tekst “Diageo”.

Nadat de cocaïne met uitzondering van tien gram door zogenoemd dummy materiaal was vervangen zijn de pallets weer in originele staat opgebouwd, waarna de container verder zijn weg heeft vervolgd.

Bij [douane expediteur] had zich op 22 december 2009 iemand gemeld met de naam [betrokkene 2] namens [drankenhandel], welk bedrijf volgens de aankoopfactuur koper van de partij drank was. Deze [betrokkene 2] had op 31 december 2009 een bedrag van € 51.200,- aan inklaringskosten overgemaakt door tussenkomst van [koeriersdienst], het bedrijf van [betrokkene a], gevestigd in een loods op de [adres loods] in Amsterdam. Op 4 januari 2010 had deze [betrokkene 2] via e-mail en telefoon meermalen contact met [douane expediteur] waaruit bleek dat bij [douane expediteur] nog een restantbetaling moest worden voldaan, waarna de container verder naar de door [betrokkene 2] opgegeven afleverlocatie kon worden vervoerd. Deze afleverlocatie was de (hierboven reeds genoemde) loods op het adres [adres loods] in Amsterdam (hierna ook: de loods).

Op 4 januari 2010 aan het begin van de middag werd de verdachte met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tijdens een observatie gezien bij het kantoor van [douane expediteur]. [medeverdachte 2] heeft daar bij [douane expediteur] de restantbetaling, een bedrag van bijna tienduizend euro, voor de container contant voldaan, waarna de drie om 12:41 uur in dezelfde auto zijn vertrokken.

Om 14:25 uur werd de geparkeerde auto van de verdachte bij de loods gezien. Om 14:42 uur werd een witte bestelbus gezien, welke bij de loods naar binnen reed. De verdachte blijkt deze bus eind december 2009 te hebben gehuurd. Uit het Online Tracking System systeem is gebleken dat deze bus om 13:01 uur bij het autoverhuurbedrijf in Rotterdam is vertrokken en om 14:22 uur op de [adres loods] aankomt en vervolgens rond 14:40 uur weer wordt verplaatst en kennelijk – gelet op de observatiegegevens – naar de loods wordt gereden. Later die middag tussen 16:35 en 16:45 uur werd de genoemde container bij de loods afgeleverd. Daarna werd gezien dat de verdachte rondjes in de onmiddellijke omgeving van de loods reed.

In de loods werden de 74 dozen met dummy materiaal samen met nog 20 dozen whisky van vijf pallets af gehaald en overgeladen in de witte bestelbus. De andere vijf pallets met 450 dozen zonder dummy materiaal bleven onaangeroerd. Op door de inzet van OVC verkregen geluidsbestanden is te horen dat er in de loods gedurende die activiteiten met dozen werd geschoven en dat er door de aanwezigen in de loods over “die rode” en “al die rode daar, alles met rood” werd gesproken. Ook werd er geteld en gezegd dat het “op 74” moet uitkomen en dat “een paar goeie” voorin gezet werden.

Uit historische telefoongegevens blijkt dat de verdachte op 4 januari 2010 meermalen telefonisch contact had met [medeverdachte 1] en de [medeverdachte 3].

Door opsporingsambtenaren is geconstateerd dat er sprake was van contraobservatie rond de loods.

De witte bestelbus, bestuurd door [medeverdachte 1] vergezeld door [medeverdachte 2], vertrok om 18:24 uur uit de loods. De verdachte reed meteen achter de witte bestelbus aan.

Bijna twee uur later stopte de witte bestelbus om 20:19 uur bij een tankstation in Zevenhuizen/Moerkapelle. Kort daarvoor had de verdachte zijn auto in de directe omgeving geparkeerd. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] werden bij het tankstation aangehouden. De verdachte vertrok hierop in zijn auto en werd vijftien minuten later - lopend - aangehouden. Bij de doorzoeking van de bestelbus werden 74 dozen (met de dummypakketten en het teruggeplaatste monster cocaïne) aangetroffen die waren dichtgeplakt met tape met in rode letters het opschrift “Diageo”. Daarnaast waren – het dichtst bij de laaddeur - 20 dozen aangetroffen, zonder het eerdergenoemde tape en met whiskyflessen gevuld.

Voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, brengen het hof tot het oordeel dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met zijn medeverdachten in de zin van medeplegen bij de (verlengde) invoer van cocaïne in de container met nummer TCLU 203597-7. Hierbij heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat de verdachte zich net als zijn broer [medeverdachte 1] in de directe nabijheid bevond zowel op het moment van het door [medeverdachte 2] (contant) betalen van het restantbedrag bij [douane expediteur] in Rotterdam, als tijdens het overladen van de goederen bij de loods in Amsterdam, alsmede bij het in de witte bestelbus verder vervoeren van de vermeende hoeveelheid verdovende middelen. Uit het feit dat hij degene vervoerde die de betaling verrichtte, hij degene was die de huur van het witte bestelbusje heeft geregeld, de loods en omgeving voorafgaande en tijdens het overladen in de gaten heeft gehouden, en het busje - met inmiddels de vermeende cocaïne - gedurende het verdere vervoer steeds heeft gevolgd, volgt dat hij hierbij een belangrijke rol heeft vervuld.

Voorts overweegt het hof dat de oorspronkelijk op 2 januari 2010 in Rotterdam in de container aangetroffen hoeveelheid cocaïne een economische waarde van vele miljoenen euro’s vertegenwoordigt.

Op grond van algemene ervaringsregels gaat het hof er van uit dat organisatoren van een dergelijk transport het risico van mislukking zoveel mogelijk zullen verkleinen. Aldus zullen uitsluitend diegenen bij het transport worden betrokken die te vertrouwen zijn en die personen worden goed geïnstrueerd en geïnformeerd.

Intensieve betrokkenheid met de invoer en/of het verdere vervoer in Nederland van een dergelijke partij cocaïne is gezien deze algemene ervaringsregels niet te verenigen met de door de verdediging gestelde omstandigheid dat betrokkenen - waaronder ook de verdachte - niet op de hoogte zouden zijn geweest van de aard van de te transporteren goederen.

Het hof stelt dan ook vast dat de verdachte heeft geweten van de inhoud van de container, zoals deze op 2 januari 2010 door de douane is ontdekt. Dat de verdachte slechts bij toeval in de buurt van de loods was, omdat hij daar in de buurt bij een Mercedes-garage moest zijn is op geen enkele manier aannemelijk geworden. Evenmin kan geloof worden gehecht aan zijn verklaring dat hij onbewust – en dus toevallig - ruim twee uur achter de door zijn broer bestuurde witte bestelbus is aan gereden.

Het hof verwerpt het verweer.

Verzoek verdediging

Ten aanzien van het (voorwaardelijk) verzoek van de raadsman van de verdachte om een kopie van de pleitnota in eerste aanleg van de raadsman van [medeverdachte 2] alsmede het uitgewerkte vonnis van de rechtbank in die zaak te ontvangen, overweegt het hof dat hetgeen is vermeld in deze stukken in de zaak van [medeverdachte 2] – mede gelet op de motivering van dat verzoek - niet noodzakelijk is voor enige door het hof te nemen beslissing in de zaak van de verdachte. Het hof zal het verzoek derhalve afwijzen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

en

medeplegen van het voorbereiden en bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen en gelden voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de (eendaadse samenloop van) opzettelijke (verlengde) invoer van een zeer grote partij cocaïne via de haven van Rotterdam en de voorbereiding en bevordering daarvan. De wijze waarop dit gebeurde getuigt van een professionele en gedegen voorbereide aanpak. De partij was immers op gewiekste wijze verstopt in een containerlading whisky, aangevoerd vanuit overzees gebied, en ook bij het verdere vervoer en het over- en inladen in de loods gingen verdachte en zijn medeverdachten gestructureerd te werk. Het spreekt voor zich dat deze hoeveelheid cocaïne bestemd was voor de verdere handel, waarmee zeer grote sommen geld gemoeid zouden zijn. Nog afgezien van het feit dat cocaïneschadelijk is voor de volksgezondheid, gaat het gebruik ervan niet zelden gepaard met vele andersoortige vormen van criminaliteit. Het binnen het Nederlandse grondgebied brengen van deze stoffen, in deze omvang en het voorbereiden daarvan zijn dan ook ernstige feiten waarop slechts gereageerd kan worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur.

Bij het bepalen van die duur houdt het hof rekening met de bij de invoer vervulde rol van de verdachte.

Zoals overwogen ten aanzien van het bewijs gaat het hof er van uit dat de verdachte een rol van betekenis heeft gehad in een groter geheel van betrokken personen die elk een bijdrage aan de invoer hebben geleverd. Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof in de verschillende - maar zich niet per se in zwaarte van elkaar onderscheidende - rollen die de verdachten als medeplegers hebben gespeeld bij de invoer en het voorbereiden en bevorderen daarvan geen aanleiding om onderscheid te maken in de op te leggen straffen.

Daarnaast heeft het hof gelet op de uit uitspraken van rechterlijke colleges blijkende straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Het hof heeft voorts acht geslagen op de oriëntatiepunten die worden gehanteerd bij de straftoemeting. Deze houden in dat bij hoeveelheden van 20 kilogram of meer een straf vanaf 60 maanden gevangenisstraf aangewezen is in een standaardgeval.

Het hof heeft, evenals het openbaar ministerie en de verdediging, vastgesteld dat de behandeling van deze zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgehad binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Immers is na het instellen van het hoger beroep door de officier van justitie ruim zeven jaar verstreken voordat het hof in deze zaak arrest heeft gewezen.

Het hof hecht er hierbij wel aan op te merken dat een deel van deze overschrijding is toe te schrijven aan het uitvoering geven aan onderzoekswensen van de verdediging, meer in het bijzonder het horen van (niet of lastig traceerbare) getuigen in het buitenland. Desalniettemin geldt dat voornoemde overschrijding grotendeels buiten de beïnvloedingssfeer van de verdediging is ontstaan.

Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf. Aldus zal het hof, in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, die zonder overschrijding van de redelijke termijn zou zijn opgelegd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 5 jaren.

Vordering tot gevangenneming

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de gevangenneming van de verdachte zal worden bevolen bij einduitspraak. De verdediging heeft zich daartegen verzet.

Het hof acht, mede gelet op het tijdsverloop in deze, geen termen aanwezig om thans de gevangenneming van de verdachte te gelasten. Het hof wijst de vordering derhalve af.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 47, 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst af de vordering tot gevangenneming van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries, mr. T.B. Trotman en mr. L.C. van Walree, in bijzijn van de griffier mr. H. van den Hove.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 juli 2018.