Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1696

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
22-002235-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mega Spaarne: Eendaadse samenloop van medeplegen van voorbereidingshandelingen en invoer rond jaarwisseling 2009/2010 van (berekende hoeveelheid van) 1017 kilo cocaïne verstopt in een containerlading whisky. Veroordeling tot 5 jaar gevangenisstraf rekening houdend met forse overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Verdachte was in 2011 in eerste aanleg vrijgesproken. Anders dan de rechtbank acht het hof opzet op de aanwezigheid van cocaïne in de container bewezen. O.a. verwerping van tot niet-ontvankelijkheid van het OM strekkend verweer wegens niet dan wel pas in tweede aanleg verstrekken van (deel) stukken uit ander onderzoek (Tidore).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002235-11

Parketnummer: 10-750006-10

Datum uitspraak: 11 juli 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 april 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1975,

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 4 juni 2017, 25 juni 2018 en 27 juni 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van de beide het ten laste gelegde feiten.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig de overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen, primair het verweer gevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd – kort en zakelijk weergegeven - dat in het onderzoek naar de verdachte opzettelijk cruciale stukken aan de verdediging (en de zittingsrechter) feitelijk, maar zonder daartoe te beslissen, zijn onthouden. Het kan bijna niet anders dan dat de politie en het Openbaar Ministerie op de hoogte waren van de komst van de container met cocaïne met nummer TCLU 203597-7 op 2 januari 2010.

Het ging daarom niet om een routine-controle door de douane maar de controle moet onderdeel hebben uit gemaakt van een al langer lopende gerichte opsporingsactie in het kader van het meer omvattende onderzoek genaamd Tidore. Hierover is niet volledig en waarheidsgetrouw in de stukken gerelateerd, waardoor geen effectieve controle op de inhoud van het dossier en de handelswijze van het Openbaar Ministerie mogelijk is.

Om deze redenen is volgens de raadsman sprake van onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en daardoor tevens geen sprake van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

Subsidiair heeft de raadsman verzocht om alsnog het dossier Tidore aan de stukken toe te voegen alsmede een nieuwe uitwerking en vertaling van de opgenomen gesprekken in het deeldossier Action waarvan de verdachte de uitwerking heeft betwist.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Door het Openbaar Ministerie is naar voren gebracht dat in het deelonderzoek Action (hetgeen deel uitmaakt van het Tidore opsporingsonderzoek) alle aanhoudingen en de meeste ambtshandelingen zijn verricht na het gewezen vonnis in de zaak van de verdachte, daarnaast zijn alle opsporingsmiddelen die ten aanzien van de verdachte zijn ingezet, verantwoord in het onderzoek Spaarne.

Het hof heeft geen enkele aanleiding om aan die mededeling te twijfelen. Voor zover het niet verstrekken van ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg wèl voorhanden zijnde stukken uit deelonderzoek Action al als een vormverzuim zou moeten worden betiteld, is – mede gelet op de vrijspraak door de rechtbank – niet benoemd welk nadeel daardoor voor de verdachte is veroorzaakt.

Nu het deelonderzoek Action in hoger beroep alsnog aan het dossier is toegevoegd, is in zoverre een mogelijk vormverzuim overigens hersteld zodat reeds om die reden het op artikel 359a Sv gebaseerde verweer niet kan slagen.

Voor zover het verweer van de raadsman ziet op alle overige – niet verstrekte, dan wel niet aan het dossier toegevoegde - stukken uit het onderzoek Tidore, overweegt het hof als volgt.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat op grond van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, noch naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting gebleken is dat in het voorbereidend onderzoek naar de verdachte op enig moment voor enig in het kader van de strafzaak te nemen beslissing relevante stukken aan de verdediging feitelijk zouden zijn onthouden.

Het hof overweegt hiertoe dat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte eerder bij het opsporingsteam in beeld is gekomen of anderszins bekend is geworden dan op het moment dat [douane expediteur] onder observatie werd genomen.

Deze observatie hing samen met het door justitie ingezette gecontroleerde afleveringstraject en dus het volgen van de container met nummer TCLU 203597-7, nadat hierin twee dagen eerder cocaïne was aangetroffen tijdens een controle door de Douane en waarbij dit adres naar voren kwam als afleverlocatie. Op geen enkele wijze is gebleken dat deze controlebevoegdheid is uitgeoefend op onrechtmatige wijze jegens de verdachte of dat in een eerder stadium bijzondere opsporingsbevoegdheden zijn gebruikt of andere inbreuken op de vrijheden van de verdachte zouden zijn gemaakt.

Het hof kan dan ook niet inzien op welke wijze tekort is gedaan aan de belangen van de verdachte of hoe hij de hem toekomende verdedigingsrechten onvoldoende heeft kunnen benutten waardoor hij geen eerlijk proces zou hebben gehad. Er is daarom noch sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv noch van schending van artikel 6 EVRM.

Het verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van het subsidiaire verzoek om alsnog het volledige dossier Tidore aan de stukken toe te voegen overweegt het hof dat, mede gelet op wat hiervoor is overwogen, op grond van hetgeen daartoe is aangevoerd, noch op grond van de inhoud van het dossier en de behandeling ter terechtzitting is gebleken dat het toevoegen van het dossier Tidore noodzakelijk is voor enige door het hof in de zaak tegen de verdachte te nemen beslissing. Het hof volgt de raadsman voorts niet in zijn stelling dat de toevoeging van genoemde stukken uit Tidore noodzakelijk zou zijn als compensatie voor het niet kunnen ondervragen van de in hoger beroep toegewezen getuigen. Compenserende maatregelen zijn immers pas aan de orde als het getuigenbewijs van beslissende betekenis is voor de bewijsvraag en in het geval de verdediging het ondervragingsrecht niet of onvoldoende heeft kunnen uitoefenen. Die situatie doet zich hier niet voor.

Voor het subsidiaire verzoek om de door de verdachte - niet nader gespecificeerde maar slechts in algemene termen - gewraakte getapte gesprekken in de zaak Action nogmaals te laten uitwerken en vertalen overweegt het hof dat ook hiertoe de noodzaak noch op grond van hetgeen daartoe is aangevoerd, noch op grond van de inhoud van het dossier en de behandeling ter terechtzitting voor enige door het hof in de zaak tegen de verdachte te nemen beslissing is gebleken.

Het hof wijst beide subsidiair gedane verzoeken derhalve af.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij in of omstreeks de periode van 31 december 2009 tot en met 4 januari 2010 te Rotterdam en/of Amsterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (hieronder mede te verstaan invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), ongeveer 1017 kilogram (netto) cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


2:
hij in of omstreeks de periode van 26 november 2009tot en met 4 januari 2010

te Rotterdam en/of Amsterdam en/ofPort of Spain en/of D'ahadie, althans in Nederland en/of Jamaica en/of Trinidad,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 1017 kilogram (netto) cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of,

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):

- de deklading welke ter maskering van de voornoemde hoeveelheid verdovende middelen (te weten dozen King George Whisky) (aan)gekocht en/of

- contact onderhouden met de leverancier van de deklading en/of

- ( een) aanbetaling(en) verricht aan de leverancier van de deklading en/of

- voornoemde hoeveelheid verdovende middelen in Jamaica en/of Trinidad (laten) verpakken in de deklading en deze deklading (laten) in(ge)laden in container (met nummer TCLU 203597-7) met als eindbestemming Nederland en/of

- contact onderhouden met zijn mededader(s) en/of

- inklaringskosten, betreffende de container, waarin de cocaïne (tussen de lading) was verborgen, aan CMA te (laten) betalen en/of

- vervoer van de container (laten) regelen door [douane expediteur] en/of

- kosten van het vervoer van de container voldaan aan [douane expediteur] en/of

- een bedrijfsterrein en/of loods en/of pand (gelegen aan de Papaverweg 32b te Amsterdam) geregeld en/of ter beschikking gesteld ten behoeve van de op en/of overslag van voornoemde hoeveelheid verdovende middelen en/of de bijbehorende deklading en/of

- ( de) container(s) (waarin cocaïne was verborgen) (persoonlijk) in ontvangst genomen in die loods of dat pand en/of

- de inhoud van de container, de deklading uitgepakt en/of laten uitpakken en/of sorteren in de loods aan de Papaverweg 32b en/of

- een busje geregeld ten behoeve van het (verdere) vervoer van dozen met verdovende middelen en/of deklading en/of

- de container en en/of de loods en/of het busje voortdurend heeft en/of hebben (laten) bewa(a)k(t)en en/of

- de gesorteerde dozen ingepakt en/of laten inpakken in een busje en/of

- de gesorteerde dozen vanaf de loods aan de papaverweg 32b verder hebben (laten) vervoer(d)en.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij in of omstreeks de periode van 31 december 2009 tot en met 4 januari 2010 te Rotterdam en/of Amsterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (hieronder mede te verstaan invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), ongeveer 1017 kilogram (netto) cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


2:
hij in of omstreeks de periode van 26 november 2009 tot en met 4 januari 2010

te Rotterdam en/of Amsterdam en/ofPort of Spain en/of D'ahadie, althans in Nederland en/of Jamaica en/of Trinidad,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 1017 kilogram (netto) cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of,

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):

- de deklading welke ter maskering van de voornoemde hoeveelheid verdovende middelen (te weten dozen King George Whisky) (aan)gekocht en/of

- contact onderhouden met de leverancier van de deklading en/of

- (een) aanbetaling(en) verricht aan de leverancier van de deklading en/of

- voornoemde hoeveelheid verdovende middelen in Jamaica en/of Trinidad (laten) verpakken in de deklading en deze deklading (laten) in(ge)laden in container (met nummer TCLU 203597-7) met als eindbestemming Nederland en/of

- contact onderhouden met zijn mededader(s) en/of

- inklaringskosten, betreffende de container, waarin de cocaïne (tussen de lading) was verborgen, aan CMA te (laten) betalen beta(a)l(d)en en/of

- vervoer van de container (laten) regelen door [douane expediteur] en/of

- kosten van het vervoer van de container voldaan aan [douane expediteur] en/of

- een bedrijfsterrein en/of loods en/of pand (gelegen aan de Papaverweg 32b te Amsterdam) geregeld en/of ter beschikking gesteld ten behoeve van de op en/of overslag van voornoemde hoeveelheid verdovende middelen en/of de bijbehorende deklading en/of

- (de) container(s) (waarin cocaïne was verborgen) (persoonlijk) in ontvangst genomen in die loods of dat pand en/of

- de inhoud van de container, de deklading uitgepakt en/of laten uitpakken en/of sorteren gesorteerd in de loods aan de Papaverweg 32b en/of

- een busje geregeld ten behoeve van het (verdere) vervoer van dozen met verdovende middelen en/of deklading en/of

- de container en en/of de loods en/of het busje voortdurend heeft en/of hebben (laten) bewa(a)k(t)en en/of

- de gesorteerde dozen ingepakt en/of laten inpakken in een busje en/of

- de gesorteerde dozen vanaf de loods aan de Papaverweg 32b verder hebben (laten) vervoer(d)en.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Beoordeling verweren strekkende tot bewijsuitsluiting

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig de overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen, het verweer gevoerd dat de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en de verklaringen van [betrokkene 1] moeten worden uitgesloten van het bewijs. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdediging de genoemde getuigen niet in persoon heeft kunnen horen, waardoor de verdachte in zijn verdedigingsbelang is geschaad, terwijl de verklaringen onvoldoende worden gesteund door andere bewijsmiddelen met zelfstandige betekenis.

Hetzelfde geldt voor de TCI-processen-verbaal en de Ipol-processen-verbaal, ten aanzien waarvan de anonieme bronnen niet door de verdediging konden worden gehoord. De raadsman verzoekt daarbij alsnog om voornoemde (anonieme) getuigen te horen.

Tot slot heeft de raadsman bepleit dat ook het deeldossier Action van het bewijs dient te worden uitgesloten. Volgens de verdachte zijn immers vele van de hierin getapte telefoongesprekken verkeerd uitgewerkt en vertaald.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Naar het oordeel van het hof is de op 13 januari 2010 bij de politie afgelegde verklaring van [medeverdachte 2] betrouwbaar. Die verklaring vindt voldoende steun in andere bewijsmiddelen en wordt daarom voor het bewijs van het ten laste gelegde gebezigd.

Nu de TCI- en de Ipol-processen-verbaal ten aanzien waarvan een beroep is gedaan op bewijsuitsluiting, door het hof niet voor het bewijs worden gebezigd, heeft de verdediging geen belang bij een bespreking van zijn verweer. Voorzover het verzoek om de anonieme getuigen te horen niet slechts connex aan het bewijsuitsluitingsverweer is gedaan overweegt het hof dat noch uit hetgeen aan dit verzoek ten grondslag is gelegd, noch uit de behandeling ter terechtzitting is gebleken van enige noodzaak tot het horen van deze getuigen. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.

Het verweer strekkende tot uitsluiting van het gehele dossier Action van het bewijs wijst het hof ten slotte eveneens af.

Het hof overweegt dat de enkele verwijzing naar - niet nader gespecificeerde maar slechts in algemene termen – door de verdachte gewraakte getapte gesprekken in de zaak Action naar het oordeel van het hof geen aanleiding geeft om het gehele dossier van het bewijs uit te sluiten.

Nadere bewijsoverweging

Voorts heeft de raadsman van de verdachte het verweer gevoerd dat de verdachte van de ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet aangezien de verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van cocaïne, en evenmin bewust de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. Voorts heeft de raadsman betoogd dat geen sprake is van medeplegen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat op zaterdag 2 januari 2010 door de douane Rotterdam in een container met het nummer TCLU 203597-7 een berekende hoeveelheid van 1017 kilo cocaïne werd aangetroffen in een deklading van tien pallets met in Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat op zaterdag 2 januari 2010 door de douane Rotterdam in een container met het nummer TCLU 203597-7 1017 kilo cocaïne werd aangetroffen in een deklading van tien pallets met in totaal 900 dozen whisky. Op vijf van de tien pallets waren in totaal 74 dozen met daarin pakketten cocaïne in plaats van flessen whisky aangetroffen. De cocaïne zat telkens in de op het pallet in het midden geplaatste dozen, welke dozen – anders dan alle andere dozen - voorzien waren van tape met daarop in het rood gedrukte tekst “Diageo”.

Nadat de cocaïne met uitzondering van tien gram door zogenoemd dummy materiaal was vervangen, werden de pallets weer in originele staat opgebouwd, en heeft de container verder zijn weg vervolgd.

Bij [douane expediteur] had zich op 22 december 2009 iemand gemeld met de naam [betrokkene 2] namens “Dranken Online”, welk bedrijf volgens de aankoopfactuur koper van de partij drank was. Deze [betrokkene 2] had op 31 december 2009 een bedrag van € 51.200,- aan inklaringskosten overgemaakt door tussenkomst van [koeriersdienst], het bedrijf van [betrokkene 3], gevestigd in een loods op de Papaverweg in Amsterdam.

Op 4 januari 2010 werd aan het begin van de middag de verdachte met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gezien tijdens een observatie bij het kantoor van [douane expediteur] in Rotterdam. De verdachte heeft daar de restantbetaling, een bedrag van bijna tienduizend euro, contant voldaan, waarna de drie om 12:41 uur in dezelfde auto zijn vertrokken.

Om 14:25 uur werd de geparkeerde auto van [medeverdachte 1] buiten bij de loods gezien. Om 14:42 uur arriveerde een witte bestelbus die de loods in ging. [medeverdachte 1] blijkt deze bus eind december 2009 te hebben gehuurd. [medeverdachte 2] heeft verklaard de genoemde bestelbus te hebben opgehaald. Uit het Online Tracking System is gebleken dat deze bus om 13:01 uur bij het autoverhuurbedrijf in Rotterdam is vertrokken en om 14:22 uur op de Papaverweg aankwam en vervolgens rond 14:40 uur weer is verplaatst en toen kennelijk – gelet op de observatiegegevens – naar de loods werd gereden. Later die middag, tussen 16:35 en 16:45 uur, werd de genoemde container bij de loods afgeleverd. De verdachte en [betrokkene 3] bevonden zich nog steeds in de loods.

In de loods werden de 74 dozen met dummy materiaal samen met nog 20 dozen whisky van vijf pallets af gehaald en overgeladen in de witte bestelbus. De andere vijf pallets met 450 dozen zonder dummy materiaal bleven onaangeroerd.

In de loods heeft de verdachte samen met anderen de dozen van de pallets uit de vrachtwagen naar de witte bestelbus overgeladen. Op door de inzet van OVC verkregen geluidsbestanden is te horen dat er in de loods gedurende die activiteiten met dozen werd geschoven en dat er door de aanwezigen in de loods over “die rode” en “al die rode daar, alles met rood” werd gesproken. Ook werd er geteld en werd gezegd dat het “op 74” moet uitkomen en dat “een paar goeie” voorin gezet worden.

Door opsporingsambtenaren is geconstateerd dat er op 4 januari 2010 sprake is geweest van contraobservatie rond de loods.

De witte bestelbus, bestuurd door [medeverdachte 2] vergezeld door de verdachte, vertrok aan het begin van avond om 18:24 uur uit de loods. [medeverdachte 1] reed meteen achter de witte bestelbus aan.

Bijna twee uur later, om 20:19 uur, stopte de witte bestelbus bij een tankstation in Zevenhuizen/Moerkapelle. Kort daarvoor had [medeverdachte 1] zijn auto in de directe omgeving geparkeerd. De verdachte en [medeverdachte 2] werden bij het tankstation aangehouden. [medeverdachte 1] vertrok hierop in zijn auto en werd vijftien minuten later aangehouden. Bij de doorzoeking van de bestelbus zijn 74 dozen (met de dummypakketten en het teruggeplaatste monster cocaïne) aangetroffen die waren dichtgeplakt met tape met in rode letters het opschrift “Diageo”. Daarnaast zijn – het dichtst bij de laaddeur - 20 dozen aangetroffen, zonder eerdergenoemde tape en met whiskyflessen gevuld.

Voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, brengen het hof tot het oordeel dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met zijn medeverdachten in de zin van medeplegen bij de verlengde invoer van cocaïne in de container met nummer TCLU 203597-7.

Hierbij heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat de verdachte de betaling van het restantbedrag bij [douane expediteur] in Rotterdam (contant) heeft verricht, dat hij vervolgens naar de loods is gekomen en daar gewacht heeft tot de container arriveerde, hij een van degenen was die de dozen samen met de anderen heeft ingeladen in de bestelbus, waarbij nadrukkelijk gezocht is naar de dozen met (vermeende) verdovende middelen en dat hij tenslotte – als bijrijder - de (vermeende) verdovende middelen vanuit de loods in de door [medeverdachte 2] bestuurde witte bestelbus verder heeft vervoerd.

Voorts overweegt het hof dat de oorspronkelijk op 2 januari 2010 in Rotterdam in de container aangetroffen hoeveelheid cocaïne een economische waarde van vele miljoenen euro’s vertegenwoordigt.

Op grond van algemene ervaringsregels gaat het hof er van uit dat organisatoren van een dergelijk transport het risico van mislukking zoveel mogelijk zullen verkleinen. Aldus zullen uitsluitend diegenen bij het transport worden betrokken die te vertrouwen zijn en die personen worden goed geïnstrueerd en geïnformeerd.

Intensieve betrokkenheid bij de invoer en/of het verdere vervoer in Nederland van een dergelijke partij cocaïne is gezien deze algemene ervaringsregels niet te verenigen met de omstandigheid dat betrokkenen - waaronder ook de verdachte - niet op de hoogte zouden zijn geweest van de aard van de te transporteren goederen. Voorts overweegt het hof dat de selectie van de specifieke dozen in de loods en plaatsing van juist deze dozen in de bestelbus, zich op geen enkele manier verhoudt met het door de verdachte gestelde ontbreken van wetenschap over de (veronderstelde) cocaïne in die dozen.

Het hof stelt dan ook vast dat de verdachte heeft geweten van de inhoud van de container, zoals deze op 2 januari 2010 door de douane is ontdekt.

Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

en

medeplegen van het voorbereiden en bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen en gelden voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de eendaadse samenloop van opzettelijke (verlengde) invoer van een zeer grote partij cocaïne via de haven van Rotterdam en de voorbereiding en bevordering daarvan. De wijze waarop dit gebeurde getuigt van een professionele en gedegen voorbereide aanpak. De partij was immers op gewiekste wijze verstopt in een containerlading whisky, aangevoerd vanuit overzees gebied, en ook bij het verdere vervoer en het over- en inladen in de loods gingen verdachte en zijn medeverdachten gestructureerd te werk. Het spreekt voor zich dat deze hoeveelheid cocaïne bestemd was voor de verdere handel, waarmee zeer grote sommen geld gemoeid zouden zijn. Nog afgezien van het feit dat cocaïne schadelijk is voor de volksgezondheid, gaat het gebruik ervan niet zelden gepaard met vele andersoortige vormen van criminaliteit. Het binnen het Nederlandse grondgebied brengen van deze stoffen, in deze omvang en het voorbereiden daarvan zijn dan ook ernstige feiten waarop slechts gereageerd kan worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur.

Bij het bepalen van die duur houdt het hof rekening met de bij de invoer vervulde rol van de verdachte.

Zoals overwogen ten aanzien van het bewijs gaat het hof er van uit dat de verdachte een rol van betekenis heeft gehad in een groter geheel van betrokken personen die elk een bijdrage aan de invoer hebben geleverd. Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof in de verschillende - maar zich niet per se in zwaarte van elkaar onderscheidende - rollen die de verdachten als medeplegers hebben gespeeld bij de invoer en het voorbereiden en bevorderen daarvan geen aanleiding om onderscheid te maken in de op te leggen straffen.

Daarnaast heeft het hof gelet op de uit uitspraken van rechterlijke colleges blijkende straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Het hof heeft voorts acht geslagen op de oriëntatiepunten die worden gehanteerd bij de straftoemeting. Deze houden in dat bij hoeveelheden van 20 kilogram of meer een straf vanaf 60 maanden gevangenisstraf aangewezen is in een standaardgeval.

Het hof heeft, evenals het Openbaar Ministerie en de verdediging, vastgesteld dat de behandeling van deze zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgehad binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Immers is na het instellen van het hoger beroep door de officier van justitie ruim zeven jaar verstreken voordat het hof in deze zaak arrest heeft gewezen.

Het hof hecht er hierbij wel aan op te merken dat een deel van deze overschrijding is toe te schrijven aan het uitvoering geven aan onderzoekswensen van de verdediging, meer in het bijzonder het horen van (niet of lastig traceerbare) getuigen in het buitenland. Desalniettemin geldt dat voornoemde overschrijding grotendeels buiten de beïnvloedingssfeer van de verdediging is ontstaan.

Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf. Aldus zal het hof, in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, die zonder overschrijding van de redelijke termijn zou zijn opgelegd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 5 jaren.

Vordering tot gevangenneming

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de gevangenneming van de verdachte zal worden bevolen bij einduitspraak. De verdediging heeft zich daartegen verzet.

Het hof acht, mede gelet op het tijdsverloop in deze, geen termen aanwezig om thans de gevangenneming van de verdachte te gelasten. Het hof wijst de vordering derhalve af.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 47 en 55 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst af de vordering tot gevangenneming van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries, mr. T.B. Trotman en mr. L.C. van Walree, in bijzijn van de griffier mr. H. van den Hove.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 juli 2018.