Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1472

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
15-06-2018
Zaaknummer
200.220.289/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding hoofdverblijfplaats minderjarige. Nu de vrouw nog steeds geen bodemprocedure is gestart acht hof geen spoedeisend belang (meer) aanwezig en zal de grieven van de vrouw niet inhoudelijk behandelen. In kort geding is geen sprake voor bewijslevering door getuigen als aangeboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.220.289/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/525808/ KG ZA 17-451

arrest van 29 mei 2018

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. D. Coskun LLM. te Arnhem,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.F. van Drenth te Gorinchem.

Het geding

Bij exploot van 11 juli 2017 is de vrouw in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 13 juni 2017, gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie, tevens gedaagde in reconventie en de man als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie, hierna: het bestreden vonnis.

Bij memorie van grieven heeft de vrouw twee grieven aangevoerd.

Bij memorie van antwoord met producties heeft de man de grieven bestreden.

Beide partijen hebben pleidooi gevraagd. Partijen hebben op 4 april 2018 de zaak doen bepleiten, de vrouw door mr. D. Coskun LLM., advocaat te Arnhem, en de man door mr. E.M. Breugem, advocaat te Gorinchem. De vrouw is verder bijgestaan door de heer B.P. den Butter, tolk in de Turkse taal.

De minderjarige [naam kind] is uitgenodigd voor een kindgesprek. [naam kind] heeft een brief gestuurd, ingekomen op 3 april 2018.

Partijen hebben ermee ingestemd dat het hof arrest zal wijzen op basis van het in verband met het pleidooi overgelegde procesdossier. De zaak is naar de rol van 29 mei 2018 verwezen voor arrest.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het vonnis van 13 juni 2017 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan.

2. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vorderingen in conventie afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. In reconventie heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige voorlopig bij de man zal zijn. Tevens heeft de voorzieningenrechter vervangende toestemming verleend voor de aanvraag van een identiteitsbewijs voor de minderjarige. Het vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De proceskosten in reconventie zijn gecompenseerd.

3. De vrouw vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd en dat haar vorderingen alsnog worden toegewezen en de vorderingen van de man alsnog worden afgewezen, met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties.

4. De man concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van de vrouw in de kosten van het hoger beroep.

5. Het gaat in deze zaak om het volgende: partijen zijn tot een datum in 2009 gehuwd geweest. Uit dit huwelijk is [in] 2005 te [plaatsnaam] de minderjarige [naam kind] geboren. De ouders zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag belast. De hoofdverblijfplaats van [naam kind] is bij beschikking van 11 maart 2009 bij de vrouw bepaald. In maart 2017 hebben partijen in overleg besloten dat [naam kind] bij de man zou gaan verblijven. De ouders zijn het er niet over eens of dit tijdelijk was, dan wel dit verblijf een meer permanent karakter zou hebben. Verder zijn partijen het niet eens over de vraag, wat het belang van [naam kind] is: een hoofdverblijf bij de man dan wel bij de vrouw. Ter zitting heeft de vrouw haar grief ten aanzien van de vervangende toestemming voor het verstrekken van een identiteitskaart ingetrokken.

6. Het hof zal allereerst beoordelen of de vrouw in deze procedure in hoger beroep nog een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Indien in hoger beroep de vraag moet worden beantwoord of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na toewijzing daarvan hetzij na weigering daarvan door de voorzieningenrechter, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, dient ook in hoger beroep, zo nodig ambtshalve, mede te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het Hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (Hoge Raad 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437).

7. De voorzieningenrechter heeft de hoofdverblijfplaats van [naam kind] voorlopig bij de man bepaald. De voorzieningenrechter heeft daarbij overwogen dat de situatie voorlopig moet blijven zoals die is, omdat het goed gaat met de minderjarige bij de man. De vrouw heeft in de appeldagvaarding gesteld zich niet te kunnen verenigen met de gang van zaken. Zij zou een raadsonderzoek verzoeken, aldus de vrouw. Gebleken is echter, dat de vrouw, in elk geval tot aan de zitting op 4 april 2018, nog altijd geen bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt, in welk verband een raadsonderzoek zou kunnen worden gelast. Het spoedeisend belang is daarom naar het oordeel van het hof niet langer aanwezig. Het hof heeft verder geen aanwijzingen, dat de belangen van [naam kind] vergen, dat het hof de grieven inhoudelijk gaat behandelen. Het hof zal het door de vrouw ingestelde hoger beroep daarom verwerpen.

8. Het hof passeert het bewijsaanbod van de vrouw omdat, wat er verder ook van dit aanbod zij, de aard van de procedure - een kort geding - meebrengt dat daarin geen plaats is voor bewijslevering door getuigen.

9. Het hof acht gronden aanwezig om de vrouw in de proceskosten te veroordelen. Het hof begroot deze kosten op € 2.995,- (Liquidatietarief II, 3 punten x € 894,- (2 voor pleidooi en 1 voor memorie van antwoord) + € 313,- griffierecht). De vordering van de vrouw, om de man in de proceskosten te veroordelen, zal worden afgewezen.

Beslissing

Het hof:

verwerpt het hoger beroep;

veroordeelt de vrouw in de proceskosten, aan de zijde van de man begroot op € 2.995,- en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, A.E. Sutorius-van Hees en A. van Montfoort en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 mei 2018 in aanwezigheid van de griffier.