Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1681

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-06-2018
Datum publicatie
17-07-2018
Zaaknummer
200.202.792/02
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verzekeringsrecht; na brand in woonhuis weigert verzekeraar dekking op grond van bestemmingswijziging / verhoogd risico; stelplicht en bewijslast toepasselijke polisvoorwaarden; artikel 293 K.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2018/88
NTHR 2019, afl. 1, p. 42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.202.792/02

Zaaknummer rechtbank : C/09/505898 / HA ZA 16-220

arrest van 19 juni 2018

inzake

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. F.C. Schirmeister te Maastricht,

tegen

AEGON Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te 's Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Aegon,

advocaat: mr. V.R. Pool te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 10 oktober 2016 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 28 september 2016. Bij memorie van grieven met producties heeft [appellant] , zo begrijpt het hof, tien grieven aangevoerd tegen het vonnis. Bij memorie van antwoord met producties heeft Aegon de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen op 23 april 2018 de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. Schirmeister voornoemd en Aegon door mr. D.J. van der Kolk, advocaat te Rotterdam, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities. [appellant] heeft ter gelegenheid van het pleidooi een akte met producties genomen. Van het pleidooi is een proces-verbaal opgemaakt.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

1 Beoordeling van het hoger beroep

1.1.

Grieven 1 en 2 richten zich tegen de feiten die de rechtbank heeft vastgesteld in 2.4 en 2.5 van het bestreden vonnis. Het hof zal de feiten die voor de beslissing op de vorderingen van [appellant] relevant zijn opnieuw vaststellen en later verder ingaan op deze grieven voor zover in hoger beroep van belang. Het hof gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

1.2.

[appellant] is sinds 22 december 1994 eigenaar van een woonhuis met aangebouwde schuur te Amsterdam (hierna: de opstal). [appellant] was op dat moment en is nog steeds eigenaar van meerdere (elders gelegen) coffeeshops.

1.3.

[appellant] heeft de opstal met ingang van 28 december 1994 onder meer tegen schade door brand verzekerd bij Aegon. De opstalverzekering maakt onderdeel uit van een zogenoemd “Woon- & Vrije Tijdpakket”. Het verzekerd bedrag is € 525.300,--. De verzekering is aangegaan voor de duur van vijf jaar en is stilzwijgend met telkens vijf jaar verlengd.

1.4.

Ten tijde van het sluiten van de verzekering in 1994 hanteerde Aegon de polisvoorwaarden 2000. Op het bij de verzekering behorend polisblad van 14 januari 2014 heeft Aegon de polisvoorwaarden 3002 van toepassing verklaard. Hierin wordt vermeld, voor zover hier van belang:

"Deze verzekering geeft - naast het in de Bijzondere voorwaarden gestelde - geen dekking voor schade:

1.1

waarover een verzekerde opzettelijk onjuiste gegevens verstrekt;

(…)

4. Verplichtingen in geval van schade

(…) Zodra een verzekerde kennis draagt of behoort te dragen van een gebeurtenis die voor ons tot schadevergoeding kan leiden, is hij verplicht:

(…)

4.6

zijn volle medewerking te verlenen bij de regeling van de schade en alles na te laten, wat onze belangen zou kunnen schaden;

(…)

de aanwijzingen van ons of van door ons ingeschakelde deskundigen nauwkeurig te volgen en de terzake van de schade gestelde vragen volledig en naar waarheid te beantwoorden. De verzekering geeft geen dekkingen, indien de verzekerde een van deze verplichtingen niet is nagekomen en daardoor onze belangen heeft geschaad.

(…)

8. 2 Wijziging van risico

8.2.1

De ligging, de bouwaard en het gebruik van het woonhuis en het eventuele 2de risicoadres ten tijde van het aangaan van deze verzekering zijn ons volledig bekend.

8.2.2

U bent verplicht ons zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 2 maanden, in kennis te stellen van elke belangrijke verandering van het risico, waaronder in ieder geval wordt verstaan:

- verandering in gebruik of bestemming van het woonhuis;

- leegstand van het woonhuis;

- het buiten gebruik zijn van het woonhuis, gedurende een aaneengesloten periode van 2 maanden of die naar verwachting langer dan 2 maanden zal duren;

- het kraken van het woonhuis of een van de bijgebouwen;

- iedere uitbreiding van de verzekerde hoedanigheid;

- in het buitenland stallen van het verzekerd object voor een periode langer dan 6 maanden.

8.2.3

Na melding van een risicowijziging als hiervoor bedoeld hebben wij het recht de premie en voorwaarden te herzien, dan wel de verzekering of de betreffende verzekerde rubriek met een opzeggingstermijn van 30 dagen, te beëindigen.

8.2.4

Het vorenstaande geldt niet als de verzekering na kennisgeving van de risicowijziging ongewijzigd zou zijn voortgezet. Indien wij de verzekering slechts tegen een hogere premie of op gewijzigde voorwaarden zouden hebben voortgezet, vindt vergoeding van een eventuele schade plaats in verhouding van de betaalde tot de te betalen premie respectievelijk met inachtneming van die gewijzigde voorwaarden."

1.5.

Op 30 augustus 2013 heeft de politie onderzoek gedaan in de schuur van de opstal. [appellant] is daarbij aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet. De politie heeft onder andere voorraden hasj in beslag genomen, voorgedraaide joints, assimilatielampen, koolstoffilters, luchtafzuigers, groeimiddel, weegschalen en hasjpersen. In de tuin bij de opstal groeide op dat moment een aantal hennepplanten.

1.6.

Naar aanleiding van deze gebeurtenissen is [appellant] op 3 februari 2016 door de politierechter in de rechtbank Amsterdam strafrechtelijk veroordeeld voor het opzettelijk overtreden van art. 3 sub C van de Opiumwet, het aanwezig hebben van softdrugs. Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging voor het telen van hennep ex art. 12 van de Opiumwet. [appellant] is geen straf of maatregel opgelegd omdat, samengevat, de aanwezigheid van drugs in de schuur verband hield met de exploitatie van de coffeeshops en het gevolg is van het gedoogbeleid ten aanzien van de verkoop van softdrugs.

1.7.

In de nacht van 6 november 2013 is de opstal door brand verwoest.

1.8.

[appellant] heeft de brandschade gemeld aan Aegon en heeft aanspraak gemaakt op dekking onder de polis.

1.9.

De door Aegon ingeschakelde schade-expert heeft de schade, blijkens een rapportage van 19 december 2013, inclusief opruimingskosten, vastgesteld op € 717.070,--.

1.10.

In opdracht van Aegon is tevens een technische en tactische expertise naar de oorzaak van de brand uitgevoerd door Biesboer Expertise B.V. (hierna: Biesboer). Biesboer heeft in een rapport van 26 augustus 2014 onder meer het volgende gerapporteerd:

“Zoals reeds was gebleken, was de destructie als gevolg van de brand zodanig groot dat het niet mogelijk was het brandverloop te reconstrueren.

Gedurende de schouw van de in het pand aanwezige brandresten werd achter in de schuur

van de boerderij op en deels onder de brandresten twee klein model koolstoffitters, het restant van een slakkenhuisventilator evenals een restant van een assimilatielamp en voorschakelapparaat aangetroffen (...). Aansluitend zijn de brandresten in de schuur systematisch geruimd en nader onderzocht. Daarbij werd nog een restant behuizing van een assimilatielamp aangetroffen evenals een slakkenhuisventilator (...). Dit betroffen alle losse restanten waarvan niets erop wijst dan wel geen aanwijzingen zijn aangetroffen dat deze apparatuur ten tijde van het ontstaan van de brand in bedrijf waren. Behoudens voormelde restanten van apparatuur werden geen bijzonderheden aangetroffen welke een mogelijke relatie zouden kunnen hebben met het ontstaan van onderhavige brand. (...)

De gedurende de ontruiming in de schuur aangetroffen koolstoffilters, slakkenhuisventilator, restant assimilatielamp en de buiten de boerderij aangetroffen plantenpotten, potgrond en watertank, betreffen alle materialen welke gebruikt worden bij de kweek van onder andere hennep. Gedurende de expertise is vooralsnog echter niet gebleken dat voorafgaande aan de brand in de boerderij daadwerkelijk hennep werd gekweekt. (...)“

1.11.

In het kader van het door en in opdracht van Aegon uitgevoerde onderzoek heeft een aantal gesprekken plaatsgevonden tussen Aegon en [appellant] .

1.12.

Bij brief van 8 augustus 2014 heeft Aegon [appellant] geïnformeerd dat zij geen uitkering zal doen en dat de verzekering per direct wordt beëindigd omdat [appellant] in strijd heeft gehandeld met art. 1.1, 4.6, 4.9 en 8.2.2 van de polisvoorwaarden 3002. [appellant] heeft volgens Aegon, samengevat, ten onrechte geen melding gemaakt van de risicowijziging die ontstond door de aanwezigheid van een hennepkwekerij en hennepfabriek en de opslag van drugs in de schuur. Aegon heeft zich ook op het standpunt gesteld dat [appellant] hierover tijdens het proces van schadebehandeling valse verklaringen heeft afgelegd.

1.13.

Aegon heeft de persoonsgegevens van [appellant] opgenomen in het incidentenregister van Aegon Nederland N.V. en in het externe verwijzingsregister voor financiële instellingen van de Stichting CIS. Ook heeft Aegon het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit van het Verbond van Verzekeraars over de situatie geïnformeerd.

1.14.

In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd, samengevat, dat:

- Aegon wordt veroordeeld tot betaling van de brandschade tot een bedrag van (rekening houdend met onderverzekering) € 601.200,-, vermeerderd met de wettelijke rente;

- Aegon op straffe van verbeurte van een dwangsom wordt veroordeeld tot het ongedaan maken van de meldingen in de eerder genoemde registers;

- Aegon wordt veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 13.869,- en € 2.914,53, alsmede proces- en nakosten;

- voor recht wordt verklaard dat Aegon gehouden is tot herstel van de dekking van de verzekering over te gaan.

In hoger beroep heeft [appellant] de eis aangevuld in die zin dat hij ook vergoeding vordert van de schade die hij lijdt als gevolg van de registratie in de genoemde registers, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

1.15.

[appellant] heeft aan de vorderingen ten grondslag gelegd dat Aegon op grond van de verzekeringsovereenkomst gehouden is om dekking voor de schade te verlenen en dat zijn persoonsgegevens ten onrechte zijn opgenomen in de registers. Aegon heeft de vorderingen bestreden.

1.16.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 28 september 2016 de vorderingen van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Daartoe is overwogen dat [appellant] in strijd heeft gehandeld met artikel 8.2.2. van de polisvoorwaarden 3002, omdat de opslag van de handelsvoorraad van de coffeeshops in de schuur een wijziging van het risico en de bestemming van de opstal oplevert. Aegon mocht zich op het standpunt stellen dat zij de verzekering had beëindigd als zij met dit risico bekend was geweest, en mocht tot registratie van de persoonsgegevens overgaan, aldus de rechtbank.

1.17.

Grieven 1 t/m 4 richten zich tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten en het oordeel van de rechtbank voor zover er daarin vanuit wordt gegaan dat de polisvoorwaarden 3002 van toepassing zijn. Het hof overweegt als volgt.

1.18.

Aegon heeft haar weigering om dekking te verlenen met name gegrond op de polisvoorwaarden die ten tijde van de brand (6 november 2013) op de door [appellant] gesloten verzekeringsovereenkomst van toepassing waren. Zij heeft zich daarbij steeds op het standpunt gesteld dat dit de in het geding gebrachte polisvoorwaarden 3002 zijn (prod. G4). Naar aanleiding van vragen van het hof ter gelegenheid van het pleidooi heeft Aegon echter erkend dat de polisvoorwaarden 3002 pas met ingang van 14 januari 2014 op de verzekering van toepassing zijn, zoals ook blijkt uit het polisblad van die datum (prod. G2). Namens Aegon is vervolgens ter zitting verklaard dat de polisvoorwaarden die ten tijde van de brand van toepassing waren op slechts ondergeschikte punten van de polisvoorwaarden 3002 afwijken, in die zin dat uit die eerdere polisvoorwaarden enkel schrijffoutjes en dergelijke zijn verwijderd. Deze stelling is echter op geen enkele manier onderbouwd: noch de betreffende polisvoorwaarden, noch het eerdere polisblad uit 2009 waarop deze van toepassing zouden zijn verklaard, is in het geding gebracht. Ook is niet nader geadstrueerd dat [appellant] - of zijn assurantietussenpersoon -, bijvoorbeeld op grond van overgelegde correspondentie of anderszins, de desbetreffende (andere) polisvoorwaarden met het bijbehorende polisblad heeft ontvangen of daar op andere wijze mee bekend is geworden. De stelling van Aegon dat in ieder geval enige polisvoorwaarden bij [appellant] bekend waren, die sinds 1994 een (vrijwel) identieke verplichting bevatten om risicowijzigingen te melden, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om een dekkingsweigering op te kunnen baseren. Naar het oordeel van het hof is door Aegon dan ook onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd welke polisvoorwaarden er van toepassing waren ten tijde van de brand.

1.19.

Het bewijsaanbod van Aegon om de betreffende (andere) polisvoorwaarden alsnog in het geding te brengen wordt gepasseerd. [appellant] heeft gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat de polisvoorwaarden 3002 van toepassing zijn, en Aegon heeft zowel bij memorie van antwoord als bij pleidooi haar standpunt uiteen kunnen zetten en onderbouwen. Pas nadat het hof Aegon na de eerste termijn van het pleidooi vragen over de polisvoorwaarden heeft gesteld, heeft zij zich op bovengenoemd standpunt gesteld en een bewijsaanbod gedaan. Het bewijsaanbod is daarmee naar het oordeel van het hof tardief. Daar komt bij dat Aegon zich ten tijde van het pleidooi ook op het standpunt heeft gesteld, en dit desgevraagd uitdrukkelijk heeft bevestigd, dat alle in de administratie van Aegon nog beschikbare informatie reeds in het geding is gebracht, zodat zij naar eigen zeggen kennelijk niet in staat is om verifieerbare gegevens met betrekking tot de toepasselijkheid van andere polisvoorwaarden (dan de polisvoorwaarden die al in het geding zijn gebracht) op de onderhavige verzekeringsovereenkomst (zoals het polisblad uit 2009) over te leggen.

1.20.

Dit betekent dat de grieven 1 t/m 4 doel treffen. Ook de grieven 5 t/m 9 treffen hiermee doel, omdat die gericht zijn tegen overwegingen van de rechtbank die voortbouwen op het oordeel dat de polisvoorwaarden 3002 van toepassing zijn.

1.21.

Omdat Aegon de weigering om dekking te verlenen gelet op het bovenstaande niet kan baseren op de polisvoorwaarden 3002, en zij zich evenmin gemotiveerd en onderbouwd heeft beroepen op andere (wel toepasselijke) polisvoorwaarden, zal het hof beoordelen of Aegon zich kan beroepen op art. 293 WvK (oud), dat van regelend recht is. Het hof overweegt hierover als volgt.

1.22.

[appellant] heeft de verzekering gesloten vóór 1 januari 2006, zodat op grond van art. 221 lid 9 Overgangswet Nieuw BW art. 293 WvK op de overeenkomst van toepassing is. Ingevolge art. 293 WvK kan dekking worden geweigerd als sprake is van een bestemmingswijziging die van dien aard is dat de verzekeraar vanwege een verhoogd risico op brand bij bekendheid met dat risico de verzekering niet of niet op dezelfde voorwaarden was aangegaan.

1.23.

[appellant] heeft gemotiveerd betwist dat hij in zijn schuur een hennepkwekerij of hennepfabriek had. Door de politie is geen hennepkwekerij aangetroffen, en de opgeslagen apparatuur was niet in werking. De paar hennepplanten in zijn tuin waren legale planten ten behoeve van zaadveredeling. Wel heeft hij erkend dat hij (een deel van) de handelsvoorraad van zijn coffeeshops tezamen met wat spullen om joints te maken had opgeslagen in zijn schuur, maar hij betwist dat daarmee sprake is van een bestemmingswijziging als bedoeld in art. 293 WvK. Het hof overweegt hierover als volgt.

1.24.

Aegon is er blijkens de brief van 8 augustus 2014 bij de weigering om dekking te verlenen van uit gegaan dat in de schuur een hennepkwekerij of hennepfabriek aanwezig was. Dat de schuur met dit doel werd gebruikt is echter onvoldoende onderbouwd of aannemelijk geworden. Aegon verwijst naar de lijst van op 30 augustus 2013 door de politie in beslag genomen goederen (prod. 10), maar uit die lijst kan niet worden afgeleid dat sprake was van een werkende hennepkwekerij of hennepfabriek in de bedoelde schuur, in plaats van, zoals [appellant] stelt, de opslag van (een deel van) de handelsvoorraad van de coffeeshops tezamen met wat andere spullen. Het hof tekent aan dat dit ook niet blijkt uit het in opdracht van Aegon tot stand gebrachte rapport van Biesboer (prod. 3 akte d.d. 2 maart 2016) of anderszins. Het hof gaat er dan ook van uit dat de schuur werd gebruikt voor de opslag van de handelsvoorraad van de coffeeshops. De aanwezigheid van enkele hennepplanten in de tuin van [appellant] leidt niet tot een ander oordeel, nu Aegon niet gemotiveerd heeft betwist dat het hier gaat om planten ten behoeve van de zaadveredeling.

1.25.

Het kan naar het oordeel van het hof niet zonder meer worden aangenomen dat de hiervoor in rov. 1.24 genoemde opslag tot een verhoogd risico op brand heeft geleid als bedoeld in art. 293 WvK. Aegon - op wie hier de stelplicht en bewijslast rust - stelt ook geen (voldoende) concrete feiten die dat met zich brengen en biedt op dit punt evenmin bewijs aan. Zij stelt enkel dat een bedrijfsactiviteit een groter risico op schade oplevert, dat er goederen bij de schuur werden aangeleverd en/of afgehaald, en dat sprake was van een (illegale) drugsgerelateerde activiteit die criminaliteit aantrekt en daarmee een groter risico meebrengt op schade in het algemeen. Zonder nadere toelichting, die op dit punt niet is gegeven, volgt uit die omstandigheden echter niet dat er als gevolg van de opslag vermeerderd brandgevaar bestond als hiervoor bedoeld.

1.26.

Het verzoek van Aegon in de memorie van antwoord (randnr. 4.15) om nader verweer te mogen voeren in het geval het hof art. 293 WvK toepasselijk acht, wordt afgewezen, omdat het verzoek in strijd is met de zogeheten tweeconclusieregel (vgl. HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR: 2017:3238, NJ 2018, 31) en het hof geen gronden aanwezig acht om daarop in dit geval een uitzondering te maken. Het hof wijst er ten overvloede op dat van de zijde van [appellant] ook in eerste aanleg al is ingegaan op art. 293 WvK (inleidende dagvaarding onder randnrs. 39-40 en proces-verbaal van comparitie van partijen op p. 2).

1.27.

Daarmee komt het hof tot de conclusie dat Aegon de weigering om dekking te verlenen ook niet kan baseren op art. 293 WvK, omdat geen sprake is van vermeerderd brandgevaar als daarin bedoeld.

1.28.

De afwijzing van de dekking kan naar het oordeel van het hof voorts niet worden gebaseerd op de omstandigheid dat [appellant] tijdens het proces van schadebehandeling valse verklaringen heeft afgelegd. Redengevend is dat, voor zover er al tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd, Aegon onvoldoende heeft gesteld om te kunnen oordelen dat [appellant] daarbij heeft gehandeld met het opzet om haar te misleiden (art. 7:941 lid 5 BW).

1.29.

Ook het verweer van Aegon dat dekking ontbreekt omdat [appellant] niet in het verzekerde pand zou wonen maar dit zou gebruiken voor bedrijfsopslag, zodat niet is voldaan aan de verzekerde hoedanigheid van particuliere bewoning, wordt verworpen. Aegon heeft haar stelling dat [appellant] niet in het pand zou wonen onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd. Uit het enkele feit dat [appellant] een deel van zijn bedrijfsvoorraad had opgeslagen in de schuur kan dit niet worden afgeleid. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat [appellant] niet in het pand zou wonen.

1.30.

Hiermee komt het hof ook tot de conclusie dat er geen grond voor Aegon bestond om dekking te weigeren en in het verlengde daarvan om tot registratie van de persoonsgegevens van [appellant] in de hiervoor in rov. 1.13 genoemde registers over te gaan.

1.31.

Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen en op grond van het bovenstaande de vorderingen van [appellant] tot betaling van € 601.200,-- en tot verwijdering van de meldingen in de registers toewijzen, zoals hierna vermeld. De gevorderde wettelijke rente over het bedrag in hoofdsom zal eveneens worden toegewezen, omdat daartegen geen op zichzelf staand verweer is gevoerd.

1.32.

De door [appellant] gevorderde vergoeding van schade die het gevolg is van de meldingen in de registers, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, zal worden afgewezen omdat [appellant] onvoldoende feiten heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de mogelijkheid aannemelijk is dat hij schade lijdt of zal lijden.

1.33.

De door [appellant] gevorderde buitengerechtelijke kosten ad € 13.869,-- en

€ 2.914,53 zullen worden toegewezen. Het betreft redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte die door [appellant] genoegzaam zijn gespecificeerd en waartegen Aegon geen verweer heeft gevoerd.

1.34.

Aegon zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties, alsmede in de kosten van het voorlopig getuigenverhoor.

1.35.

Het hof passeert het algemene en niet nader gespecificeerde bewijsaanbod van Aegon in hoger beroep.

2 Beslissing

het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 september 2016;

en opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt Aegon om aan [appellant] een bedrag van € 601.200,-- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoel in art. 6:119 BW vanaf 14 november 2013 tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt Aegon om de door haar gedane meldingen bij de Stichting CIS en het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit ongedaan te maken op straffe van een dwangsom van

€ 1.000,-- voor iedere dag of dagdeel dat Aegon daarmee in gebreke is;

- verklaart voor recht dat Aegon gehouden is tot herstel over te gaan van de dekking onder de woonhuisverzekering die door Aegon op 8 augustus 2014 per direct is beëindigd;

- veroordeelt Aegon tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van

€ 16.783,53 (€ 13.869,-- en € 2.914,53);

- veroordeelt Aegon in de proceskosten in eerste aanleg, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.642,08 aan verschotten (te weten € 94,08 aan explootkosten en € 1.548,-- aan griffierecht) en € 5.160,-- aan salaris advocaat (2x € 2.580,--), vermeerderd met de kosten van het voorlopig getuigenverhoor, waaronder in elk geval de taxe van [getuige 1] ad € 30,-- en de door de rechtbank nader bepaalde taxe voor [getuige 2] , alsmede het salaris van de advocaat ad € 5.160,-- (2x € 2.580,--), en op € 131,- aan nasalaris voor de advocaat, te verhogen met € 68,-- indien niet binnen 14 dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 68,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;

- veroordeelt Aegon in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.725,08 aan verschotten (te weten € 94,08 aan explootkosten en

€ 1.631,-- aan griffierecht) en € 14.034,-- aan salaris advocaat (3 x € 4.678,--) en op € 157,-- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,-- indien niet binnen 14 dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;

- verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.T. van der Hoeven-Oud, P.M. Verbeek en S. Dijkstra en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juni 2018 in aanwezigheid van de griffier.