Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1686

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
10-07-2018
Zaaknummer
22-003665-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een tweetal pogingen tot zware mishandeling, mishandeling en openlijke geweldpleging.

Het hof veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 8 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Als bijzondere voorwaarde stelt het hof dat de verdachte gedurende de proeftijd een behandeling zal volgen bij Het Dok of De Waag of een soortgelijke instelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003665-16

Parketnummers: 10-701130-16 en 10-114548-15

Datum uitspraak: 7 februari 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1999,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 24 januari 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Het hof heeft de in een tweetal inleidende dagvaardingen opgenomen en ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde feiten hieronder van een doorlopende nummering voorzien. Het zal die nummering in dit arrest aanhouden.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zaak met parketnummer 10-701130-16:

1.
hij op of omstreeks 16 april 2014 te Rotterdam [benadeelde partij 1] heeft mishandeld door die [benadeelde partij 1] (met kracht) meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam, te stompen en/of te slaan;

2.
hij op of omstreeks 15 oktober 2015 te Rotterdam, op of aan de openbare weg, de Groeninx van Zoelenlaan en/of de Edo Bergsmaweg en/of de Cannenburgstraat en/of de Beesdestraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer politieambtenaren en/of politievoertuigen van Politie Eenheid Midden-Nederland en/of Politie Eenheid Rotterdam en/of een tram van de RET, welk geweld bestond uit meermalen, althans eenmaal, [telkens] [met kracht] gooien van een of meerdere steen/stenen tegen en/of in de richting van politieambtenaren en/of een [video]voertuig van de mobiele eenheid van de politie en/of politieauto met bijbehorende paardentrailer en/of de ruiten van die tram;

3.
hij op of omstreeks 24 april 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voornemen om aan [benadeelde partij 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

- ( met kracht) op/tegen het gezicht/hoofd en/of lichaam van die [benadeelde partij 2] heeft geslagen en/of gestompt en/of

- ( met kracht) die [benadeelde partij 2] heeft geduwd en/of

- ( met kracht) middels een nekklem/wurggreep die [benadeelde partij 2] (terwijl die [benadeelde partij 2] op de grond lag) heeft vastgehouden en/of vastgepakt en/of

- ( vervolgens) (daarbij) die [benadeelde partij 2] met kracht meermalen op/tegen het gezicht/hoofd en/of lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of gestampt,

terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 april 2016 te Rotterdam, op of aan de openbare weg, de Beverwaardseweg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 2], welk geweld bestond uit het

- zich opdringen aan die [benadeelde partij 2] en/of

- ( met kracht) stompen en/of slaan op/tegen het gezicht/hoofd en/of lichaam van die [benadeelde partij 2] en/of

- ( met kracht) duwen van/tegen die [benadeelde partij 2] en/of

- ( met kracht) middels een nekklem/wurggreep vasthouden/beethouden van die [benadeelde partij 2] (terwijl die [benadeelde partij 2] op de grond lag) en/of

- ( vervolgens) (daarbij) die [benadeelde partij 2] met kracht meermalen op/tegen het gezicht/hoofd en/of lichaam schoppen en/of trappen en/of stampen,

terwijl het door hem, verdachte, gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (te weten een hersenschudding en/of een of meer schaafwonden en/of bloeduitstortingen op het hoofd en/of in gezicht en/of een gebroken neus) voor die [benadeelde partij 2] ten gevolge heeft gehad;

zaak met parketnummer 10-114548-15

4.
hij op of omstreeks 10 juni 2015 te Ridderkerk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet, die [benadeelde partij 3] (met kracht), meermalen, althans eenmaal,

- in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het lichaam, heeft gestompt en/of geslagen en/of

- op/tegen het hoofd en/of op/tegen de benen, althans op/tegen het lichaam, heeft getrapt en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 juni 2015 te Ridderkerk

[benadeelde partij 3] heeft mishandeld door (met kracht) meermalen, althans eenmaal,

- in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het lichaam, te stompen en/of te slaan en/of

- op/tegen het hoofd en/of op/tegen de benen, althans op/tegen het lichaam, te trappen en/of te schoppen.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met, naast de wettelijk voorgeschreven algemene voorwaarden, als bijzondere voorwaarden – kort gezegd – een meldplicht bij de jeugdreclassering en een behandelverplichting bij Het Dok of De Waag. Voorts is het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van de hechtenis gelijk werd aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde jeugddetentie. In eerste aanleg is voorts een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep, telkens met de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat het onder 1, 2, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde bewezen zal worden verklaard, dat de verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde verplicht jeugdreclasseringstoezicht, ook als dit een behandelverplichting inhoudt bij de Waag of een soortgelijke instelling.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Het hof komt tot een andere strafoplegging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op of omstreeks 16 april 2014 te Rotterdam [benadeelde partij 1] heeft mishandeld door die [benadeelde partij 1] (met kracht) meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam, te stompen en/of te slaan;

2.
hij op of omstreeks 15 oktober 2015 te Rotterdam, op of aan de openbare weg, de Groeninx van Zoelenlaan en/of de Edo Bergsmaweg en/of de Cannenburgstraat en/of de Beesdestraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer politieambtenaren en/of politievoertuigen van Politie Eenheid Midden-Nederland en/of Politie Eenheid Rotterdam en/of een tram van de RET, welk geweld bestond uit meermalen, althans eenmaal, [telkens] [met kracht] gooien van een of meerdere steen/stenen tegen en/of in de richting van politieambtenaren en/of een [video]voertuig van de mobiele eenheid van de politie en/of politieauto met bijbehorende paardentrailer en/of de ruiten van die tram;

3. primair
hij op of omstreeks 24 april 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voornemen om aan [benadeelde partij 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

- (met kracht) op/tegen het gezicht/hoofd en/of lichaam van die [benadeelde partij 2] heeft geslagen en/of gestompt en/of

- (met kracht) die [benadeelde partij 2] heeft geduwd en/of

- (met kracht) middels een nekklem/wurggreep die [benadeelde partij 2] (terwijl die [benadeelde partij 2] op de grond lag) heeft vastgehouden en/of vastgepakt en/of

- (vervolgens) (daarbij) die [benadeelde partij 2] met kracht meermalen op/tegen het gezicht/hoofd en/of lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of gestampt,

terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid;

4. primair
hij op of omstreeks 10 juni 2015 te Ridderkerk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet, die [benadeelde partij 3] (met kracht), meermalen, althans eenmaal,

- in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het lichaam, heeft gestompt en/of geslagen en/of

- op/tegen het hoofd en/of op/tegen de benen, althans op/tegen het lichaam, heeft getrapt en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.

Het onder 3 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Het onder 4 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere zeer ernstige geweldsdelicten.

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een tweetal pogingen tot zware mishandeling, mishandeling en openlijke geweldpleging. De verdachte heeft door aldus te handelen telkens inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en gevoelens van angst, onrust en onveiligheid bij hen teweeggebracht, hetgeen blijkens de slachtofferverklaringen en aangiften van de slachtoffers ook daadwerkelijk het geval is geweest.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 januari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte geen relevant strafblad heeft.

Het hof heeft ook acht geslagen op een Psychiatrisch en Psychologisch onderzoek Pro Justitia (d.d. 18 juli 2016) waaruit blijkt dat bij de verdachte onder meer sprake is van een gebrekkige ontwikkeling, een gedragsstoornis NAO en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale trekken. Agressief gedrag vormt hier een onderdeel van en heeft in elk geval in enige mate bijgedragen aan het ten laste gelegde. De verdachte is daarnaast onvoldoende in staat zijn emoties, waaronder boosheid onder controle te houden, wat leidt of kan leiden tot geweldsescalatie. De deskundigen adviseren de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten op grond van zijn problematiek. Ter voorkoming van herhaling achten beide deskundigen behandeling geïndiceerd.

Voorts heeft het hof acht geslagen op het gezinsplan van 2 februari 2017 van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond. In het gezinsplan wordt eveneens gesproken over de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte; voorts dat behandeling geïndiceerd is en dat de verdachte vrijwillig met een behandeling is gestart bij De Waag. De kans op recidive wordt hoog geacht, indien de verdachte de behandeling voor zijn agressieregulatieproblematiek niet zal afronden.

Ter terechtzitting heeft de verdachte desgevraagd verklaard dat hij de behandeling bij De Waag niet heeft afgerond.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de heer W. Tromp, namens de Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, te kennen gegeven dat de verdachte een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt; de verdachte heeft een vriendin die een goede invloed op hem heeft. Geadviseerd wordt thans vanuit Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond de behandelverplichting niet afzonderlijk als bijzondere voorwaarde op te leggen, omdat de indicatiestelling in voldoende mate wordt ondervangen door de bijzondere voorwaarde inhoudende ‘dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen te geven door of namens Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, ook als die aanwijzingen inhouden dat de verdachte verplicht is mee te werken aan een behandeling bij De Waag of Het Dok’. Voorts wordt geadviseerd om een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest.

Het hof neemt de conclusies ten aanzien van de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de deskundigen als weergegeven in het hiervoor genoemde Psychiatrisch en Psychologisch onderzoek over en maakt die tot de zijne.

Het hof is, mede gelet op de omstandigheid dat er inmiddels geruime tijd verstreken is sinds de feiten zijn gepleegd, van oordeel dat thans volstaan kan worden met een vrijheidsbenemende straf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest. Het forse voorwaardelijke deel van de straf dient ter voorkoming van herhaling van strafbare feiten.

Naar het oordeel van het hof dient er, gezien de gediagnosticeerde en nog niet behandelde stoornis bij verdachte, rekening mee te worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Gelet op de ernst van de thans bewezenverklaarde feiten, alsmede gelet op de omstandigheid dat de behandeling bij De Waag niet is afgerond, acht het hof een behandeling vooralsnog aangewezen en acht het hof derhalve noodzakelijk dat een vorm van verplichte behandeling als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd, zoals weergegeven in voornoemde rapportages. Naar het oordeel van het hof is door het inmiddels volwassen worden van de verdachte dat gevaar niet geweken.

Alles overziend wordt de hierna te noemen straf passend en geboden geacht.

Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als wettelijk vertegenwoordiger van [benadeelde partij 1] als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde tot een bedrag van € 750,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, te weten tot € 250,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet inhoudelijk betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 250,00.

Voor het overige zal de vordering worden afgewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 250,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1].

Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd. Als gemachtigde van de benadeelde partij heeft mr. H. Solstad/mr. H. Alabas een vordering ingediend tot vergoeding van de geleden immateriële en materiële schade als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 6.552,00 (bestaande uit € 2.177,00 materiële schade en € 4.375,00 immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, te weten tot € 3.177,00 (bestaande uit € 2.177,00 materiële schade en € 1.000,00 immateriële schade), hoofdelijk, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet inhoudelijk betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 primair bewezen verklaarde. Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 3 primair bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 1.000,00. De vordering van de benadeelde partij zal tot dat bedrag worden toegewezen.

De vordering zal derhalve tot het totaalbedrag van € 3.177,00 worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige zal de vordering worden afgewezen.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]

De verdachte is tot een bedrag van € 3.177,00 aansprakelijk voor de schade die door het onder 3 primair bewezenverklaarde is toegebracht. Het hof zal echter, gelet op het mededaderschap, aan de verdachte slechts de verplichting opleggen van een deel van dat bedrag, te weten € 2.326,85, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2].

Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 3]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] zich als wettelijk vertegenwoordiger van [benadeelde partij 3] als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 ten laste gelegde tot een bedrag van € 1.968,78 (bestaande uit € 368,78 materiële schade en € 1.600,00 immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, te weten tot € 814,98 (bestaande uit € 364,98 materiële schade en € 450,00 immateriële schade), hoofdelijk, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet inhoudelijk betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij tot een bedrag van € 364,98 aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 primair bewezen verklaarde. Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 4 primair bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 450,00. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

De vordering zal derhalve tot het totaalbedrag van € 814,98 worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige zal de vordering worden afgewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 814,98 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 primair en 4 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

6 (zes) maandenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte:

  • -

    zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden dan wel

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel

  • -

    de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd een behandeling zal volgen bij Het Dok of De Waag of een soortgelijke instelling; waar de behandeling zal plaatsvinden ligt ter beoordeling van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond.

Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij B.B. [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 3 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.177,00 (drieduizend honderdzevenenzeventig euro) bestaande uit

€ 2.177,00 (tweeduizend honderdzevenenzeventig euro) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 24 april 2016.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], ter zake van het 3 primair een bedrag te betalen van

€ 2.326,85 (tweeduizend driehonderdzesentwintig euro en vijfentachtig cent) bestaande uit € 1.826,85 (duizend achthonderd zesentwintig euro en vijfentachtig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 33 (drieëndertig) dagen jeugddetentie, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 24 april 2016.

Bepaalt dat de schadevergoeding mag worden voldaan in 1 (één) termijn(en) van 1 maand, groot EUR 126,85 (honderdzesentwintig euro en vijfentachtig cent) en in 22 (tweeëntwintig) termijn(en) van 1 maand, groot EUR 100,00 (honderd euro).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het 4 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 814,98 (achthonderdveertien euro en achtennegentig cent) bestaande uit € 364,98 (driehonderdvierenzestig euro en achtennegentig cent) materiële schade en € 450,00 (vierhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 10 juni 2015.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3], ter zake van het 4 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 814,98 (achthonderdveertien euro en achtennegentig cent) bestaande uit € 364,98 (driehonderdvierenzestig euro en achtennegentig cent) materiële schade en € 450,00 (vierhonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 (zestien) dagen jeugddetentie, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 10 juni 2015.

Bepaalt dat de schadevergoeding mag worden voldaan in 7 (zeven) termijn(en) van 1 maand, groot EUR 100,00 (honderd euro) en in 1 (één) termijn(en) van 1 maand, groot EUR 114,98 (honderdveertien euro en achtennegentig cent).

Dit arrest is gewezen door mr. J.A.C. Bartels, mr. A.E. Mos-Verstraten en mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen, in bijzijn van de griffier mr. H. Hafti.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 februari 2018.