Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:147

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
200.183.926/01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet. Dringende reden. Mededeling daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0429
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.183.926/02

Zaaknummer rechtbank : 3091981 RL EXPL 14-15945

arrest van 13 februari 2018

inzake

[appellante],

wonende te Den Haag,

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. A.G.M. Haase te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te Den Haag,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. H.W. van Eeuwijk te Den Haag.

Het verdere verloop van het geding

Bij tussenarrest van 28 februari 2017 is [geïntimeerde] toegelaten tot bewijslevering en is een datum voor getuigenverhoor bepaald. Het getuigenverhoor heeft geen doorgang gevonden. Vervolgens heeft [appellante] gefourneerd voor arrest, maar ter rolzitting van 19 september 2017 is de zaak geroyeerd, omdat niet compleet was gefourneerd. Daarna is deze rolbeslissing teruggedraaid en is op verzoek van [appellante] datum voor arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

[geïntimeerde] heeft geen gebruik gemaakt van de haar in het arrest van 28 februari 2017 geboden gelegenheid om bewijs te leveren van het feit dat zij [appellante] op 16 januari 2014 (het arrest vermeldt in het dictum abusievelijk 16 januari 2016) heeft ontslagen op grond van een dringende reden als nader omschreven onder 5 van het arrest van 28 februari 2017, welke dringende reden zij [appellante] vervolgens heeft meegedeeld via de onder 2.b van dat arrest geciteerde ontslagbrief. Zoals in voornoemd tussenarrest onder 8. al is overwogen, zal het vonnis van de kantonrechter van 4 november 2015 daarom worden vernietigd. De opzegging van de arbeidsovereenkomst is vernietigbaar, omdat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] [appellante] op 16 januari 2014 heeft ontslagen op grond van een dringende reden, welke reden zij vervolgens aan [appellante] heeft meegedeeld in genoemde ontslagbrief en [geïntimeerde] evenmin beschikte over toestemming van het UWV voor die opzegging.

De door [appellante] gevorderde verklaring voor recht zal alsnog worden toegewezen. Het door haar gevorderde achterstallig salaris tot en met 15 januari 2014 zal (opnieuw) worden toegewezen zoals de kantonrechter heeft gedaan, omdat - zoals is beslist in het tussenarrest van 28 februari 2017 - het daartegen ingestelde incidenteel appel faalt. Vanaf 16 januari 2014 zal de gevorderde doorbetaling van loon worden toegewezen ad € 81 bruto per week, vermeerderd met de vakantiebijslag en pensioenopbouw totdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op regelmatige wijze zal zijn beëindigd, alles vermeerderd met de gevorderde wettelijke verhoging en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties in zowel het principaal als - nu uit het arrest van 28 februari 2017 moet worden afgeleid dat het incidenteel appel niet slaagt - het incidenteel appel.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag, team kanton, van 4 november 2015,

en opnieuw rechtdoende:

  • -

    verklaart voor recht dat [appellante] tijdig een beroep heeft gedaan op de vernietigbaarheid van het haar verleende ontslag;

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellante] te betalen:

a. vakantiegeld en 5% pensioenopbouw over het tijdvak van 1 november 2013 tot en met 15 januari 2014;

b. een wettelijke verhoging ingevolge artikel 7:625 BW van 50% over deze loonbedragen;

c. loon ad € 81 bruto per week, vermeerderd met 8% vakantiegeld en 5% pensioenopbouw over het tijdvak van 16 januari 2014 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op regelmatige wijze zal zijn beëindigd;

d. een wettelijke verhoging ingevolge artikel 7:625 BW van 50% over deze loonbedragen;

e. veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellante] tot op 4 november 2015 begroot op € 182,-;

f. veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep in het principaal en het incidenteel appel, aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op € 412,07 aan verschotten en € 948,- aan salaris advocaat;

  • -

    verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Flipse, M.J. van der Ven en S.R. Mellema en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2018 in aanwezigheid van de griffier.