Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:15

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-01-2018
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
200.194.980-01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ongeldigverklaring gulden-postzegels in 2013 niet onrechtmatig jegens postzegelhandelaren. Geen ongerechtvaardigde verrijking van PostNL.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/429
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht


Zaaknummer : 200.194.980/01

Zaaknummers rechtbank : C/09/477078 en C/09/481695 en C/09/482852 en
C/09/494573

Arrest van 23 januari 2018

in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van:

1 [naam 1] ,

wonende te [woonplaats 1] , gemeente Haarlemmermeer,

2. [naam 2] ,
wonende te [woonplaats 2] , gemeente Ede,
3. [naam 3] ,
wonende te [woonplaats 3] ,
4. [X] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
5. [naam 4] ,
wonende te [woonplaats 4] , gemeente Haarlemmermeer,
6. [naam 5] ,
wonende te [woonplaats 5] ,
7. [naam 6] ,
wonende te [woonplaats 6] , gemeente De Bilt,
8. MUNT- EN POSTZEGELHANDEL [Y] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] , [gemeente] ,
9. [naam 7] ,
wonende te [woonplaats 7] ,
10. [naam 8] (ook te noemen: [appellant 10] ),
wonende te [woonplaats 8] ,
appellanten,
hierna tezamen te noemen: de Handelaren,
advocaat mr. F.S.P. van der Wal te Utrecht,

tegen

1 KONINKLIJKE POSTNL B.V.,
gevestigd te Den Haag,
2POSTNL N.V.,
gevestigd te Den Haag,
geïntimeerden,
hierna te noemen: PostNL (vrouwelijk enkelvoud),
advocaat mr. T.R.B. de Greve te Amsterdam.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 22 juni 2016 zijn de Handelaren in hoger beroep gekomen van het door rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 23 maart 2016. Bij memorie van grieven (met producties) hebben de Handelaren 16 grieven aangevoerd. PostNL heeft de grieven bij memorie van antwoord (met producties) bestreden. Hierna hebben partijen hun zaak mondeling bepleit op 6 november 2017, dit aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Hierna is arrest bepaald.


Boordeling van het hoger beroep

  1. De door de rechtbank in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.8 van het bestreden vonnis vastgestelde feiten staan niet ter discussie, zodat ook het hof daarvan uitgaat. Het hof zal, zoals gezegd, geïntimeerden noemen PostNL (vrouwelijk enkelvoud). In het navolgende worden, voor zover van toepassing, onder PostNL mede haar rechtsvoorgangers begrepen.

  2. Het onderhavige geschil gaat, kort gezegd om het volgende.
    (2.1) Nadat in 1989 de PTT (het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie) was verzelfstandigd, is in 2009 de postmarkt verder geliberaliseerd. Hierbij is PostNL belast met de universele postdienst. Uit hoofde daarvan geeft zij - onder andere - postzegels uit, die kunnen worden gebruikt als frankeermiddel voor de door haar te verrichten postvervoersdiensten.
    (2.2) De Algemene Voorwaarden voor de Universele Postdienst 2010 van PostNL (hierna: de AVP 2010 ) vermelden in dit verband:
    (inleiding 2 en artikel 1.2) dat de AVP 2010 van toepassing zijn op de dienstverlening door PostNL voor de uitvoering van de universele postdienst (hof: kort gezegd op vervoersovereenkomsten met betrekking tot door PostNL ter post bezorgde brieven/ poststukken);
    (artikel 1.1.n) dat door middel van een door PostNL verkrijgbaar gestelde postzegel de voor de uitvoering van de universele postdienst verschuldigde bedragen kunnen worden voldaan;
    (artikel 5.1) dat PostNL de tarieven voor de diensten vaststelt;
    (artikel 14.2, onder 2); “Ongebruikte, geldige, door Koninklijke TNT Post uitgegeven postzegels kunnen niet worden teruggenomen.”
    (artikel 14.2, onder 3) “Koninklijke TNT Post bepaalt welke postzegels verkrijgbaar zijn en welke, niet meer verkrijgbare, postzegels niet meer geldig zijn. Tevens wordt bekend gemaakt gedurende welke periode niet meer geldige, ongebruikte postzegels tegen geldige postzegels kunnen worden ingewisseld.”
    (2.3) Sinds 2012 is voormeld artikel 14.2, onder 3 niet meer opgenomen in de Algemene Voorwaarden voor de Universele Postdienst van PostNL.
    (2.4) De Handelaren (met uitzondering van [appellant 10] die op enig - voor het hof niet bekend - moment een postzegelverzameling heeft geërfd) zijn (beroeps)filatelisten en houden zich onder meer bezig met de handel daarin. Een deel van hen is lid van de Nederlandsche Vereeniging van Postzegelhandelaren (hierna:NVPH).
    (2.5) Na de invoering van de chartale euro op 1 januari 2002 zijn door PostNL geen postzegels meer uitgegeven met een frankeerwaarde in guldens c.q. gulden-centen (hierna: guldenzegels). In verband met de invoering van de euro en de daarmee samenhangende uitgifte van eurozegels is aanvankelijk omwisseling van guldenzegels overwogen. Hiervan is afgezien. De vóór 2002 uitgegeven guldenzegels, die niet al eerder hun geldigheid hadden verloren, bleven hun geldigheid als frankeermiddel behouden. Dit is tevoren met (ook) NVPH besproken (zie ook hierna in rechtsoverweging 2.6 de brief van 26 april 2001).
    (2.6) Onder meer in april 2001 heeft PostNL een aantal malen met NVPH gesproken over de invoering van zegelwaarden met waardevermelding in euro en de eventuele consequenties daarvan voor (de geldigheid van) zegelwaarden met een waardeaanduiding in guldens. In dat kader is gesproken over de rol van NVPH bij de indertijd voorziene omwisselprocedure.
    Bij brief van 26 april 2001 aan NVPH heeft PostNL onder meer geschreven: “(…)
    3. Direct aan u aangekondigd en zoals besproken tijdens ons constructieve overleg van vrijdag 13 april jl. heeft PTT Post besloten dat zegelwaarden met een waardevermelding in guldens/centen voor onbepaalde tijd geldig zullen blijven voor frankering. (Dit betreft zegelwaarden vanaf 1977 en/of de serie Juliana Regina).
    4. Tijdens ons overleg van 23 april jl. hebben PTT Post en de N.V.P.H. over de consequenties van bovenstaande ontwikkeling gesproken en overeenstemming bereikt over een alternatieve vorm van samenwerking, zulks in afwijking van de eerdere besprekingen over de omwisselprocedure.
    5. U heeft de weergave van onze bespreking van 23 april 2001 gelezen en, naar ik begrijp, geaccordeerd. Volledigheidshalve voeg ik een kopie van het verslag bij. (….)
    8. Het verheugt PTT Post dat zij met de N.V.P.H., ter vervanging van hetgeen in het kader van de omwisselprocedure is besproken, thans tot de hierboven en in het verslag gerelateerde afspraken heeft gemaakt.(…)”
    (2.7) Op 28 januari 2013 heeft PostNL – door middel van een persbericht – haar besluit kenbaar gemaakt dat de guldenzegels vanaf 1 november 2013 ongeldig zijn als frankeermiddel bij de verzending van poststukken.
    (2.8) De Handelaren hebben vervolgens de onderhavige procedure aanhangig gemaakt tegen PostNL. Zij hebben daarbij na wijziging van eis – samengevat – gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
    primair:
    PostNL hoofdelijk te bevelen om, gedurende een termijn van 36 maanden, dan wel gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn, door elk van de Handelaren bij PostNL in te leveren originele, postfrisse en onbeschadigde postzegels met waardeaanduiding in guldens en/of guldencenten, (voor de eerste keer) uitgegeven na 1 januari 1977 of behorend tot de serie ‘Juliana Regina’ of ‘cijferzegels type Crouwel’, welke guldenzegels door PostNL per 1 november 2013 ongeldig zijn verklaard, om te ruilen voor postzegels, die per datum vonnis voor onbepaalde duur geldig zijn en waarvan de totale frankeerwaarde gelijk is aan het totaal van de frankeerwaarde van de door elk van de Handelaren ingeleverde guldenzegels en voornoemd(e) (pakket aan) geldige zegels aan de betreffende Handelaar beschikbaar te stellen binnen een termijn van één maand na de dag waarop het equivalent aan guldenzegels is ingeleverd bij PostNL, een en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag waarop PostNL hiermee in gebreke is met een maximum van € 1.000.000;
    dan wel (subsidiair):
    PostNL hoofdelijk te bevelen om de aan ieder van de Handelaren op 28 januari 2013 geldige en aan hem of haar toebehorende, originele, postfrisse en onbeschadigde postzegels met waarde aanduiding in guldens en/of guldencenten, welke postzegels in totaal een frankeerwaarde hebben van de hieronder per Handelaar aan te geven waarde, om te ruilen voor een totaal aan postzegels die per datum vonnis voor onbepaalde duur geldig zijn en waarvan de totale frankeerwaarde gelijk is aan de hierna (per Handelaar) te noemen bedragen en aan ieder van de Handelaren beschikbaar te stellen binnen een termijn van één maand na de dag waarop voornoemde guldenzegels zijn ingeleverd bij PostNL, een en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag waarop PostNL hiermee in gebreke is met een maximum van € 1.000.000;
    [naam 1] € 167.100
    [naam 2] € 192.000
    [naam 3] € 187.940
    [X] B.V. € 243.530
    [naam 4] € 118.450
    [naam 5] € 247.000
    [naam 6] € 110.270
    [Y] B.V. € 176.210
    [naam 7] € 135.000
    [appellant 10] € 13.130
    primair en subsidiair:
    PostNL hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding.
    (2.9) De Handelaren hebben hun vorderingen in de eerste plaats (primair) gebaseerd op artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) en in de tweede plaats (subsidiair) op artikel 6:212 BW (ongerechtvaardigde verrijking). Daartoe hebben zij primair het volgende gesteld. Het door PostNL ongeldig verklaren van guldenzegels zonder het tegelijkertijd aanbieden van een (redelijke) inruilfaciliteit is in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en derhalve onrechtmatig. De wettelijke basis aan een ongeldigverklaring van postzegels door een privaatrechtelijke rechtspersoon ontbreekt. De beslissing om de zegels ongeldig te verklaren zonder inruilfaciliteit is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder de beginselen van zorgvuldigheid, rechtszekerheid, het voorkomen van willekeur en van voldoende motivering. De ongeldigverklaring moet aldus ook als een inbreuk op een recht worden aangemerkt. De vorderingen strekken tot opheffing van het onrechtmatig handelen van PostNL.

De subsidiaire grondslag(ongerechtvaardigde verrijking) is de volgende. De waarde van de guldenzegels is door de ongeldigverklaring nihil geworden. Er vindt een vermogensverschuiving plaats, die door niets wordt gerechtvaardigd en onder de werking van artikel 6:212 BW dient te worden gecompenseerd.

(2.10) De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen
(i) dat het geschil beoordeeld moet worden tegen de achtergrond van eerdere ongeldigverklaringen van postzegels, het beleid van (de rechtsvoorganger van) PostNL daarover en de mededelingen van PostNL aan NVPH bij de brief van 26 april 2001 (na de overleggen voorafgaand aan de invoering van de Euro),
(ii) dat sinds 1899 postzegels met een zekere regelmaat ongeldig werden verklaard en dat daarbij geen omruilmogelijkheid in het leven werd geroepen,
(iii) dat in de beleidsregel uit 1968 met ‘onbepaalde’ geldigheidsduur van de postzegel niet wordt bedoeld ‘onbeperkte’ geldigheidsduur, maar een “nog niet bepaalde termijn” en uit niets blijkt dat PostNL na 1968 op enigerlei wijze aan het begrip “onbepaald” een andere uitleg heeft gegeven,
(iv) dat PostNL in 2001 uitdrukkelijk heeft overwogen om de omruil van postzegels mogelijk te maken én dat zij daartoe niet heeft besloten,
(v) dat PostNL bevoegd was om op 28 januari 2013 te beslissen om de guldenzegels ongeldig te verklaren, althans zonder de Handelaren een inruilmogelijkheid te bieden,
(vi) dat PostNL daartoe ook voldoende zwaarwegende redenen had,
(vii) dat de Handelaren er niet gerechtvaardigd op hebben mogen vertrouwen dat de guldenzegels onbeperkt geldig zouden blijven, dan wel dat bij ongeldigverklaring een inruilmogelijkheid zou worden geboden,
(viii) dat, mede gelet op het feit dat na vijf jaar 99% van alle postzegels voor frankering is gebruikt, niet gezegd kan worden dat PostNL tot een andere afweging had moeten komen, zeker niet nu de bezitter van guldenzegels nog negen maanden de tijd had om de zegels ‘weg te plakken’,
(ix) dat van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geen sprake is.

Op basis van het voorgaande heeft de rechtbank geconcludeerd dat van onrechtmatig handelen geen sprake is geweest, terwijl de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking is afgewezen, reeds omdat voor de gestelde verrijking een rechtvaardiging bestond.

Beoordeling van de grieven

De gestelde onrechtmatige daad van PostNL

3. Het hof begrijpt uit de stellingen van partijen over en weer dat bedoeld is dat het hof recht doet op de vorderingen als weergegeven onder 2.8. Weliswaar vermeldt de appeldagvaarding slechts de primaire vordering en de memorie van grieven ‘tot persistit’, maar duidelijk is zowel uit de toelichting op de grieven als uit de memorie van antwoord (onder meer nummers 562 t/m 569) dat beide partijen het oog hebben zowel op deze aldus weergegeven primaire als ook op de subsidiaire vorderingen.

4. De grieven I tot en met XIV, die zich richten tegen de afwijzing van de vordering op de primaire grondslag onrechtmatige daad, lenen zich voor gezamenlijke behandeling. In dit verband gaat het in de kern om het verwijt dat PostNL onrechtmatig heeft gehandeld jegens de Handelaren door de guldenzegels in 2013 ongeldig te verklaren zonder het bieden van een inruilmogelijkheid. De Handelaren willen (in de vorm van opheffing van de onrechtmatigheid) dat hun gedurende drie jaar de mogelijkheid wordt geboden om guldenzegels tegen de nominale waarde ervan in te ruilen voor thans geldige postzegels.

5. Los van de vraag of een dergelijke vordering zich verdraagt met artikel 6:168, eerste lid BW en los van talloze andere (procestechnische) weren, is het hof van oordeel dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen van PostNL jegens de Handelaren – anders dan de Handelaren wellicht beogen betreft deze vordering alleen henzelf –, zodat de vordering terecht is afgewezen. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

6. Na de privatisering van de PTT en de verdere liberalisering van de postmarkt is uiteindelijk de rechtspersoon PostNL belast met de universele postdienst. Uit hoofde daarvan geeft zij postzegels uit, primair met de bedoeling dat deze worden gebruikt als frankeermiddel voor de door haar te verrichten postvervoerdiensten. De postzegel is geen algemeen betaalmiddel, maar wel een (eenmalig te gebruiken) betaalmiddel in het verkeer met PostNL. De koper van de postzegel of de latere bezitter mag er echter niet zonder meer op vertrouwen dat PostNL de postzegel als frankeermiddel zal aanvaarden. Een postzegel geeft geen recht op een met PostNL te sluiten vervoerovereenkomst en doet evenmin een vervoerovereenkomst tot stand komen; hij bewijst slechts dat de vrachtprijs van een te sluiten vervoerovereenkomst geheel of gedeeltelijk is voldaan. Een postzegel kan bovendien door PostNL ongeldig worden verklaard. Het hof verwerpt dan ook het (te absolute) betoog van de Handelaren dat een postzegel een algemeen betaalmiddel is, zodat ongeldigverklaring ervan een inbreuk op hun bezitsrecht zou zijn. Dat PostNL tot ongeldigverklaring bevoegd is vloeit voort uit de bijzondere aard van de rechtsverhouding tussen PostNL (die postzegels voor haar vervoersdiensten uitgeeft) en de koper van de postzegel, althans uit de redelijkheid en billijkheid. Overigens is tussen partijen niet langer in geschil dat PostNL bevoegd was de guldenzegels in dit geval ongeldig te verklaren. PostNL had bovendien zwaarwegende redenen om tot ongeldigverklaring over te gaan. Het hof verwijst hiertoe naar rechtsoverweging 4.14 van het bestreden vonnis die het hof onderschrijft.. De Handelaren achten het evenwel onrechtmatig dat hun bij de ongeldigverklaring per 1 november 2013 geen omruilmogelijkheid is geboden.
Het achterwege laten van omruilmogelijkheid onrechtmatig?

7. In hoeverre een omruilmogelijkheid moet worden geboden hangt af van de omstandigheden van het geval, bezien tegen de achtergrond van het ongeschreven recht. Anders gezegd: het gaat hierbij om de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer door PostNL betracht moet worden jegens de opvolgend bezitters van guldenzegels (in dit geval de Handelaren, onder wie [appellant 10] ). Het hof neemt bij de beoordeling hiervan de volgende omstandigheden (in rechtsoverwegingen 8 tot en met 12 weergegeven) in aanmerking.

8. In dit concrete geval gaat het niet om de 99% van de van PostNL gekochte guldenzegels die binnen vijf jaar na aankoop als frankeermiddel voor postdiensten zijn gebruikt. Het gaat om guldenzegels die de Handelaren kennelijk niet rechtstreeks van PostNL hebben gekocht – de laatste guldenzegel is in 2001 uitgebracht –, maar later (uit verzamelingen en dergelijke) hebben verworven (door PostNL de ‘secundaire handel’ genoemd). Het hof gaat er vanuit, gelet op de uitvoerige – niet deugdelijk bestreden – onderbouwing door PostNL, dat de betreffende guldenzegels waarvan de Handelaren thans inruil wensen, door hen onder de nominale waarde zijn verworven (dan wel tezamen met andere zegels zijn geërfd), zodat reeds hierom omruiling tegen de nominale waarde onredelijk is.

9. In het verleden is in Nederland vaker sprake geweest van ongeldigverklaring van postzegels, steeds zonder dat een mogelijkheid tot omruil werd geboden.

10. Vóór de invoering van de euro (en de eurozegel) is in 2001 overleg gevoerd met de branchevereniging, waarvan een deel van de Handelaren lid is. Aanvankelijk is toen gesproken over inruilmogelijkheden. Blijkens de nadien door PostNL aan NVPH gezonden (en geaccordeerde) brief van 26 april 2001 (zie rechtsoverweging 2.6) is toen afgezien van inwisseling maar is in plaats daarvan besloten tot verlenging van de geldigheidsduur van de guldenzegels voor onbepaalde tijd. Zoals PostNL met juistheid opmerkt is ‘onbepaalde duur’ iets anders dan ‘onbeperkte duur’. Op enig moment kan de geldigheidsduur wel degelijk worden beëindigd. Aan de omschrijving ‘onbepaald’ in deze brief hebben de Handelaren niet gerechtvaardigd het vertrouwen kunnen ontlenen dat de guldenzegels onbeperkt geldig zouden blijven (en dus nooit ongeldig verklaard zouden worden, ook niet wanneer er aan de zijde van PostNL zwaarwegende redenen voor zouden zijn). Ook het feit dat in 2001 van omwisseling is afgezien en in plaats daarvan is gekozen voor verlenging van de geldigheidsduur, rechtvaardigt niet het vertrouwen dat na 12 jaar alsnog kan worden omgeruild, zeker niet nu meer dan een decennium na ongeldigverklaring de guldenzegels voor frankering konden worden gebruikt. In dit verband wijst het hof er bovendien nog op dat de Handelaren zich op deze brief beroepen, hoewel zij geen directe partij bij deze afspraken zijn.

11. De Handelaren hebben zich nog beroepen op artikel 14.2, onder 3 van de AVP 2010, welke bepaling ook zou hebben gegolden in 2001, inhoudende: “Koninklijke TNT Post bepaalt welke postzegels verkrijgbaar zijn en welke, niet meer verkrijgbare, postzegels niet meer geldig zijn. Tevens wordt bekend gemaakt gedurende welke periode niet meer geldige, ongebruikte postzegels tegen geldige postzegels kunnen worden ingewisseld.”.
Ook dit beroep faalt. In de eerste plaats verdient opmerking, zoals gezegd, dat de aankoop of het bezit van een postzegel geen recht geeft op een vervoerovereenkomst met PostNL en evenmin een dergelijke vervoerovereenkomst tot stand doet komen (zie rechtsoverweging 2.2). In zoverre zijn de AVP 2010 niet rechtstreeks van toepassing op degene die guldenzegels bezit, zolang geen vervoerovereenkomst met PostNL is aangegaan. In de tweede plaats geeft de betreffende passage geen onvoorwaardelijk recht op inwisseling van ongeldige ongebruikte postzegels, zeker niet nu in 2001 terzake concrete andersluidende (voor handelaren voordelige) afspraken zijn gemaakt. In de derde plaats bevatten de nadien, ten tijde van de ongeldigverklaring geldende, algemene voorwaarden van PostNL de betreffende passage niet meer, zodat niet gezegd kan worden dat toen op basis van de algemene voorwaarden van PostNL (in enige vorm van reflexwerking) het vertrouwen in een omruilfaciliteit werd gewekt.

12. Tot slot verdient opmerking dat PostNL met kracht van argumenten heeft aangetoond dat de door Handelaren gewenste omwisselactie feitelijk nauwelijks mogelijk is en tot bovenmatige (uiteindelijk weer ten laste van gebruikers van vervoerdiensten komende) kosten zou leiden. Anders dan de Handelaren stellen, acht het hof de belangen van PostNL in dit concrete geval aanzienlijk zwaarwegender dan die van de Handelaren.

13. Alles afwegende komt het hof tot het oordeel dat de zorgvuldigheid in het maatschappelijk verkeer niet met zich meebrengt dat door PostNL aan de Handelaren in 2013 een mogelijkheid tot omruilen had moeten worden geboden. Er was geen grond voor gerechtvaardigd vertrouwen dat deze mogelijkheid zoveel jaren na de laatste uitgifte van de guldenzegels en de verlengde frankeermogelijkheid ervan alsnog zou worden geboden, terwijl evenmin andere omstandigheden naar voren zijn gekomen die PostNL daartoe hadden moeten noodzaken.

14. Overigens is gesteld noch gebleken wanneer de guldenzegels door de Handelaren zijn verworven, terwijl evenmin concreet is aangegeven welke guldenzegels men per 28 januari 2013, respectievelijk per 1 november 2013 bezat. Voorts ontbreekt bij de becijfering in het petitum elke onderbouwing. Ook dit staat aan toewijzing van de omruilvorderingen in de weg. Het bij pleidooi gedane aanbod van de Handelaren (pleitnota 42) om de relevante administratie over te leggen, is niet alleen te laat gedaan – schriftelijke bescheiden dienen meteen, althans aanmerkelijk eerder in de procedure, overgelegd te worden – maar bovendien heelt dit aanbod en het (te vage) aanbod om de boekhouder, administrateur of accountant te doen horen niet de tekortkomingen in de stelplicht. De grieven I t/m XIV worden verworpen, althans hoeven verder niet meer apart besproken te worden.
Het beroep op ongerechtvaardigde verrijking, grief XV

15. Ook deze grief faalt. Zoals PostNL bij pleidooi in hoger beroep onweersproken heeft betoogd, zijn de ontvangsten van door haar verkochte guldenzegels in het bedrijfsresultaat van het betreffende jaar verwerkt en vervolgens verdisconteerd in de (lagere) prijs van de postzegels in de jaren daarop. PostNL is niet verrijkt door geen omruilfaciliteit te bieden. Bovendien had PostNL blijkens het voorgaande een rechtvaardiging voor haar handelwijze. Reeds hierom kan van ongerechtvaardigde verrijking niet worden gesproken.
Grief XVI

16. Dit is een zogenaamde “veeggrief” en hoeft niet apart besproken te worden.
Slotsom

17. Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Het hof komt niet toe aan bespreking van de overige stellingen en weren. Aan bewijslevering wordt evenmin toegekomen, aangezien verder geen terzake dienend, voldoende concreet, bewijsaanbod is gedaan. De Handelaren zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing


Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis:

- veroordeelt de Handelaren in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van PostNL tot op heden begroot op € 718,-- aan verschotten en € 13.740,-- aan salaris advocaat, en op € 131,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met
€ 68,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 68,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, A. Dupain en H.C. Grootveld en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 januari 2018 in aanwezigheid van de griffier.