Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1470

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
15-06-2018
Zaaknummer
200.229.397/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Invordering dwangsommen op grond van een vonnis. Vraag of al dan niet rekening en verantwoording is afgelegd als in dat vonnis bedoeld. Criterium. Hof: er is gehandeld overeenkomstig doel en strekking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2018-0107
JERF 2018/232
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.229.397/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/539322/KG ZA 17-210

arrest van 29 mei 2018

inzake

1. [zuster een],

wonende te Den Haag,

2. [zuster twee],

wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna te noemen: appellanten,

advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven te Den Haag,

tegen

[de executeur] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: geïntimeerde,

advocaat: mr. M.C.G. Stut te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 24 november 2017 zijn appellanten in hoger beroep gekomen van een door de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag tussen appellanten als gedaagden en geïntimeerde als eiser gewezen vonnis van 27 oktober 2017, hierna ook: het bestreden vonnis.

Bij memorie van grieven hebben appellanten twee grieven aangevoerd.

Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde de grieven bestreden.

Appellanten hebben een nadere akte tevens akte houdende uitlating producties genomen, nadat een eerder door hen ingediende akte vanwege de lengte daarvan was geweigerd op grond van een beslissing van de rolraadsheer.

Geïntimeerde heeft een antwoordakte genomen.

Appellanten hebben hun procesdossier overgelegd en arrest gevraagd.

De daarna door geïntimeerde genomen akte overlegging producties is na bezwaar van appellanten daartegen op grond van een beslissing van de rolraadsheer geweigerd.

Vervolgens heeft geïntimeerde eveneens zijn procesdossier overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de voorzieningenrechter in het vonnis van 27 oktober 2017 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan. Bij dat vonnis heeft de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    appellanten bevolen de invordering van dwangsommen op grond van het vonnis van de kantonrechter te Den Haag van 31 mei 2016, verbeterd bij herstelvonnis van 5 juli 2016, te staken en gestaakt te houden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat appellanten dit bevel overtreden, met een maximum van € 7.500,-;

  • -

    bepaald dat bovenstaande dwangsom vatbaar is voor matiging als onder 4.6 van het bestreden vonnis is vermeld;

  • -

    appellanten in de proceskosten veroordeeld met de bepaling dat appellanten bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zijn.

Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

2. Bij voormeld vonnis van de kantonrechter is, voor zover hier van belang en uitvoerbaar bij voorraad, geïntimeerde gelast om binnen 28 dagen na betekening van dat vonnis rekening en verantwoording af te leggen van het door hem gevoerde beheer over de nalatenschap van [volgt naam broer] - de overleden broer van appellanten - (hierna: erflater), zulks op straffe van een dwangsom van € 25,- per dag, met een maximum van € 7.500,-.

3. Appellanten vorderen dat het het hof moge behagen om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van geïntimeerde af te wijzen met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties.

4. Geïntimeerde concludeert dat het het hof moge behagen om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis te bekrachtigen met veroordeling van appellanten in de kosten van beide instanties, een salaris voor de advocaat en een bedrag voor nakosten daaronder begrepen.

5. Het gaat in de kern van de zaak om het volgende. Appellanten zijn van mening dat geïntimeerde niet heeft gehandeld overeenkomstig het veroordelend vonnis van de kantonrechter op grond waarvan hij rekening en verantwoording aan hen diende af te leggen over zijn beheer van de nalatenschap van erflater, zodat hij dwangsommen tot een bedrag van € 7.500,- heeft verbeurd. Geïntimeerde heeft de stellingen van appellanten gemotiveerd betwist.

6. Het hof stelt voorop dat in een executiegeschil als het onderhavige, waarbij het erom gaat of dwangsommen zijn verbeurd omdat een bevel tot nakoming niet of onvoldoende is nageleefd, de taak van de rechter zich beperkt tot de toetsing van de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (vgl. ECLI:NL:HR:2002:AE9400).

7. Doel en strekking van het vonnis van de kantonrechter in zoverre is het afleggen door geïntimeerde van rekening en verantwoording aan appellanten over het door hem gevoerde beheer over de nalatenschap van erflater. Het hof stelt vast dat de kantonrechter zich niet heeft uitgelaten over de wijze waarop deze rekening en verantwoording dient te worden afgelegd, zoals appellanten onder randnummer 25 van de memorie van grieven zelf ook constateren. In diezelfde passage van de memorie verklaren appellanten dat de wijze van het afleggen van rekening en verantwoording tijdens de comparitie van partijen bij de kantonrechter evenmin onderwerp van het partijdebat is geweest.

8. Gelet op de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten, die in hoger beroep zijn komen vast te staan, is tussen partijen niet in geschil dat geïntimeerde bij brief van 24 juli 2016 aan de advocaat van appellanten, rekening en verantwoording heeft afgelegd. Nadien is een discussie tussen partijen ontstaan over de vraag of die rekening en verantwoording aan de daaraan te stellen vereisten voldoet, waarbij appellanten met name wijzen op het ontbreken van onderliggende bewijsstukken.

9. Naar het oordeel van het hof heeft geïntimeerde gehandeld overeenkomstig het doel en de strekking van de veroordeling van de kantonrechter. Het doel was het afleggen van rekening en verantwoording door geïntimeerde, hetgeen geïntimeerde genoegzaam heeft gedaan door het opstellen van een verslag, een balans, een opgave van kosten en baten, een overzicht van werkzaamheden en een overzicht van bankmutaties. Dat de rekening en verantwoording aan specifieke eisen zou moeten voldoen, zoals appellanten betogen, leest het hof niet in de veroordeling door de kantonrechter. Appellanten hebben in die procedure ook slechts in algemene zin het afleggen van rekening en verantwoording door geïntimeerde gevorderd.

10. Voor zover appellanten de juistheid en de volledigheid van de rekening en verantwoording aan de orde stellen, overweegt het hof dat zulks in een bodemprocedure dient te worden beoordeeld. De onderhavige executieprocedure in kort geding leent zich daar niet toe.

11. Gelet op het vorenstaande behoeven de grieven van appellanten geen verdere bespreking. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

12. Het hof zal appellanten als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van dit hoger beroep. Nu appellanten reeds in de kosten van het geding in eerste aanleg zijn veroordeeld, heeft geïntimeerde geen belang bij zijn vordering ter zake, zodat deze vordering zal worden afgewezen.

13. Mitsdien wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt appellanten in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerde begroot op € 1.451,50 en gespecificeerd als volgt:

- € 313,- griffierecht

- € 1.138,50 salaris advocaat;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, P.B. Kamminga en I. Obbink-Reijngoud en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 mei 2018 in aanwezigheid van de griffier.