Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1606

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-06-2018
Datum publicatie
05-07-2018
Zaaknummer
200.215.938/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:1281, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

SW-medewerker vraagt om toekenning van studiefaciliteiten: bekostiging van studie Toegepaste Psychologie. Beoordelingsruimte werkgever (na advies van adviescommissie) bij weigering van dit verzoek. Geen reële kans op werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0778
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.215.938/01

Zaaknummer rechtbank : 4659078 CV EXPL 15-10054

arrest van 19 juni 2017

inzake

OPENBAAR LICHAAM SOCIALE WERKVOORZIENING DRECHTSTEDEN “DRECHTWERK”,

gevestigd te Dordrecht,

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: Drechtwerk,

advocaat: mr. L.R.T. Peeters,

tegen

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. drs. S. Bergwerff.

1 Het geding

Bij exploot van 13 april 2017 is Drechtwerk in hoger beroep gekomen van het eindvonnis van 19 januari 2017 en het tussenvonnis van 30 juni 2016 van de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, sector kanton (hierna: de kantonrechter), voor zover gewezen tussen Drechtwerk en [geïntimeerde] . Het hof heeft bij arrest van 13 juni 2017 een comparitie van partijen gelast. Bij memorie van grieven (met producties) heeft Drechtwerk tien grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord in principaal appel tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel (met producties), heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en twee incidentele grieven aangevoerd. Op 3 oktober 2017 heeft de comparitie plaatsgehad, waarvan het proces-verbaal buiten aanwezigheid van partijen met hun toestemming is opgemaakt, en aan hen is verzonden op 5 oktober 2017. Bij brief van 10 oktober 2017 heeft mr. Bergwerff enkele opmerkingen over het proces-verbaal gemaakt. Vervolgens heeft Drechtwerk bij memorie van antwoord in het incidenteel appel de grieven van [geïntimeerde] weersproken, waarna partijen de stukken hebben overgelegd en arrest hebben gevraagd.

2 Feiten, vordering en oordeel van de kantonrechter

2.1.

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis onder 1.1 tot en met 1.9 feiten vastgesteld, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Met inachtneming van die feitenvaststelling en van hetgeen als niet voldoende gemotiveerd weersproken is komen vast te staan, kan in dit hoger beroep worden uitgegaan van het navolgende.

2.2.

Drechtwerk is een publiekrechtelijk ingesteld leerbedrijf in de Sociale Werkvoorziening (SW), en heeft als doel mensen, die vanwege lichamelijke of psychische beperkingen moeite hebben om werk te vinden, te begeleiden naar een arbeidsplaats in het reguliere bedrijfsleven.

2.3.

[geïntimeerde] heeft in 1996 een diploma MTS-werktuigbouwkundige behaald. Als gevolg van zijn lichamelijke beperkingen (Posttraumatische dystrofie en RSI) is [geïntimeerde] niet in staat werkzaam te zijn als werktuigbouwkundige. [geïntimeerde] is (vanwege die lichamelijke beperkingen) sinds september 2000 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst van Drechtwerk. Aanvankelijk verrichte hij werkzaamheden voor Drechtwerk Metaal als begeleider technisch tekenaar. Vanaf 31 oktober 2001 heeft [geïntimeerde] gewerkt als SW-medewerker en thans is [geïntimeerde] voor 24 uur per week werkzaam op het serviceplein van Drechtwerk als individuele computerinstructeur. Deze functie is door Drechtwerk voor [geïntimeerde] gecreëerd.

2.4.

Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO sociale werkvoorziening (hierna: de CAO), die - voor zover thans van belang - luidt als volgt.

“(…)

9.3

Training en opleiding

1. De werkgever bevordert de deelneming van de werknemer aan voorlichtings- trainings- en opleidingsactiviteiten, alsmede zo nodig de uitvoering van zodanige activiteiten, uitsluitend voor zover deze activiteiten gericht zijn op het verwerven van kennis en vaardigheden die voor de werknemer noodzakelijk zijn om zijn arbeid of zijn toekomstige arbeid zoveel mogelijk in overeenstemming met de doelstellingen omschreven in artikel 3 van de wet te kunnen verrichten.

2. De in lid 1 bedoelde activiteiten geschieden zoveel mogelijk binnen de werktijd, hetgeen ook geldt voor werknemers met een niet-volledige dienstbetrekking.

3. De werknemer kan de werkgever gemotiveerd verzoeken om deel te nemen aan een training of opleiding. Het is de werkgever die op het verzoek van de werknemer gemotiveerd een beslissing zal nemen.

4. Indien deze activiteiten niet in reguliere werktijd kunnen plaatsvinden, zal op lokaal niveau een compensatiemaatregel worden uitgewerkt, in welke regeling als uitgangspunt keuzevrijheid voor de werknemer geldt voor compensatie in tijd of geld.”

2.5.

Op de arbeidsovereenkomst is voorts van toepassing de Regeling Studiefaciliteiten SW medewerkers (hierna: de Regeling) , die - voor zover thans van belang - luidt als volgt.

“(…)

Paragraaf 1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

d) uitstroom: een arbeidsovereenkomst aangaan buiten de sociale werkvoorziening;

e) doorstroom: een andere functie uitoefenen binnen of buiten de sociale werkvoorziening;

(…)

Paragraaf 3 Opleidingen op verzoek van de werknemer

Artikel 1 Eisen voor toekenning

Het dagelijks bestuur kan, indien en voor zover het belang van Drechtwerk zulks toelaat, aan een werknemer op diens verzoek één of meer van de in de volgende artikelen omschreven studiefaciliteiten toekennen, indien:

a. met de studie een belang van Drechtwerk wordt gediend en

b. de opleiding door het Dagelijks Bestuur deugdelijk wordt geoordeeld.

(…)

Artikel 6 Studiekosten

1. De naar het oordeel van het Dagelijks Bestuur redelijk gemaakte studiekosten worden vergoed tot een percentage van:

• 75 voor cursus-, les- of collegegelden, examen- en diplomagelden alsmede studiemateriaal, met uitzondering van schrijfbehoeften, verzendkosten, duurzame gebruiksartikelen en niet verplicht voorgeschreven met de studie verband houdende boeken;

• 100 voor de noodzakelijke reiskosten, met dien verstande dat deze kosten worden berekend naar de minst kostbare wijze van openbaar vervoer dat geen vergoeding wordt gegeven indien de lessen worden gevolgd of het examen wordt afgelegd binnen de woonplaats.

Indien de werknemer een op uit-en/of doorstroombevorderende opleiding volgt worden, in het geval feitelijke uitstroom binnen één jaar plaatsvindt, de resterende 25% studiekosten vergoed.

(...)

Artikel 13 Nadere regels

1. (…)

2. Het Dagelijks Bestuur is bevoegd te beslissen voor zover nodig in afwijking (…) van deze regeling, in gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet.“

2.6.

De Regeling is toegelicht in het Handboek P&O WSW-personeel (hierna: het Handboek), dat - voor zover van belang - luidt als volgt:

“(…)

6.1

REGELING STUDIEFACILITEITEN DRECHTWERK

Drechtwerk vindt scholing van medewerkers belangrijk. Scholing kan nodig zijn om de huidige of toekomstige werkzaamheden goed uit te voeren. Een medewerker die een opleiding wil volgen, overlegt hierover met zijn leidinggevende. Als de opleiding noodzakelijk is, wordt de opleiding voor 100% vergoed. Vergoeding wordt verstrekt als:

- de studie nodig is om de huidige of toekomstige functie goed uit te oefenen

- de studie past bij de scholingsaanvraag

- de studie past bij de vooropleiding en de beroepservaring van de medewerker.

Als de studie wordt vergoed, vult de medewerker een aanvraagformulier Studiefaciliteiten in (zie bijlage).

De medewerker ontvangt vervolgens een bevestiging van goedkeuring.

6.2

VERGOEDING VAN STUDIEKOSTEN

De vergoeding bedraagt 75% van de kosten, indien het gaat om een opleiding die uit- of doorstroming bevordert. Na het volgen van een dergelijke opleiding dient er een kans op werk te zijn in de branche waarop de opleiding zich richt. Wanneer binnen 1 jaar sprake is van feitelijke doorstroming naar aanleiding van de gevolgde opleiding, wordt de overige 25% vergoed.

Voorafgaand aan een dergelijke opleiding worden hierover goede afspraken gemaakt met zowel leidinggevende als personeelsadviseur.”

2.7.

Bij brief van 10 februari 2014 heeft [geïntimeerde] aan Drechtwerk geschreven zich te willen aanmelden voor de deeltijd hbo-opleiding Toegepaste Psychologie (hierna: de hbo opleiding), zodat hij werkzaam kan zijn in een werkveld waarbij zijn lichamelijke beperkingen niet belemmerend zijn. [geïntimeerde] heeft Drechtwerk verzocht om een tegemoetkoming in de (studie)kosten. Drechtwerk heeft dit verzoek bij brieven van 4 en 7 juli 2014 afgewezen nu het niet voldoet aan de geldende criteria. Kort gezegd omdat de opleiding psychologie niet noodzakelijk wordt geacht voor de huidige of toekomstige functie en omdat de opleiding niet past bij de scholingsvraag en bij de vooropleiding en beroepservaring van [geïntimeerde] .

2.8.

[geïntimeerde] heeft zich ingeschreven voor de hbo-opleiding en sinds het collegejaar 2014-2015 studeert hij in deeltijd. Hij is nu bezig met het vierde studiejaar.

2.9.

[geïntimeerde] heeft zich bij brief van 24 juli 2014 gewend tot de Geschillencommissie SW (hierna: de Geschillencommissie). Op 6 oktober 2014 heeft de Geschillencommissie partijen gehoord tijdens een hoorzitting. Op 15 oktober 2014 heeft de Geschillencommissie het bezwaar van [geïntimeerde] ongegrond verklaard en tevens het volgende advies gegeven:

“(…)

4. Conclusie

Alles overziend stelt de Geschillencommissie vast dat er onvoldoende zekerheid is gegeven dat de HBO-opleiding Toegepaste Psychologie tot het vinden van een functie op de reguliere arbeidsmarkt, en daarmee tot uitstroom zou leiden, omdat:

 er geen concrete vooruitzichten zijn op een functie in dit verband en betrokkene overigens ook voor het praktijkjaar hierop is aangewezen;

 de achtergrond van betrokkene niet aansluit op de opleiding;

 bezwaarmaker ervaring op het vakgebied mist;

 ten aanzien van de huidige werkzaamheden de opleiding niet noodzakelijk is.

 Drechtwerk heeft hiermee in voldoende mate onderbouwd waarom zij de opleidingskosten, geheel of gedeeltelijk, niet wil vergoeden. De commissie verklaart het bezwaar derhalve ongegrond.

5. Advies

De commissie adviseert, wanneer de heer [geïntimeerde] er evenwel in slaagt binnen een jaar na het behalen van het diploma volgens nader te bepalen criteria uit te stromen naar een reguliere baan, Drechtwerk in de geest van de regeling de opleidingskosten met terugwerkende kracht volledig vergoed en hem dezelfde faciliteiten verleent als wanneer zij de kans wel reëel had geacht. De commissie acht het namelijk niet redelijk, dat in dat geval de heer [geïntimeerde] gedupeerd zou worden als gevolg van een alsdan bewezen – maar naar de kennis van nu overigens begrijpelijke – inschattingsfout van Drechtwerk. Voorts wil de commissie aanbevelen de studiekostenregeling uit het Handboek P&O WSW juridisch aan te scherpen en te verhelderen en een duidelijke scheiding aan te brengen tussen de regeling betreffende opleidingskosten in relatie tot functies binnen Drechtwerk en daarbuiten. (…)”

2.10.

Drechtwerk heeft bij brief van 17 oktober 2014 aan [geïntimeerde] geschreven het advies te zullen opvolgen, en daarbij het volgende vermeld:

“(…) De toekenning van de studiefaciliteiten heeft in dit geval een ‘bovenwettelijk’ karakter en kan niet worden gebaseerd op de Regeling (…). Het Dagelijks Bestuur geeft derhalve toepassing aan hetgeen in artikel 13 van de regeling is bepaald.

Drechtwerk stelt de volgende voorwaarden:

U kunt aanspraak maken op vergoeding van studiekosten met overeenkomstige toepassing van artikel 6 lid 1 van de regeling (i.c. 100%);

Deze aanspraak heeft u indien u er feitelijk in slaagt de opleiding af te ronden en binnen een jaar na het behalen van het diploma uit te stromen naar een reguliere baan.

Onder een reguliere baan (…) wordt verstaan een baan voor welke geen subsidie wordt verstrekt. De nieuwe baan moet leiden tot een beëindiging van het dienstverband met Drechtwerk, dan wel haar rechtsopvolgers. (…)”

2.11.

Op verzoek van [geïntimeerde] heeft Drechtwerk, in aanvulling op de brief van 17 oktober 2014, aangeboden de examendagen van [geïntimeerde] te vergoeden. Een nader verzoek van [geïntimeerde] om toekenning van vergoeding voor stagedagen (in het eerste jaar totaal 40 dagen), heeft Drechtwerk afgewezen.

2.12.

Tegen de achtergrond van deze feiten heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg bij de kantonrechter een procedure gestart tegen Drechtwerk en daarbij – samengevat – gevorderd een verklaring voor recht dat Drechtwerk gehouden is vooraf 75% van de kosten van de hbo-opleiding aan [geïntimeerde] te vergoeden en de benodigde studiefaciliteiten te verlenen (waaronder studieverlof en vergoeding van stagedagen), alsmede de veroordeling van Drechtwerk tot betaling van 75% van de opleidingskosten per direct en 25% indien [geïntimeerde] binnen een jaar na voltooiing van zijn opleiding uitstroomt en tot het verzorgen van studiefaciliteiten, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom. Volgens [geïntimeerde] vloeien deze verplichtingen voort uit de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst, in het bijzonder de Regeling en het Handboek, en dient Drechtwerk deze na te komen. De hbo-opleiding bevordert de uit- of doorstroming van [geïntimeerde] , immers na het met succes afronden van zijn opleiding zal hij als gediplomeerde meer kans hebben op een baan dan zonder diploma. In tegenstelling tot zijn huidige situatie, aangezien hij wegens lichamelijke klachten niet inzetbaar is in zijn oorspronkelijke werkveld als werktuigbouwkunde, zo stelt [geïntimeerde] .

2.13.

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis [geïntimeerde] opgedragen te bewijzen dat de door hem gevolgde opleiding zijn uitstroom bevordert en dat na hij het volgen van die opleiding een reële kans heeft op werk in de branche waarop zijn opleiding is gericht. In het eindvonnis van 19 januari 2017 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geïntimeerde] is geslaagd in dit bewijs. De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] (grotendeels) toegewezen en in het dictum:

  • -

    voor recht verklaard dat Drechtwerk de opleidingskosten van de hbo-opleiding voor 75% dient te vergoeden,

  • -

    Drechtwerk veroordeeld tot betaling van 75% van de opleidingskosten, bestaande uit les- en inschrijfgeld, boeken en leermiddelen, examengelden,

  • -

    Drechtwerk veroordeeld tot betaling van reiskosten en verblijfkosten ten behoeven van de te volgen hbo-opleiding,

  • -

    Drechtwerk veroordeeld tot het verzorgen van studiefaciliteiten ten behoeve van [geïntimeerde] , (a) waaronder in ieder geval vijf uur studieverlof per week vanaf 1 september 2014, waarvan bij gebreke van het verlenen van studieverlof in het verleden, deze uren worden nabetaald, vermeerderd met de wettelijke rente, (b) het meewerken in ruime zin van het uitvoeren van studieopdrachten en (c) het toekennen van een vergoeding voor de stagedagen, en

  • -

    Drechtwerk in de proceskosten veroordeeld.

3 Het geschil in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

Drechtwerk vordert in hoger beroep vernietiging van het tussenvonnis van 30 juni 2016 en het eindvonnis van 19 januari 2017, en opnieuw rechtdoende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog te ontzeggen, met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling aan Drechtwerk van hetgeen zij op grond van het eindvonnis van 19 januari 2017 aan [geïntimeerde] heeft betaald, vermeerderd met rente en (na)kosten. De grieven van Drechtwerk zijn – zakelijk weergegeven – gericht tegen de uitleg die de kantonrechter heeft gegeven aan de Regeling, tegen de verleende bewijsopdracht en tegen de bewijswaardering.

3.2.

[geïntimeerde] heeft de vorderingen van Drechtwerk in het principaal appel gemotiveerd weersproken en vordert in het incidenteel appel – na wijziging van eis en samengevat – vernietiging van eindvonnis van 19 januari 2017 voor zover het betreft de afwijzing van de vordering tot betaling van 100% van de opleidingskosten en de afwijzing van de dwangsom, en opnieuw rechtdoende:

I. Veroordeling van Drechtwerk tot betaling van een bedrag ter hoogte van 100 procent van de opleidingskosten, indien naar aanleiding van het volgen van de hbo-opleiding Toegepaste Psychologie, binnen één jaar na afronding daarvan, sprake is van uit- of doorstroming;

II. Oplegging van een dwangsom van € 5.000 per overtreding per week, met een maximaal te verbeuren dwangsom van € 50.000, althans een zodanige dwangsom als het hof in redelijkheid zal vaststellen, indien Drechtwerk niet meewerkt aan het verzorgen van redelijke studiefaciliteiten en vergoeding van redelijke studiekosten in de brede zin des woords;

III. Drechtwerk te verplichten tot het verzorgen van studiefaciliteiten ten behoeve van [geïntimeerde] , waaronder in ieder geval:

a) het verlenen van 5 uur studieverlof per week, uitgaande van 52 weken per jaar, althans 45 weken per jaar, vanaf 1 september 2014 tot de datum waarop [geïntimeerde] de hbo-opleiding Toegepaste Psychologie heeft afgerond, waarvan bij gebreke van het verlenen van studieverlof in het verleden, deze uren worden nabetaald, vermeerderd met wettelijke rente, althans alsnog worden toegekend in compensatie-uren;

b) het meewerken in ruime zin aan het uitvoeren van studieopdrachten;

c) medewerking aan een vergoeding van door de opleiding verplicht gestelde stagedagen van in totaal 1.120 uur;

d) het verlenen van 8 uur examenverlof (niet zijnde studieverlof) per tentamen; en

e) het verlenen van 160 uur betaald afstudeerverlof, niet zijnde studieverlof of examenverlof;

met veroordeling van Drechtwerk in de kosten in beide instanties.

4 De beoordeling van het hoger beroep

Principaal appel

4.1.

Vast staat dat op [geïntimeerde] als SW-werknemer de rechtspositiebepalingen van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing zijn, alsmede de bepalingen in de CAO voor de sociale werkvoorziening. De kantonrechter was dan ook de bevoegde rechter om over de vorderingen van [geïntimeerde] te oordelen, die de invulling van zijn arbeidsovereenkomst en daaruit voortvloeiende rechten betreffen. Het arbeidsrechtelijke kader is bovendien van belang bij de beoordeling van de kernvraag of [geïntimeerde] aanspraak heeft op vergoeding van studiekosten en het verkrijgen van studiefaciliteiten vooraf, en op grond van welke bepalingen die vraag moet worden beantwoord.

4.2.

Drechtwerk stelt zich bij memorie van grieven op het standpunt dat zij binnen de haar toekomende beleidsvrijheid heeft kunnen besluiten om [geïntimeerde] pas na afronding van de studie, wanneer hij binnen één jaar daarna een baan heeft gevonden, een vergoeding van 100% van de studiekosten toe te kennen. De rechter kan dit volgens Drechtwerk alleen marginaal toetsen en beoordelen of Drechtwerk, mede gezien het oordeel van de Geschillencommissie, als een redelijk werkgever tot de afwijzing van het verzoek van [geïntimeerde] heeft kunnen komen, aldus Drechtwerk bij Grief III. Drechtwerk behoefde daarbij alleen te toetsen aan de Regeling en [geïntimeerde] mocht er niet op vertrouwen dat de Regeling zou worden toegepast conform de toelichting in het Handboek (Grief I). Bovendien heeft Drechtwerk gegronde twijfels kunnen hebben aan de bevordering van de uitstroommogelijkheden van [geïntimeerde] door het volgen van de hbo-opleiding, aldus nog steeds Drechtwerk (bij Grief II).

4.3.

Tussen partijen staat vast dat het verzoek van [geïntimeerde] is gegrond op Paragraaf 3 van de Regeling, die geldt voor de toekenning van studiefaciliteiten voor een niet-functiegerichte opleiding, te weten een opleiding die de doorstroom of uitstroom bevordert. Het hof is, evenals de kantonrechter, van oordeel dat Drechtwerk was gehouden om het verzoek van [geïntimeerde] ook aan de hand van de toelichting in het Handboek te beoordelen, en niet alleen op basis van de CAO en de Regeling. Immers, bij de uitleg van rechten en plichten uit de (arbeids)overeenkomst tussen partijen zijn de toepasselijke regels uit de CAO en de Regeling over de toekenning van studievoorzieningen (hierna: de regelingen) van belang. Drechtwerk heeft niet weersproken dat het Handboek een verduidelijking vormt voor het personeel van bepalingen uit de Regeling. Bovendien heeft Drechtwerk ter zitting van het hof desgevraagd medegedeeld dat het Handboek juist invulling geeft aan het hanteren van de discretionaire bevoegdheid van het Bestuur uit de Regeling (“Met het Handboek laten wij dus zien hoe wij toetsen”).

4.4.

In dit geval komt – conform de objectieve uitleg volgens de CAO-norm – dan ook niet alleen doorslaggevende betekenis toe aan de specifieke bewoordingen van de betreffende bepalingen in de Regeling en de CAO (gelezen in het licht van de gehele tekst van die regelingen), maar ook aan de bij die Regeling behorende schriftelijke toelichting, te weten: het Handboek. De begintekst van het Handboek “Medewerkers ontlenen hun rechten aan deze onderliggende regelingen”, waaruit volgens Drechtwerk zou voortvloeien dat men zich niet op het Handboek kan beroepen, is onvoldoende om daarmee het Handboek terzijde te stellen. [geïntimeerde] mocht er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de Regeling door Drechtwerk werd toegepast met inachtneming van de toelichting uit het Handboek. Grief I wordt dan ook verworpen.

4.5.

Het voorgaande brengt mee dat Drechtwerk de aanvraag van [geïntimeerde] om toekenning van studiefaciliteiten had moeten beoordelen met inachtneming van de toelichting in 6.2 van het Handboek. Dit betekent dat Drechtwerk gehouden is om aan [geïntimeerde] vooraf studiefaciliteiten toe te kennen van 75% van de kosten, indien de opleiding de uit- of doorstroming van [geïntimeerde] bevordert, en na het volgen van de opleiding er een reële kans op werk is in de branche waarop de opleiding zich richt. Volgens de begripsbepalingen in Paragraaf 1 van de Regeling wordt met uitstroom bedoeld: het aangaan van een arbeidsovereenkomst buiten de sociale werkvoorziening, en met doorstroom: het uitoefenen van een andere functie binnen of buiten de sociale werkvoorziening. De kantonrechter heeft naar het oordeel van het hof terecht overwogen, alhoewel het volgens de letterlijke tekst van het Handboek om “een kans” op werk gaat, dat dit een “reële kans” moet zijn. Wanneer het slechts om een kans zou gaan, zou dit criterium immers ieder onderscheidend vermogen missen, hetgeen geen aannemelijke uitleg is.

4.6.

Vervolgens is aan de orde welke beoordelingsmaatstaf in dit geval heeft te gelden; Volgens Drechtwerk dient de rechter marginaal te toetsen, omdat de Regeling voorziet in een ruime discretionaire bevoegdheid. Volgens [geïntimeerde] dient de rechter vol te toetsen. Het hof overweegt ter zake als volgt. Zoals hiervoor in 4.1 is vermeld, zijn op de rechtspositie van [geïntimeerde] jegens Drechtwerk de arbeidsrechtelijke bepalingen van Boek 7, Titel 10 BW van toepassing. Op grond van artikel 7:611 BW is de werkgever verplicht zich als een goed werkgever te gedragen. Dit is ook het toetsingskader voor de rechter, met inachtneming van de toepasselijke regelingen en de toelichting in het Handboek. Drechtwerk heeft – in navolging van het advies van de Geschillencommissie – op het verzoek van [geïntimeerde] beslist dat hij niet vooraf, maar pas na afronding van de studie en wanneer hij binnen één jaar een baan buiten Drechtwerk heeft gevonden, een vergoeding van 100% van de studiekosten toegekend krijgt. De vraag die het hof dan ook dient te beantwoorden is of Drechtwerk binnen de grenzen van het goed werkgeverschap, mede gelet op de ratio van de Regeling en de relevante omstandigheden van het geval, in redelijkheid tot deze beslissing heeft kunnen komen. Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat Drechtwerk een zekere mate van beoordelingsvrijheid heeft ten aanzien van de vraag of aan [geïntimeerde] vooraf studiefaciliteiten worden toegekend (binnen de grenzen van het goed werkgeverschap). Immers, blijkens de eisen voor toekenning van studiefaciliteiten (artikel 1 van de Regeling) kan Drechtwerk studiefaciliteiten toekennen, voor zover het belang van Drechtwerk dat toelaat, met de studie een belang van Drechtwerk wordt gediend en de opleiding door het Dagelijks Bestuur deugdelijk wordt geacht. Drechtwerk heeft dit belang ter zitting in hoger beroep verder toegelicht en gesteld dat zij een beperkt opleidingsbudget heeft en dat het bedrag dat [geïntimeerde] claimt substantieel is (“wij kunnen voor dat bedrag meerdere mensen opleiden”). Voor Drechtwerk is verder (als sociale werkvoorziening) van belang of de opleiding op korte termijn tot uitstroom leidt.

4.7.

Met betrekking tot de vraag of Drechtwerk in redelijkheid tot haar beslissing heeft kunnen komen om [geïntimeerde] geen studiefaciliteiten vooraf toe te kennen, overweegt het hof het volgende. Volgens Drechtwerk heeft de kantonrechter ten onrechte als maatstaf gehanteerd dat “voldoende aannemelijk” is dat de opleiding de uitstroom bevordert en dat na het volgen van de opleiding een reële kans bestaat op werk in de branche waarop de opleiding is gericht (Grief VI) en ten onrechte geoordeeld dat een kans van ongeveer 40% als reëel moet worden beschouwd (Grief V). Drechtwerk heeft verder de door de kantonrechter vastgestelde 40% kans gemotiveerd betwist, en daarbij betoogd (Grief IV) dat de kantonrechter in het bepalen van de kans van 40% niet heeft meegewogen dat afgestudeerden van de opleiding Toegepaste Psychologie met 15% de lijst van werklozen aanvoeren, het minst snel een baan vinden, het laagste salaris hebben en het minste kans hebben op een vaste baan. [geïntimeerde] heeft dit alles niet gemotiveerd weersproken, evenmin als de vaststelling door de kantonrechter dat uit de beschikbare bewijsstukken een kans van 40% blijkt op werk in de branche waarop de opleiding is gericht. Ook [geïntimeerde] acht blijkens zijn stellingen in hoger beroep een kans van 40% kennelijk reëel.

4.8.

Het hof oordeelt echter, gelet op het voorgaande, dat uit de beschikbare bewijsstukken niet aannemelijk is geworden – waarmee wordt bedoeld dat hieruit niet met een redelijke mate van zekerheid volgt – dat [geïntimeerde] een reële kans op werk maakt in de branche waarop de opleiding zich richt. Dit heeft te maken met het feit dat het hof, anders dan de kantonrechter, een kans van 40% op werk te klein acht om als reëel te worden beschouwd, terwijl voorts uit de bewijsstukken ook niet volgt dat de deze 40% leidt tot een baan “in de branche waarop de opleiding is gericht”, zoals artikel 6.2 van de Regeling voorschrijft. Uit de overgelegde bewijsstukken blijkt naar het oordeel van hof een onvoldoende rooskleurig beeld voor afgestudeerde studenten Toegepaste Psychologie. Hierbij acht het hof ook van belang dat de bijdrage die [geïntimeerde] van Drechtwerk vraagt substantieel te noemen is en Drechtwerk onweersproken heeft gesteld dat haar financiële middelen beperkt zijn. Grieven V en VI slagen dan ook. De overige grieven IV, VII en VIII – die als strekking hebben dat de kans op werk lager moet zijn dan de door de kantonrechter vastgestelde 40% – behoeven geen behandeling meer bij gebrek aan belang.

4.9.

[geïntimeerde] heeft (in randnummer 21 van zijn memorie van antwoord in principaal appel) nog aangevoerd dat juist in zijn individuele geval op Drechtwerk als goed werkgever de verplichting rustte om samen met hem te kijken naar zijn loopbaanmogelijkheden, opleidingsbehoefte en zijn kansen op uitstroom of doorstroom naar werk buiten de SW. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat Drechtwerk (in strijd met artikel 9.1 van CAO) geen gericht studieadvies heeft ingewonnen, en evenmin een individueel ontwikkelingsprogramma voor hem heeft opgesteld; alleen het functioneren in de huidige functie is jaarlijks aan de orde gekomen. Het hof is echter van oordeel dat, alhoewel één van de doelstellingen van Drechtwerk als sociale werkvoorziening (zie bijvoorbeeld artikel 3 van de Wet SW) kort gezegd is: het “klaarstomen” van SW-werknemers voor de reguliere arbeidsmarkt, dit nog niet betekent dat Drechtwerk in de door [geïntimeerde] gestelde omstandigheden kan worden gehouden tot het verschaffen van studiefaciliteiten vooraf. Het goed werkgeverschap brengt niet mee dat Drechtwerk iedere opleiding die een kans biedt op uit- of doorstroom vooraf zou moeten faciliteren; het moet gaan om een reële kans op werk in de branche waarop de opleiding is gericht. Dit betekent dat Drechtwerk in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat [geïntimeerde] niet in aanmerking komt voor studiekostenvergoeding op grond van de Regeling.

4.10.

Het hof komt op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, tot de conclusie dat Drechtwerk binnen de grenzen van het goed werkgeverschap in redelijkheid heeft kunnen besluiten om [geïntimeerde] pas na afronding van de studie en wanneer hij binnen één jaar een baan heeft gevonden, een vergoeding van 100% van de studiekosten toe te kennen.

4.11.

Grief IX (tegen het verlenen van vijf uur studieverlof per week) behoeft geen bespreking meer. [geïntimeerde] zal in de proceskosten in eerste instantie worden veroordeeld, zodat ook Grief X slaagt. De door de kantonrechter in eerste aanleg toegewezen vorderingen van [geïntimeerde] zullen alsnog worden afgewezen.

Incidenteel appel

4.12.

Met Grief II in het incidenteel appel komt [geïntimeerde] op tegen de afwijzing van zijn vordering tot betaling van een bedrag ter hoogte van 100% van de opleidingskosten indien naar aanleiding van het volgen van de hbo-opleiding Toegepaste Psychologie, binnen één jaar na afronding daarvan, sprake is van uit- of doorstroming. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen bij gebrek aan belang, omdat Drechtwerk heeft toegezegd aan deze verplichting te zullen voldoen. [geïntimeerde] voert in de toelichting op zijn grief aan, dat hij gegronde vrees heeft dat Drechtwerk niet aan deze eis zal voldoen. Drechtwerk toont zich, aldus [geïntimeerde] , niet bereid ook maar enigszins ruimer mee te werken aan de uitvoering van het vonnis, dan absoluut noodzakelijk en daarom vreest (zo begrijpt het hof) [geïntimeerde] dat de toezegging van Drechtwerk zich beperkt tot betaling in geval binnen één jaar na afronding van de opleiding sprake is van uitstroming.

4.13.

Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] geen recht op meer dan de door Drechtwerk gedane toezegging. Zoals uit het vorenstaande volgt – opvolging van het advies van de Geschillencommissie is geschied vanuit het oogpunt van coulance – valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien op basis van welke rechtsregel [geïntimeerde] meent aanspraak te maken op meer dan hem is toegezegd. Het besluit van Drechtwerk van 17 oktober 2014 laat over de toezegging geen misverstand bestaan: "Deze aanspraak heeft u indien u er feitelijk in slaagt de opleiding af te ronden en binnen een jaar na het behalen van het diploma uit te stromen naar een reguliere baan. Onder een reguliere baan, wordt verstaan een baan voor welke geen subsidie wordt verstrekt. De nieuwe baan moet leiden tot een beëindiging van het dienstverband met Drechtwerk, dan wel haar rechtsopvolgers". [geïntimeerde] heeft geen omstandigheden gesteld waaraan het vermoeden kan worden ontleend dat Drechtwerk haar toezegging niet gesteld zal doen. Dit betekent dat Grief II faalt. Grief I (waarin [geïntimeerde] erover klaagt dat geen dwangsom is opgelegd) faalt om voorgaande redenen eveneens. Ten overvloede merkt het hof nog op dat Drechtwerk desgevraagd ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat zij (vrijwillig) zal voldoen aan een veroordeling door het hof.

Slotsom en proceskosten

4.14.

Dit betekent dat het principaal appel slaagt en het incidenteel appel faalt. Het bestreden eindvonnis kan niet in stand kan blijven. De vorderingen van [geïntimeerde] zullen alsnog worden afgewezen. Omdat in het bestreden tussenvonnis geen te executeren beslissingen zijn opgenomen, zal het hof in het dictum geen beslissing opnemen ten aanzien van dat vonnis. De veroordeling tot terugbetaling van hetgeen [geïntimeerde] op basis van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft betaald, zal eveneens worden toegewezen. Bij deze uitkomst past dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld in de proceskosten van zowel de eerste aanleg als het hoger beroep in het principaal en het incidenteel appel.

4 Beslissing


Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen eindvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Dordrecht van 19 januari 2017,

en opnieuw rechtdoende:

- wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

- veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling van al hetgeen Drechtwerk ter uitvoering van het vernietigde eindvonnis aan hem heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf het moment van betaling tot aan het moment van terugbetaling;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste instantie, aan de zijde van Drechtwerk tot op heden begroot op € 750 aan salaris advocaat;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Drechtwerk tot op heden begroot op € 97,31 aan explootkosten, € 716 aan griffierecht, € 1.074 aan salaris advocaat in het principaal appel, € 537 aan salaris advocaat in het incidenteel appel en op € 131 aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 68 indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 68, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van veertien dagen;

- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Cleef-Metsaars, M.J van der Ven en C.J. Frikkee en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juni 2018 in aanwezigheid van de griffier.