Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1622

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-05-2018
Datum publicatie
03-07-2018
Zaaknummer
K17220516
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Art. 12 Sv, art. 279 Sr

Indien één van de ouders zich niet gedraagt conform gemaakte afspraken of een opgelegde omgangsregeling met een minderjarig kind, leidt dit nog niet zonder meer tot de conclusie dat sprake is van onttrekking van de minderjarige aan wettig gezag of bevoegd opzicht als bedoeld in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht.

Daargelaten de vraag of het niet correct naleven van de omgangsregeling een door beklaagde gepleegde opzettelijke schending van voornoemde strafbepaling oplevert, is het hof van oordeel dat, gelet op de specifieke feiten en omstandigheden van het onderliggende geschil, zoals die uit het dossier blijken, de naleving van de onderhavige omgangsregeling in beginsel door maatregelen van civielrechtelijke aard dienen te worden gehandhaafd.

Het hof is voorts van oordeel dat het strafrecht in een zaak als deze dient te gelden als ultimum remedium (uiterste redmiddel) en in beginsel niet dient te worden ingezet als instrument om medewerking aan een omgangsregeling te bewerkstelligen, aangezien andere (civielrechtelijke) maatregelen de voorkeur verdienen.

Tot slot zou een eventuele strafvervolging van beklaagde naar verwachting van het hof niet bijdragen aan verbetering van de verstandhouding tussen partijen, doch veeleer tot een (nieuwe) verstoring van de verhoudingen kunnen leiden met alle nadelen van dien voor het kind van klager en beklaagde.

Het klaagschrift biedt geen nadere inzichten.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het beklag als kennelijk ongegrond moet worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

raadkamer beklagzaken

BESCHIKKING

gegeven op het beklag, op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[klager],

klager.

1 Het beklag

Het klaagschrift is op 7 december 2017 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Rotterdam om [beklaagde], beklaagde, niet te vervolgen ter zake van onttrekking aan het wettig gezag van zijn minderjarige dochter [dochter], geboren [dag] 2011.

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 27 maart 2018 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.

3 De stukken betreffende het beklag

Het hof heeft, behalve van de reeds genoemde stukken, onder meer kennisgenomen van het in deze zaak door de politie opgemaakte proces-verbaal en van het ambtsbericht namens de hoofdofficier van justitie te Rotterdam van 16 maart 2018.

4 De behandeling van het klaagschrift

In verband met toepassing van artikel 12c van het Wetboek van Strafvordering is nader onderzoek in raadkamer achterwege gebleven en zijn betrokkenen niet opgeroepen.

5 De feiten en standpunten

Klager heeft op 9 oktober 2017 bij de politie tegen beklaagde aangifte gedaan ter zake van onttrekken aan het ouderlijk gezag van zijn minderjarige dochter [naam dochter] door zijn ex-partner, beklaagde.

Klager heeft in zijn aangifte verklaard – samengevat – dat hij met beklaagde in 2013 een ouderschapsplan heeft laten opmaken en dat zij beiden het ouderlijk gezag hebben over hun dochter. In de aanvangsperiode zouden de ouders, rekening houdend met de leeftijd en ontwikkeling van hun dochter, steeds bepalen of en welke avonden hun dochter bleef overnachten bij haar vader, klager. Klager verklaart dat de omgangsregeling vanaf het begin niet goed liep. Zijn dochter was heel weinig bij hem. Via de school bleef klager op de hoogte over hoe het met zijn dochter ging, want van beklaagde hoorde hij niets. In 2016 heeft klager het contact met beklaagde verbroken omdat hij hierdoor gezondheidsklachten kreeg. Op 21 augustus 2017 is zijn dochter voor het laatst bij hem geweest. Klager heeft contact opgenomen met Veilig Thuis en het Jeugdteam, maar zij konden niets doen. Een gesprek tussen beklaagde, klager en het Jeugdteam liep uit de hand omdat klager boos werd. Afgesproken werd dat beklaagde de afspraken zou nakomen maar dat gebeurde niet. Een andere dochter van beklaagde heeft geprobeerd om de omgangsregeling via een maatschappelijk werkster beter te laten verlopen, maar zij kreeg daardoor ruzie met haar moeder. Klager wil met zijn aangifte bereiken dat beklaagde de afspraken gaat nakomen en wordt gestraft.

Het Openbaar Ministerie heeft besloten geen strafvervolging in te stellen omdat een oplossing van het conflict beter langs civielrechtelijke weg kan worden bewerkstelligd.

6 De beoordeling van het beklag

Ter beoordeling staat thans de vraag of de beslissing van de officier van justitie om beklaagde niet te vervolgen op goede gronden is genomen.

Indien één van de ouders zich niet gedraagt conform gemaakte afspraken of een opgelegde omgangsregeling met een minderjarig kind, leidt dit nog niet zonder meer tot de conclusie dat sprake is van onttrekking van de minderjarige aan wettig gezag of bevoegd opzicht als bedoeld in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht.

Daargelaten de vraag of het niet correct naleven vnd de omgangsregeling een door beklaagde gepleegde opzettelijke schending van voornoemde strafbepaling oplevert, is het hof van oordeel dat, gelet op de specifieke feiten en omstandigheden van het onderliggende geschil, zoals die uit het dossier blijken, de naleving van de onderhavige omgangsregeling in beginsel door maatregelen van civielrechtelijke aard dienen te worden gehandhaafd.

Het hof is voorts van oordeel dat het strafrecht in een zaak als deze dient te gelden als ultimum remedium (uiterste redmiddel) en in beginsel niet dient te worden ingezet als instrument om medewerking aan een omgangsregeling te bewerkstelligen, aangezien andere (civielrechtelijke) maatregelen de voorkeur verdienen.

Tot slot zou een eventuele strafvervolging van beklaagde naar verwachting van het hof niet bijdragen aan verbetering van de verstandhouding tussen partijen, doch veeleer tot een (nieuwe) verstoring van de verhoudingen kunnen leiden met alle nadelen van dien voor het kind van klager en beklaagde.

Het klaagschrift biedt geen nadere inzichten.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het beklag als kennelijk ongegrond moet worden aangemerkt, zodat - met toepassing van artikel 12c van het Wetboek van Strafvordering - moet worden beslist als volgt.

7 De beslissing

Het hof:

Verklaart het beklag ongegrond.

Deze beschikking, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 17 mei 2018 door mr. J.W. Wabeke, voorzitter, mr. A.W. Beelaerts van Blokland en mr. P.J. van der Flier, leden, in tegenwoordigheid van mr. K. Kiela, griffier, en is ondertekend door de voorzitter en de griffier.