Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1565

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
04-07-2018
Zaaknummer
200.207.060/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag van gewijsde. Onrechtmatig beslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.207.060/01

Zaaknummer rechtbank: 4428454 CV EXPL 15-4335

Arrest van 29 mei 2018

inzake

1. [de V.O.F.],

gevestigd te [plaats] ,

en haar vennoten

2. [de vennoot 1],

wonende te [plaats] ,

3. [de vennoot 2],

wonende te [plaats] ,

appellanten,

hierna gezamenlijk te noemen: [de V.O.F.] ,

advocaat: mr. W.F. Roelink te Hoofddorp,

tegen

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. C.W. Wernink te Nieuwkoop.

Het geding

Bij exploot van 9 november 2016 is [de V.O.F.] in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gewezen vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Gouda, van 14 april 2016 (hierna: het tussenvonnis) en 11 augustus 2016 (hierna: het eindvonnis). [de V.O.F.] heeft bij memorie van grieven twee grieven aangevoerd. [geïntimeerde] heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Vervolgens is een datum voor arrest bepaald.

Beoordeling in hoger beroep

De feiten

In hoger beroep is niet (voldoende specifiek) opgekomen tegen de vaststelling van de feiten in r.o. 2.1 van het tussenvonnis. Met inachtneming van die feiten en van hetgeen verder is komen vast te staan, gaat het in deze zaak om het volgende.

1.1

[de V.O.F.] huurde met ingang van 1 november 1999 van [geïntimeerde] de bedrijfsruimte aan [het adres] (hierna: het gehuurde). [de V.O.F.] exploiteerde ter plaatse een discotheek. Tussen partijen zijn geschillen ontstaan met betrekking tot de staat van onderhoud van het gehuurde en de betaling van de huur.

Het vonnis van 2005

1.2

Bij vonnis van 1 maart 2005 van de kantonrechter te Alphen aan den Rijn (hierna: het vonnis van 2005) is [de V.O.F.] gemachtigd om achterstallig onderhoud en gebreken zelf te (doen) verrichten en de daarvoor gemaakte redelijke kosten op de (opgeschorte) huurpenningen te verhalen.

1.3

Omstreeks eind december/begin januari 2009 heeft [de V.O.F.] haar activiteiten in het gehuurde gestaakt. Rond 23 juli 2009 heeft [de V.O.F.] het gehuurde ontruimd en aan [geïntimeerde] opgeleverd.

Het vonnis van 2010

1.4

Eind 2009 heeft [geïntimeerde] een procedure tegen [de V.O.F.] aanhangig gemaakt en daarin onder meer gevorderd: ontbinding van de huurovereenkomst per 31 oktober 2009, betaling van een bedrag aan huurpenningen en vergoeding van schade die [de V.O.F.] aan het interieur heeft toegebracht, op te maken bij staat.

Bij vonnis van 6 april 2010 heeft de kantonrechter te Alphen aan den Rijn de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden per 31 oktober 2009 en [de V.O.F.] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van de achterstallige huur en de huur tot aan de datum van ontbinding, te vermeerderen met kosten en rente. Ook is [de V.O.F.] veroordeeld tot betaling van de nader bij staat op te maken schade die zij aan het gehuurde heeft toegebracht. Op grond van dit vonnis (dat hierna zal worden genoemd: het vonnis van 2010) heeft [de V.O.F.] € 65.350,79 aan [geïntimeerde] betaald (inclusief rente en kosten).

Arrest I

1.5

[de V.O.F.] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 2010 en [geïntimeerde] heeft daartegen incidenteel appel ingesteld. Het incidenteel appel was niet gericht tegen de hoogte van de in het vonnis van 2010 toegewezen huur.

Bij arrest van 13 november 2012 (hierna: arrest I) heeft het gerechtshof ’s-Gravenhage het principaal appel van [de V.O.F.] deels gegrond bevonden en het incidenteel appel van [geïntimeerde] verworpen. In het principaal appel is het vonnis van 2010 vernietigd. Het hof heeft onder meer overwogen:

“42. Dit brengt het totaal aan verschuldigde huur tot en met 31 oktober 2009 op € 54.700,54 plus € 176.096,59 plus € 6.677,78 = € 237.474,91.

Op dit bedrag mag [de V.O.F.] in deze procedure voormeld bedrag van € 26.260,17 (zie rechtsoverweging 30) in compensatie brengen.

Daarnaast heeft [de V.O.F.] medio 2005 daarop in mindering het bedrag van € 18.921,49 betaald.

Voorts is betaald in 2005: € 18.441,90; in 2006: € 28.279,19 (de huur over december 2006 is immers pas in januari 2007 betaald); 2007: € 37.963,42; in juli 2010: € 58.769,82.

Aldus resteert een bedrag van € 237.474,91 min € 188.635,99 = € 48.938,92.

43. Voorzover [de V.O.F.] met de eerste drie grieven waarin het bedrag van de nog te betalen huur aan de orde wordt gesteld beoogd heeft dat zij een lager bedrag aan huur verschuldigd is dan waartoe kantonrechter haar heeft veroordeeld (in totaal ruim € 52.183,28, zijnde € 32.192,76 plus € 6.667,28 plus ruim vier maanden ad € 3.328,06), heeft zij daarmee succes.”

In het dictum is onder meer opgenomen:

in het principaal appel

- vernietigt het bestreden vonnis

en opnieuw rechtdoende:

- ontbindt de huurovereenkomst per 6 april 2010;

- veroordeelt [de V.O.F.] hoofdelijk aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 48.838,92, zijnde de resterende huur/schadevergoeding tot en met 31 oktober 2009;”

Ook heeft het hof [de V.O.F.] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van de nader bij staat op te maken schade die [de V.O.F.] aan het gehuurde heeft toegebracht en tot betaling van de proceskosten in eerste aanleg die op € 1.080,25 zijn begroot.

Arrest II

1.6

Tussen partijen is een geschil ontstaan over de uitleg van het dictum van arrest I. In een in dat verband gevoerd kort geding zijn zij overeengekomen hun geschil hierover bij wege van prorogatie aan het gerechtshof Den Haag voor te leggen. Het hof heeft op 10 september 2013 arrest gewezen (hierna: arrest II). Daarin is onder meer overwogen:

“1. Partijen betrekken elkaar al jarenlang in procedures die alle betrekking hebben op een door [de V.O.F.] van [geïntimeerde] gehuurde discotheek. Eén van die procedures is uitgemond in het inmiddels onherroepelijk geworden arrest van dit hof van 13 november 2012 (...). In dat arrest is het in appel bestreden vonnis van de kantonrechter van 6 april 2010 vernietigd, voor recht verklaard dat de huurovereenkomst per 6 april 2010 is ontbonden en is [de V.O.F.] veroordeeld tot betaling van € 48.838,92.

2. In verband met de executie van het arrest hebben partijen opnieuw onenigheid gekregen. Zij zijn het niet met elkaar eens over de uitleg van het dictum. In het daarover aangespannen kort geding zijn zij overeengekomen hun geschil bij wege van prorogatie aan het hof voor te leggen met het verzoek te beslissen welk van beide standpunten juist is. (…)

4. (…) Tegen de achtergrond van (...) heeft het hof bij het hier besproken arrest van 13 september 2012 uitgerekend wat [de V.O.F.] aan huur (gebruiksvergoeding) verschuldigd is geworden tot de datum van de thans als definitief geldende ontbindingsdatum van 6 april 2010.

5. (...) Na aftrek van de door [de V.O.F.] betaalde bedragen, waaronder het in juli 2010 betaalde bedrag van € 58.769,82,alsmede de bedragen die naar het oordeel van het hof op dat moment op basis van de machtiging van de kantonrechter voor compensatie in aanmerking kwamen, resteerde volgens het hof een bedrag ad € 48.938,92 als nog door [de V.O.F.] aan huur te betalen. Het is dus de bedoeling van het hof geweest dat [de V.O.F.] dat bedrag nog zou moeten betalen als huur, waarmee de kwestie betreffende de huur (...) de wereld uit zou zijn.

6. Het hof veroordeelde [de V.O.F.] echter tot betaling van dat bedrag zonder zich te

realiseren, dat in het in juli 2010 betaalde bedrag van € 58.769,92 het bedrag van € 52.123,28 was begrepen, dat in het vonnis van 6 april 2010 is genoemd en dat het bedrag van € 58.769,82 is betaald ter uitvoering van het vonnis van 6 april 2010, zoals partijen thans aanvoeren. (...)

7. Vernietiging van het vonnis van 6 april 2010, waartoe het hof vervolgens is overgegaan, brengt met zich dat het arrest van 13 november 2012 in de plaats is gekomen van dat vonnis en dat al hetgeen ter uitvoering van het vonnis is verricht teruggedraaid dient te worden. Als het hof zich had gerealiseerd dat het bedrag ad € 58.769,82 alleen maar ter uitvoering van het vernietigde vonnis was betaald en in zoverre in deze procedure niet in mindering op de verschuldigde huur had mogen worden gebracht, zou het tot de conclusie zijn gekomen dat [de V.O.F.] meer aan huur verschuldigd bleek te zijn dan waartoe zij bij vonnis van 6 april 2010 door de kantonrechter was veroordeeld. Omdat een appellant niet slechter mag worden van zijn hoger beroep en [geïntimeerde] op het punt van de betaling van de verschuldigde huur geen incidenteel appel heeft ingesteld, had het hof zich gebonden moeten achten aan het door de kantonrechter toegekende bedrag (...). Het hof zou daarom in dat geval het vonnis op het punt van de betaling van in totaal € 52.123,28 hebben bekrachtigd.

8. Resumerend: De bedoeling van het hof is dus geweest om vast te stellen wat [de V.O.F.] nog in totaal aan huur verschuldigd was en haar tot betaling van dat bedrag te veroordelen. Daarbij heeft het de betaling van € 58.769,82 in aanmerking genomen, zodat [de V.O.F.] nog een aanvullend bedrag van € 48.938,92 diende te betalen (...).

9. De beslissing is echter geweest dat het vonnis van 6 april 2010 werd vernietigd met veroordeling van [de V.O.F.] tot betaling van € 48.838,92 (lees € 48.938,92). Het dictum van het arrest luidt zo en het dictum is leidend. Het standpunt van [geïntimeerde] dat het vonnis van 6 april 2010 weliswaar is vernietigd, maar dat daarmee niet de rechtsgrond is komen te ontvallen aan de op basis van dat vonnis verrichte betaling van € 58.769,82, is onjuist. Voor zover de betaling van € 58.769,82 op basis van dat vonnis heeft plaatsgevonden, is aan die betaling wel de rechtsgrond komen te ontvallen.

10. Dat betekent dat het standpunt van [de V.O.F.] in zoverre juist is, dat het dictum van het arrest van 13 november 2012, gelezen dient te worden als vervangende het dictum van het vonnis 6 april 2010, met dien verstande dat uitsluitend de daarin opgenomen veroordelingen van [de V.O.F.] tot een bedrag ad € 52.123,28 worden vervangen door € 48.938,92. Het betekent niet dat [de V.O.F.] daarmee de volledig verschuldigde huur heeft voldaan. Daartoe is betaling van het bedrag van € 48.938,92 vereist. De vraag in hoeverre dat bedrag in rechte

invorderbaar is, laat het hof hierbij onbeantwoord.

(…)

Beslissing

Het hof:

- bepaalt dat het standpunt van [de V.O.F.] in zoverre juist is, dat het dictum van het arrest, gelezen dient te worden als vervangende het dictum van het vonnis 6 april 2010, met dien verstande dat uitsluitend de daarin opgenomen veroordelingen van [de V.O.F.] tot een bedrag van in totaal € 52.123,28 worden vervangen door € 48.938,92.”

Het vonnis van 2013 en arrest III

1.7

Tussen partijen is vervolgens geprocedeerd over onder meer (i) de schade, op te maken bij staat, tot betaling waarvan [de V.O.F.] bij vonnis van 2010 en daarna bij arrest I was veroordeeld, (ii) de vraag of [de V.O.F.] ingevolge het vonnis van 2005 jegens [geïntimeerde] recht had op vergoeding van door [de V.O.F.] uitgevoerd achterstallig onderhoud aan het gehuurde. Ook heeft [geïntimeerde] in de betreffende procedure (iii) een verklaring voor recht gevorderd, kort gezegd inhoudende dat de betaling van [de V.O.F.] ingevolge het (vernietigde) vonnis van 2010 verschuldigd is gedaan en dat [de V.O.F.] ingevolge arrest I gehouden is om in aanvulling daarop een bedrag van € 48.938,92 aan [geïntimeerde] te betalen wegens nog verschuldigde huur. Ter onderbouwing hiervan heeft [geïntimeerde] verwezen naar r.o. 10 van arrest II. Bij vonnis van 14 november 2013 (hierna: het vonnis van 2013) heeft de kantonrechter te Gouda naar aanleiding van vraagpunt (ii) [geïntimeerde] veroordeeld om € 31.140,87 met rente aan [de V.O.F.] te betalen wegens door [de V.O.F.] gemaakte onderhoudskosten. De door [geïntimeerde] gevorderde verklaring voor recht (iii) is afgewezen. Daartoe is overwogen:

“2.19 Bij akte vermeerdering van eis vordert [geïntimeerde] tevens in conventie dat voor recht wordt verklaard:

a. dat het in 2010 door [de V.O.F.] betaalde bedrag van € 58.769,82 verschuldigd is betaald;

b. dat [de V.O.F.] een bedrag van € 48.938,92 aan [geïntimeerde] dient te betalen in aanvulling op het bedrag van € 58.769,82 ingevolge het arrest van 13 november 2012.

(...)

2.26

De bij eiswijziging in conventie gevorderde verklaring voor recht betreft het geschil waarover het gerechtshof heeft beslist bij arresten van 13 november 2012 en 10 september 2013. Gelet op het onder 3.1 overwogene kan dit geschil vervolgens niet aan de kantonrechter voorgelegd worden. Indien een partij het niet eens is met een vonnis of arrest dient die partij een rechtsmiddel aan te wenden, danwel een executiegeschil aanhangig te maken. De in conventie gevorderde verklaring voor recht zal dus worden afgewezen. (...)”

Dit vonnis is bekrachtigd bij arrest van 31 maart 2015 van het gerechtshof Den Haag (hierna: arrest III). Het hof heeft overwogen (in zijn tussenarrest van 10 februari 2015):

“2.13 De bestreden beslissing van de rechtbank is juist. [geïntimeerde] miskent met de toelichting op de grief dat het vonnis van 6 april 2010 is vernietigd en daarmee geen rechtskracht meer toekomt en dat bij het arrest van 13 november 2012 opnieuw omtrent het geschil tussen partijen is beslist.

2.l4 De gewijzigde vordering in hoger beroep wegens (onder meer) huur over de periode “oktober 2003 tot en met oktober 2009” alsmede “van november 2009 tot 13 juli 2010” en wegens beweerdelijk door [de V.O.F.] ten onrechte op de huur ingehouden bedragen, betreffende oorspronkelijke zaak II, stuit in al zijn onderdelen af op hetgeen in het arrest van 13 november 2012 is beslist.

Het beslag van [de V.O.F.]

1.8

Bij exploot van d.d. 22 november 2013 heeft [de V.O.F.] het vonnis van 2013 aan [geïntimeerde] doen betekenen met aanzegging om op grond daarvan, inclusief rente en kosten, te betalen een bedrag van in totaal € 45.739,89. Bij brief van dezelfde datum heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] aan de gemachtigde van [de V.O.F.] meegedeeld dat [geïntimeerde] hetgeen hij ingevolge het vonnis van 2013 aan [de V.O.F.] is verschuldigd, wil verrekenen met hetgeen hij op grond van arrest I van [de V.O.F.] heeft te vorderen. [de V.O.F.] heeft hiermee niet ingestemd; zij heeft in november 2013 executoriaal beslag gelegd op het gehuurde onder verwijzing naar het vonnis van 2013 (hierna te noemen: het beslag van [de V.O.F.] ).

Het eigenbeslag van [geïntimeerde]

1.9

heeft in juni 2015 executoriaal beslag onder zichzelf gelegd (op hetgeen [de V.O.F.] nog van hem had te vorderen, hierna: het eigenbeslag van [geïntimeerde] ). Hij heeft zich daartoe beroepen op arrest I waaruit volgens hem voortvloeit dat [de V.O.F.] € 48.938,92 aan [geïntimeerde] is verschuldigd in aanvulling op hetgeen [de V.O.F.] ingevolge het vonnis van 2010 aan [geïntimeerde] heeft betaald.

De onderhavige procedure in eerste aanleg

2.1

[de V.O.F.] heeft in eerste aanleg onder meer gevorderd, zakelijk weergegeven:

a. een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] zich jegens [de V.O.F.] uit onrechtmatige daad heeft

verbonden door op basis van arrest I eigenbeslag te leggen, met verwijzing naar de schadestaatprocedure;

b. opheffing van het eigenbeslag, op straffe van een dwangsom, met machtiging van [de V.O.F.] om het eigenbeslag zelf te doen opheffen;

c. veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan [de V.O.F.] van € 16.511,87, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 1 december 2012 tot aan de dag van algehele voldoening

d. veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.

2.2

[de V.O.F.] legt hieraan kort gezegd het volgende ten grondslag. [de V.O.F.] heeft in totaal € 65.350,79 aan [geïntimeerde] betaald ter uitvoering van het vonnis van 2010. Het vonnis van 2010 is bij arrest I vernietigd. In arrest I is [de V.O.F.] tot betaling van een lager huurbedrag veroordeeld, namelijk € 48.838,92, zodat [de V.O.F.] per saldo € 16.511,87 onverschuldigd aan [geïntimeerde] heeft betaald (€ 65.350,79 minus € 48.838,92) en [geïntimeerde] dit bedrag moet terugbetalen. [geïntimeerde] stelt zich dus ten onrechte op het standpunt dat [de V.O.F.] hem ingevolge arrest I nog moet betalen. Het eigenbeslag van [geïntimeerde] is onrechtmatig omdat daarvoor geen grondslag aanwezig is. [de V.O.F.] verzoekt om verwijzing naar de schadestaatprocedure nu de door haar geleden schade, onder meer bestaande uit de volle omvang van de noodzakelijke kosten van rechtsbijstand in verband met de opheffing van het beslag, nog niet volledig bekend is.

2.3

[geïntimeerde] heeft (na eiswijziging) in reconventie gevorderd, zakelijk weergegeven:

a. een verklaring voor recht dat de verbintenissen van [geïntimeerde] en [de V.O.F.] door verrekening tot hun gemeenschappelijk beloop teniet zijn gegaan;

b. hoofdelijke veroordeling van [de V.O.F.] tot betaling aan [geïntimeerde] van hetgeen zij na verrekeningen en de nader ingediende (schade)vorderingen over en weer nog aan [geïntimeerde] is verschuldigd, voor zover nodig nadat de rechtbank aan de rechterlijke vernietiging van het vonnis van 2010 haar werking (ten dele) heeft ontzegd, te vermeerderen met rente,

met veroordeling van [de V.O.F.] in de proceskosten inclusief nakosten.

2.4

[geïntimeerde] heeft hieraan ten grondslag gelegd dat arrest I zo gelezen moet worden dat hij recht heeft op betaling door [de V.O.F.] van € 48.938,92, zulks in aanvulling op - niet: in plaats van - het door [de V.O.F.] ter uitvoering van het vonnis van 2010 betaalde bedrag. In ieder geval kan [geïntimeerde] deze vordering verrekenen met zijn schuld aan [de V.O.F.] , aldus [geïntimeerde] .

Het vonnis in eerste aanleg

2.5

De kantonrechter heeft de vorderingen in conventie afgewezen. De vorderingen in reconventie zijn toegewezen, in zoverre dat voor recht is verklaard dat de vorderingen van partijen door verrekening teniet zijn gegaan tot de in het vonnis nader genoemde bedragen, met compensatie van de proceskosten en afwijzing van het meer of anders gevorderde.

Daartoe is kort gezegd onder meer overwogen (bij tussenvonnis, r.o. 2.8 en 2.9):

Arresten I, II en III hebben kracht van gewijsde gekregen en hebben tussen partijen in deze procedure bindende kracht. Het staat op grond van de uitleg van het hof in arrest II vast dat [geïntimeerde] destijds nog € 48.938,92 aan huurpenningen van [de V.O.F.] had te vorderen, te vermeerderen met het bij vonnis van 2010 toegewezen bedrag van € 52.123,28 (exclusief rente en kosten). Ook staat vast dat [geïntimeerde] , door de vernietiging van dat vonnis, geen titel meer heeft en - omdat [geïntimeerde] geen beroep in cassatie van arrest I heeft ingesteld - niet meer zal kunnen krijgen voor het door de kantonrechter bij vonnis van 2010 toegewezen bedrag van € 52.123,28.

Daarop aansluitend overweegt de kantonrechter in r.o. 2.10:

Het feit dat de huurschuld niet meer in rechte door [geïntimeerde] kan worden ingevorderd, leidt niet tot de conclusie dat de daarmee corresponderende (materiële) schuld teniet is gegaan. Degene die zijn vorderingsrecht als gevolg van de in deze procedure aan de orde zijnde feiten heeft verloren, blijft bevoegd om zich op verrekening te beroepen, zoals ook degene die zijn vorderingsrecht door verjaring heeft verloren daartoe blijkens artikel 6:131 lid 1 BW bevoegd blijft. [geïntimeerde] komt dus de bevoegdheid toe om zijn schuld aan [de V.O.F.] van in hoofdsom € 31.140,87, welke schuld met arrest III onherroepelijk is komen vast te staan, te verrekenen met zijn vordering op [de V.O.F.] , zodanig dat beide vorderingen tot hun gemeenschappelijk beloop te niet gaan.

De grieven in hoger beroep

3.1

Met grief I komt [de V.O.F.] op tegen de overweging van de kantonrechter (in r.o. 2.10 van het tussenvonnis) dat [geïntimeerde] een vordering op [de V.O.F.] heeft die hij kan verrekenen met zijn schuld aan [de V.O.F.] , en tegen alle daarop voortbouwende overwegingen in het tussenvonnis en het eindvonnis. Voor zover [geïntimeerde] (bij memorie van antwoord onder het kopje “omvang hoger beroep”) bedoelt te betogen dat grief I een beperktere strekking heeft dan hiervoor is weergegeven, wordt hij daarin niet gevolgd. Grief I is voldoende duidelijk naar voren gebracht (zie o.a. memorie van grieven onder 21).

Grief II borduurt voort op grief I en richt zich tegen de afwijzing van de vorderingen van [de V.O.F.] . Het hof zal de grieven achtereenvolgens beoordelen.

Verrekening mogelijk? (grief I)

3.2

In arresten I en II heeft het hof beslist over de huur die [de V.O.F.] ingevolge de huurovereenkomst aan [geïntimeerde] was verschuldigd. Mede gelet op hetgeen in arrest II is overwogen moet arrest I zo worden begrepen dat (i) de huurvordering van [geïntimeerde] over de gehele huurperiode tot het bedrag van € 48.938,92 is toegewezen en (ii) [de V.O.F.] haar betaling van € 58.769,82 op grond van het vonnis van 2010 onverschuldigd heeft gedaan omdat de rechtsgrond aan die betaling was komen te vervallen met de vernietiging van het vonnis van 2010.

Deze arresten hebben kracht van gewijsde gekregen en hebben tussen partijen in deze procedure bindende kracht. [de V.O.F.] heeft zich daar ook op beroepen. Nu in arrest I en arrest II reeds is beslist over de door [de V.O.F.] aan [geïntimeerde] te betalen huur ingevolge de huurovereenkomst, kan [geïntimeerde] niet worden gevolgd in zijn stelling dat er naast de in arrest I en arrest II toegewezen huur, een (al dan niet natuurlijke) verbintenis tot betaling van aanvullende huur bestaat. Dat standpunt verdraagt zich niet met het gezag van gewijsde van arrest I en arrest II.

3.3

Hieraan doet niet af dat het hof in arrest II heeft overwogen dat het zijn bedoeling is geweest dat [de V.O.F.] nog € 48.938,92 aan huur zou moeten betalen in aanvulling op hetgeen [de V.O.F.] ter uitvoering van het vonnis van 2010 had betaald en dat het dictum van arrest I niet betekent “dat [de V.O.F.] daarmee de volledig verschuldigde huur heeft voldaan. Daartoe is betaling van het bedrag van € 48.938,92 vereist. De vraag in hoeverre dat bedrag in rechte invorderbaar is, laat het hof hierbij onbeantwoord.” Deze overwegingen hebben niet tot een ander dictum geleid en het hof heeft overwogen dat het dictum leidend is, ondanks zijn andere bedoeling.

3.4

Het beroep op de bedoeling van het hof zoals hiervoor weergegeven kan [geïntimeerde] bovendien niet baten gelet op hetgeen in arrest III is overwogen en beslist. In de procedure die tot arrest III heeft geleid heeft [geïntimeerde] immers een verklaring voor recht gevraagd inhoudende a. dat het in 2010 door [de V.O.F.] betaalde bedrag van € 58.769,82 verschuldigd is betaald en b. dat [de V.O.F.] een bedrag van € 48.938,92 aan [geïntimeerde] dient te betalen in aanvulling op het bedrag van € 58.769,82 ingevolge arrest I. Deze vordering is afgewezen bij vonnis van 2013 en het hof heeft deze afwijzing bij arrest III bekrachtigd. Ook dit arrest heeft gezag van gewijsde en ook hierop heeft [de V.O.F.] een beroep gedaan.

3.5

De overweging van de kantonrechter in r.o. 2.10 van het tussenvonnis dat het verlies van de rechtsvordering van [geïntimeerde] onverlet laat dat [geïntimeerde] bevoegd blijft zich ter zake van de materiële schuld op verrekening te beroepen, verdraagt zich niet met het gezag van gewijsde van arrest I, arrest II en arrest III. Grief I is dan ook terecht voorgesteld; [geïntimeerde] heeft geen verrekenbare vordering op [de V.O.F.] en zijn vorderingen in reconventie zullen alsnog worden afgewezen. De vorderingen van [de V.O.F.] in conventie zullen in het kader van grief 2 hierna alsnog worden beoordeeld.

3.6

De diverse door [geïntimeerde] (ook in eerste aanleg) naar voren gebrachte bezwaren tegen arresten I, II en III kunnen verder onbesproken blijven. Deze stuiten af op het gezag van gewijsde dat aan deze arresten toekomt. Datzelfde geldt voor het beroep van [geïntimeerde] op de eisen van de goede procesorde en van de redelijkheid en billijkheid, waarbij mede in aanmerking wordt genomen dat cassatieberoep heeft opengestaan. Om diezelfde reden wordt voorbij gegaan aan het verzoek van [geïntimeerde] om aan de vernietiging van het vonnis van 2010 gedeeltelijk de werking te ontzeggen.

Vorderingen a. tot en met c. van [de V.O.F.] (grief 2)

3.7

Ten aanzien van de afwijzing van de vorderingen a. tot en met c. van [de V.O.F.] (grief 2) overweegt het hof als volgt. Uit het voorgaande volgt dat deze vorderingen niet door verrekening teniet zijn gegaan. Het hof zal de vorderingen afzonderlijk (in andere volgorde) beoordelen.

Vordering c.: betaling van € 16.511,87

3.8

Vordering c. betreft het verschil tussen het totaalbedrag dat [de V.O.F.] ingevolge het vonnis van 2010 heeft betaald en het bedrag tot betaling waarvan zij in het dictum van arrest I is veroordeeld.

3.9

Het hof verwerpt allereerst het verweer van [geïntimeerde] (conclusie van antwoord onder 32 e.v.) dat vordering c. onvoldoende bepaald is omdat de berekening van het verschuldigde ingevolge het vonnis van 2010 is gemaakt inclusief rente, btw en diverse kosten, terwijl daarvan in arrest I is geabstraheerd. Ook het (subsidiaire) verweer van [geïntimeerde] dat de veroordeling tot betaling van € 52.138,28 moet worden vervangen door € 48.938,92, zodat [de V.O.F.] per saldo hooguit € 3.184,36 onverschuldigd heeft betaald, wordt verworpen. Het hof overweegt in dit verband als volgt.

3.10

Zoals in arrest II (r.o. 7) is overwogen brengt de (algehele) vernietiging van het vonnis van 2010 met zich dat al hetgeen ter uitvoering van het vonnis is verricht, teruggedraaid moet worden. Hetgeen [de V.O.F.] naar aanleiding van het vonnis van 2010 heeft betaald, is onverschuldigd betaald. Het hof verwerpt de stelling van [geïntimeerde] dat de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten in eerste aanleg niet onverschuldigd zijn betaald omdat [de V.O.F.] bij arrest I en arrest II opnieuw is veroordeeld tot betaling van achterstallige huur en de proceskosten van de eerste aanleg. Arrest II strekt ertoe dat die nieuwe veroordeling niet wegneemt dat door de algehele vernietiging van het vonnis van 2010, de rechtsgrond is komen te ontvallen aan betalingen van [de V.O.F.] ter uitvoering van het vonnis van 2010, inclusief de kosten van executie.

Niet in geschil is dat [de V.O.F.] in 2010 op grond van het vonnis van 2010 in totaal € 65.350,79 (inclusief rente en kosten) aan [geïntimeerde] heeft betaald. Dit gehele bedrag heeft [de V.O.F.] onverschuldigd betaald. [de V.O.F.] heeft haar vordering uit onverschuldigde betaling kunnen verrekenen met hetgeen zij ingevolge arrest I - zoals verduidelijkt in arrest II - was verschuldigd. [geïntimeerde] heeft er terecht op gewezen dat hierbij ook de veroordeling van [de V.O.F.] tot betaling van de proceskosten in eerste aanleg van € 1.080,25 in aanmerking moet worden genomen. Voor toewijzing van wettelijke rente over dat bedrag is geen plaats, gelet op de verrekening van de zijde van [de V.O.F.] , wier vordering op [geïntimeerde] (uit onverschuldigde betaling) van eerder datum is dan die van [geïntimeerde] op [de V.O.F.] (tot voldoening van de proceskosten in eerste aanleg), en het bepaalde in artikel 6:129 lid 1 BW. Aldus resteert een vordering uit onverschuldigde betaling van [de V.O.F.] op [geïntimeerde] van € 15.331,62 (€ 65.350,79 - € 48.938,92 - € 1.080,25).

3.11

Het verweer van [geïntimeerde] dat sprake is van rechtsverwerking is onvoldoende toegelicht en wordt verworpen. Verder geldt ook voor dit onderdeel dat het beroep van [de V.O.F.] op (het gezag van gewijsde van) arrest I niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Voor [geïntimeerde] heeft immers cassatieberoep opengestaan.

3.12

Gelet op het voorgaande komt de vordering van [de V.O.F.] tot het bedrag van € 15.331,62 voor toewijzing in aanmerking, evenals de door [de V.O.F.] gevorderde wettelijke rente daarover met ingang van 1 december 2012 tot de dag van algehele voldoening. Het verweer van [geïntimeerde] dat hij niet in gebreke is gesteld zodat geen sprake is van verzuim, wordt verworpen. [geïntimeerde] is ingevolge artikel 6:83 aanhef en onder b BW zonder ingebrekestelling in verzuim geraakt (vgl. HR 19-05-2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5863).

Vordering b.: opheffing van het eigenbeslag

3.13

Zoals [geïntimeerde] heeft gesteld (bij akte partijen tevens houdende wijziging van eis van 19 mei 2016 onder 2) en [de V.O.F.] niet heeft bestreden is het eigenbeslag van [geïntimeerde] inmiddels opgeheven. Vordering b. zal daarom bij gebrek aan belang worden afgewezen.

Vordering a.: verklaring voor recht dat [geïntimeerde] zich jegens [de V.O.F.] uit onrechtmatige daad heeft verbonden door op basis van arrest I eigenbeslag te leggen, met verwijzing naar de schadestaatprocedure

3.14

Het hof stelt voorop dat, ingevolge vaste rechtspraak, degene die een beslag legt daarmee op eigen risico handelt en, bijzondere omstandigheden daargelaten, de door het beslag geleden schade dient te vergoeden indien het beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, zulks ook in het geval dat hij, op verdedigbare gronden van het bestaan van zijn vorderingsrecht overtuigd, bij het leggen van het beslag niet lichtvaardig heeft gehandeld. Bijzondere omstandigheden daargelaten, is de beslaglegger wiens beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, aansprakelijk uit onrechtmatige daad jegens degene op wiens recht het beslag inbreuk heeft gemaakt. Daarbij is onder ‘degene die een beslag legt’ begrepen zowel degene die een conservatoir beslag legt op grond van een hem niet toekomende vordering als degene die een executoriaal beslag legt op grond van een executoriale titel die na de beslaglegging wordt vernietigd.

3.15

Het eigenbeslag van [geïntimeerde] was gegrond op de onjuiste veronderstelling van [geïntimeerde] dat hij ingevolge arrest I een aanvullende huurvordering op [de V.O.F.] had. Nu geen bijzondere omstandigheden in de hiervoor onder 3.14 bedoelde zin zijn gesteld of gebleken, is [geïntimeerde] op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk voor de schade die [de V.O.F.] door het eigenbeslag van [geïntimeerde] heeft geleden. De stelling van [geïntimeerde] dat hij het eigenbeslag op advies van de deurwaarder heeft gelegd, doet hieraan niet af, en het bewijsaanbod op dat onderdeel is daarom niet ter zake dienend.

Het feit dat [de V.O.F.] bij arrest I (zoals uitgelegd in arrest II) is veroordeeld tot betaling van € 48.938,92 aan [geïntimeerde] , doet evenmin aan het voorgaande af. Tegenover deze vordering stond immers de - hogere - vordering van [de V.O.F.] op [geïntimeerde] uit onverschuldigde betaling wegens de vernietiging van het vonnis van 2010, die [de V.O.F.] al vóór het eigenbeslag van [geïntimeerde] met haar - jongere - schuld aan [geïntimeerde] had verrekend (2.11 van het tussenvonnis en 2.5 van het eindvonnis). Per saldo had [geïntimeerde] ten tijde van het leggen van het eigenbeslag dus geen vordering op [de V.O.F.] .

3.16

Nu voldoende aannemelijk is dat [de V.O.F.] mogelijk schade heeft geleden door het eigenbeslag van [geïntimeerde] , zij verwijzing naar de schadestaatprocedure heeft gevraagd, [geïntimeerde] zich terzake aan het oordeel van het hof heeft gerefereerd en partijen in deze procedure in tweede instantie nog geen debat over de hier bedoelde schade hebben gevoerd, zal het hof [geïntimeerde] veroordelen tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat. De eventuele wettelijke rente kan in die procedure eveneens aan de orde worden gesteld.

Het hof geeft partijen in overweging minnelijk overleg te voeren ter voorkoming van een schadestaatprocedure. Met het oog daarop wordt overwogen dat, ingevolge vaste jurisprudentie, bij de berekening van schade uitgangspunt is dat de situatie waarin [de V.O.F.] als gevolg van de beslaglegging daadwerkelijk verkeert, wordt vergeleken met de situatie waarin zij zou hebben verkeerd als het beslag niet was gelegd en gehandhaafd. Op dit uitgangspunt dient een uitzondering te worden gemaakt ten aanzien van verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237-240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak. In zoverre kan [de V.O.F.] geen schadevergoeding vorderen op de voet van art. 6:96 lid 2 BW, maar zijn de regels betreffende proceskosten exclusief van toepassing (HR 12-06-2015, ECLI:NL:HR:2015:1600), behoudens bijzondere omstandigheden HR 15-09-2017, ECLI:NL:HR:2017:2366).

3.17

De slotconclusie is dat de grieven slagen en dat de bestreden vonnissen dienen te worden vernietigd. Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep. Aan het (niet gemotiveerde) verweer van [geïntimeerde] tegen de gevorderde uitvoerbaar-bij-voorraadverklaring wordt voorbij gegaan. De wet vormt geen beletsel voor de uitvoerbaar-bij-voorraadverklaring en de aard van de zaak evenmin.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt de tussen partijen gewezen vonnissen van 14 april 2016 en 11 augustus 2016,

en opnieuw rechtdoende:

in conventie

- verklaart voor recht dat [geïntimeerde] zich jegens [de V.O.F.] uit onrechtmatige daad heeft verbonden door op basis van arrest I eigenbeslag te leggen;

- veroordeelt [geïntimeerde] tot vergoeding van de daardoor door [de V.O.F.] geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [de V.O.F.] van € 15.331,62, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 1 december 2012 tot aan de dag van algehele voldoening;

- wijst het meer of anders door [de V.O.F.] gevorderde af;

in reconventie

- wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

in conventie en in reconventie

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [de V.O.F.] tot 11 augustus 2016 in conventie begroot op € 1.009,84,- aan verschotten

(€ 77,84 + € 932,-) en € 1.050,- aan salaris gemachtigde en in reconventie op € 600,- aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na betekening van dit arrest tot de dag der algehele voldoening, indien deze kosten niet tijdig zijn betaald;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [de V.O.F.] tot op heden begroot op € 407,16 (€ 96,16 + € 311,-) aan verschotten en € 1.074,- aan salaris advocaat, te vermeerderen met de nakosten van € 131,-, vermeerderd met € 68,- indien betekening noodzakelijk blijkt te zijn, voorts te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na betekening van dit arrest tot de dag der algehele voldoening indien deze kosten niet tijdig zijn betaald;

- verklaart de veroordelingen in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.E. Honée, J.W. Frieling en J.M. Heikens en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 mei 2018 in aanwezigheid van de griffier.