Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1678

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-06-2018
Datum publicatie
09-07-2018
Zaaknummer
200.230.240
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Voorschot vereffenaar. Erfgenaam belanghebbenden? Richtlijnen vereffening nalatenschappen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2018-0125
JERF 2018/280
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.230.240/01

zaaknummer rechtbank : 6183009-17

Beschikking van de meervoudige kamer van 20 juni 2018

op het hoger beroep van

[appellante] .,

in haar hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van [erflaatster] ,

kantoorhoudende te [plaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vereffenaar,

advocaat [vereffenaar 1] te Delft,

Als informanten zijn aangemerkt:

1. [informant 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [informant 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

3. [informant 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

erfgenamen uit eigen hoofde in de nalatenschap van erflaatster en hierna gezamenlijk te noemen: de erfgenamen,

advocaat mr. W.H. Benard te Dordrecht.

Als overige informanten zijn aangemerkt:

- [informant 4] ,

wonende te [woonplaats] ;

- [informant 5] ,

wonende te [woonplaats] ;

- [informant 6] ,

wonende te [woonplaats] ;

erfgenamen bij wege van plaatsvervulling in de nalatenschap van erflaatster .

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

1.1.

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 13 oktober 2017, hierna: de bestreden beschikking, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

1.2.

Bij die beschikking heeft de kantonrechter het loon van de vereffenaar vastgesteld op
€ 7.261,25 exclusief btw.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vereffenaar is op 22 december 2017 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2.

De erfgenamen hebben op 26 februari 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft op 25 april 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

  • -

    de vereffenaar, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de erfgenamen [informant 1] en [informant 2] , alsmede [naam] (echtgenoot van [informant 2] ), bijgestaan door hun advocaat;

De andere erfgenamen uit eigen hoofde en die bij plaatsvervulling zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

3 De feiten

3.1.

In hoger beroep staat het volgende vast:

bij beschikking van 16 november 2016 van de rechtbank Rotterdam zijn [vereffenaar 1] en [vereffenaar 2] van [naam kantoor] te [plaats] benoemd tot vereffenaars over de nalatenschap van [erflaatster] , geboren [in] 1923 te [geboorteplaats] en overleden [in] 2015 te [plaats] .

4 De omvang van het geschil

4.1.

In geschil zijn:

  • -

    het voorschot op het loon van de vereffenaar;

  • -

    het uurloon van de vereffenaar;

  • -

    de kosten van het beroepschrift.

4.2.

De vereffenaar, die zoals ter zitting toegelicht mede handelt namens de andere vereffenaar (haar advocaat) verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    het tussentijds (naar het hof begrijpt: voorschot op het) loon van de vereffenaar vast te stellen op een bedrag van € 8.734,82 exclusief BTW en exclusief verschotten, althans op een door het hof vast te stellen bedrag;

  • -

    het uurloon van de vereffenaar voor de nog uit te voeren werkzaamheden vast te stellen op € 212,- exclusief BTW;

  • -

    te oordelen dat de kosten van dit beroepschrift ten laste komen van de nalatenschap.

4.3.

De verweerders verweren zich daartegen en verzoeken het hof:

  • -

    voor wat betreft het eerste verzoek het onderdeel ‘althans een door het hof vast te stellen bedrag’ toe te wijzen;

  • -

    de overige verzoeken af te wijzen;

  • -

    kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

Procesrechtelijke positie van de erfgenamen

5.1.

Het hof overweegt omtrent de procesrechtelijke status van de erfgenamen, dat zij ten onrechte door de kantonrechter zijn aangemerkt als belanghebbenden ten aanzien van de vaststelling van het voorschot op het vereffenaarsloon, nu dit een aangelegenheid tussen de kantonrechter en de vereffenaar betreft. Immers ingevolge het bepaalde in artikel 4:206, lid 3, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft een door de rechtbank benoemde vereffenaar recht op het loon, dat door de kantonrechter aan het einde van de vereffening vóór het opmaken van de uitdelingslijst wordt vastgesteld. Dat loon maakt deel uit van de uitdelingslijst en iedere belanghebbende - alsdan zijn de erfgenamen wel belanghebbenden – kan binnen een maand na de openlijke bekendmaking daarvan in verzet komen tegen de uitdelingslijst zoals is bepaald in artikel 4:218 BW. Het hof merkt de erfgenamen in deze procedure aan als informanten, nu zij bij de vaststelling van (een voorschot op) het loon van de bewindvoerder geen partij zijn.

Voorschot vereffenaarsloon

5.2.

De vereffenaar voert – kort samengevat – het volgende aan. Het is de privatieve bevoegdheid van de kantonrechter om te beoordelen of de werkzaamheden die door de vereffenaar zijn uitgevoerd, overeenstemmen met de vereffening. Nu de kantonrechter degene is die het loon van de vereffenaar vaststelt, behoren de erfgenamen daarin geen inspraak te hebben. Voor de erfgenamen is immers iedere euro die van hun erfdeel af gaat een euro teveel. Op verzoek van de kantonrechter heeft de vereffenaar het in rekening te brengen loon naar beneden bijgesteld. De kantonrechter heeft daarop nog eens € 884,55 in mindering gebracht, zonder daarbij aan te geven welke uren al dan niet worden vergoed en welk uurtarief daarbij is gehanteerd. Bovendien is de vereffenaar door de kantonrechter niet in de gelegenheid gesteld om te reageren op de brief van de erfgenamen d.d. 18 september 2018, waarin zij reageren op het aangepaste verzoek van de vereffenaar. Er is ten aanzien daarvan dus geen hoor en wederhoor toegepast. Bovendien verzoekt de vereffenaar het hof - voor het geval de bestreden beschikking een eindbeslissing betreft - alsnog een beslissing te geven over het onderdeel uit het verzoekschrift waarin toestemming wordt gevraagd de nog te verrichten werkzaamheden ten laste van de boedel te laten komen. Het hof wordt daarbij verzocht het uurloon van de nog uit te voeren werkzaamheden vast te stellen op € 212,- exclusief BTW.

5.3.

De erfgenamen verweren zich daartegen - kort samengevat - als volgt. Het loon van de vereffenaar treft de erfgenamen rechtstreeks, aangezien dit loon ten laste komt van de boedel. Het is daarom van belang dat het loon nauwkeurig en juist wordt vastgesteld. De erfgenamen zijn dientengevolge terecht door de kantonrechter betrokken bij de vaststelling van het loon van de vereffenaar. Het moet voor de erfgenamen immers inzichtelijk zijn op welke wijze de kosten ter vereffening van de nalatenschap zijn gemaakt. Daarbij dient onderscheid te worden gemaakt tussen de kosten van de werkzaamheden die door de administratie gedaan zouden kunnen worden en de kosten van de werkzaamheden die daadwerkelijk door de vereffenaar behoren te zijn verricht. In de kwestie van de ‘actio pauliana’ dienen de opgevoerde kosten voor literatuur- en jurisprudentieonderzoek en overleg met een professor niet ten laste van de boedel te komen aangezien zij niet thuishoren in de kosten van de vereffening. De tijd die gemoeid is met het verkrijgen en bijhouden van de benodigde juridische kennis wordt immers geacht begrepen te zijn in het door de vereffenaar gehanteerde uurtarief. Ook dienen de kosten van dit hoger beroep niet ten laste van de boedel te komen daar deze procedure niet het belang van de boedel, maar het belang van de vereffenaar dient. De verweerders komen hierdoor weer voor advocaatkosten te staan. Deze kosten dienen door de vereffenaar te worden vergoed. Ten aanzien van de klacht van de vereffenaar dat zij niet de reactie van de erfgenamen op haar nieuwe voorstel heeft ontvangen, valt niet in te zien waarom de vereffenaar ook nog gelegenheid zou moeten krijgen om op deze reactie te reageren, nu hetgeen in die reactie is vermeld al ter zitting aan de orde is gesteld. Bovendien is er terecht (nog) geen oordeel gegeven over de door de vereffenaar nog te verrichten werkzaamheden. Immers, indien de vereffenaar haar standpunt handhaaft dat er sprake is geweest van paulianeus handelen, zal er een procedure volgen. Mocht de vereffenaar in die procedure niet in het gelijk worden gesteld, dan betekent dit dat de in die procedure gedeclareerde uren niet het belang van de boedel hebben gediend.

5.4.

Het hof stelt voorop dat het in deze procedure gaat om een verzoek om een voorschot op het vereffenaarsloon vast te stellen. Een verzoek om een voorschot is niet gebaseerd op artikel 4:206, lid 3 BW of een andere wettelijke grondslag. In de Richtlijnen vereffening nalatenschappen is voor de vaststelling van het loon aansluiting gezocht bij in de wet geregelde overeenkomstige gevallen, zoals de beloning van een curator in een faillissement, zoals nader geregeld in de zogenaamde Recofa-richtlijnen. Deze richtlijnen zijn in faillissementszaken algemeen aanvaard. De wetgever heeft bij de vereffening van nalatenschappen op meer plaatsen verwezen naar de Faillissementswet. Op grond daarvan zoeken de kantonrechters aansluiting bij de beloning van de curator conform de Recofa-richtlijnen in situaties als de onderhavige. Op grond van paragraaf “6.2. Voorschot op het salaris” van genoemde richtlijnen is een voorschot mogelijk. Een voorschot kan (in ieder geval) éénmaal per jaar worden gedaan en kan alleen worden toegekend voor zover de boedel het toelaat. Bij toekenning van een voorschot dient de vereffenaar tussentijds rekening en verantwoording af te leggen (zie ‘Richtlijnen Vereffening nalatenschappen’ p. 20 en 21).

5.5.

Het hof overweegt als volgt. De door de vereffenaar bijgevoegde urenspecificatie over 2016 en 2017 (productie 1d bij het verzoekschrift) merkt het hof aan als een tussentijdse rekening en verantwoording. Uit deze urenspecificatie blijkt dat de werkzaamheden van de vereffenaar niet louter juridisch van aard zijn geweest, maar ook administratief en secretarieel. Voor het vaststellen van het van toepassing zijnde uurtarief zal het hof eveneens aansluiting zoeken bij de regeling voor curatoren in een faillissement, de zogenaamde Recofa-richtlijnen. Deze richtlijnen geven in de artikelen 6.4 tot en met 6.7 het van toepassing zijnde uurtarief aan, dat voor de vereffenaar en haar kantoorgenoten enerzijds afhankelijk is van hun ervaring en anderzijds van de boedelfactor (zie Recofa-richtlijnen voor faillissementen en surseances van betaling, p. 14-16). In het begeleidend schrijven van 6 september 2017 heeft de vereffenaar aangegeven dat zij een gemiddeld uurtarief heeft gehanteerd van een ervaren curator en een beginnend administratief medewerker, uitkomend in 2016 op € 198,94 en in 2017 op € 207,76 per uur exclusief BTW, hetgeen een totaalbedrag oplevert van € 8.145,80 (exclusief BTW en 4% verschotten).

5.6.

Nu het verzoek van de vereffenaar is gedaan met inachtneming van voornoemde Recofa-richtlijnen, zal het verzoek – gelet op de bijgesloten urenspecificatie en nu het verzoek het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt – worden toegewezen. Het voorschot op het vereffenaarsloon zal dan ook, overeenkomstig het verzoek van de vereffenaar, worden vastgesteld op een totaalbedrag van € 8.734,82 (exclusief BTW). Het hof zal daarbij bepalen dat dit bedrag ten laste van de nalatenschap zal worden gebracht.

Toekomstige uren

5.7.

Nu het in dezen gaat om een voorschot op het vereffenaarsloon en de kantonrechter het definitieve loon van de vereffenaar bij het einde van de vereffening nog niet heeft vastgesteld, komt het hof aan het verzoek van de vereffenaar om een uurtarief voor de nog door haar uit te voeren werkzaamheden vast te stellen, niet toe. Het hof zal dit verzoek dan ook afwijzen.

Kosten beroepschrift

5.8.

Het verzoek van de vereffenaar ziet tevens op een voorschot ten aanzien van de kosten (lees: de kosten van het beroepschrift) die zij als zodanig ten laste van de nalatenschap heeft gemaakt. Deze kosten zijn aan te merken als boedelschulden. Nu in dezen terecht hoger beroep is ingesteld, zal het hof bepalen dat ook de kosten van het beroepschrift ten laste van de nalatenschap zullen worden gebracht.

5.9.

Dit brengt mee dat het hof het verzoek van de erfgenamen om de vereffenaar in de kosten van het hoger beroep te veroordelen, zal afwijzen.

5.10.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

stelt het voorschot op het vereffenaarsloon over de periode 2016 en 2017 vast op een totaalbedrag van € 8.734,82 (exclusief BTW en verschotten);

bepaalt dat het voorschot ten laste van de nalatenschap zal worden gebracht;

bepaalt dat ook de kosten van het hoger beroep ten laste van de nalatenschap worden gebracht;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H.N. Stollenwerck, I. Obbink-Reijngoud en
L.H.M. Zonnenberg, bijgestaan door de griffier, en is op 20 juni 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.