Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1457

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
15-06-2018
Zaaknummer
BK-17/00769
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:8582, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:2128
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende exploiteert vanuit zijn eenmanszaak ICT-activiteiten en is daarnaast bezig met het schrijven van een boek over de juridische afwikkeling van de erfenis van zijn vader. In geschil is of deze activiteiten in het jaar 2014 een bron van inkomen vormen. Hof Den Haag is met de Rechtbank van oordeel dat, gelet op de omstandigheden dat de ICT-activiteiten sinds 2006 verlieslijdend zijn en dat tegenover de geringe omzet relatief hoge kosten staan, niet aannemelijk is geworden dat in het onderhavige jaar redelijkerwijs een voordeel uit deze activiteiten verwacht kon worden. Belanghebbende heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij met het schrijven van het boek deelneemt aan het economische verkeer en dat hij met deze activiteit redelijkerwijs een voordeel kan verwachten. Gesteld noch gebleken is dat zicht bestaat op publicatie van het boek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1294
Viditax (FutD), 18-06-2018
FutD 2018-1686
V-N 2018/38.1.2
NTFR 2018/2585 met annotatie van Daal
Viditax (FutD), 16-11-2018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00769

Uitspraak van 18 april 2018

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: J.C. Rodermond-Japin, Z.C. Hidding en H.J. Vos),

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 11 juli 2017, nummer SGR 16/10294 betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.828.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 124.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 maart 2018, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Belanghebbende houdt zich sinds 1990 bezig met de verkoop van computers, het geven van ICT-adviezen en het oplossen van computerproblemen (ICT-activiteiten). De ICT-activiteiten werden eerst uitgeoefend in de vorm van een eenmanszaak en later via [Y] BV. Inmiddels exploiteert belanghebbende de ICT-activiteiten vanuit zijn eenmanszaak [A] . Belanghebbende is voorts bezig met het schrijven van een boek over de juridische afwikkeling van de erfenis van zijn vader.

3.2.

Belanghebbendes activiteiten zijn al sinds 2006 verliesgevend. Blijkens de aangiften IB/PVV voor de jaren 2011 tot en met 2013 en voor het jaar 2015 heeft belanghebbende de volgende resultaten behaald:

jaar

opbrengst

kosten

saldo fiscale winstberekening

2011

€ 2.672

€ 14.818

-/- € 12.146

2012

€ 2.542

€ 13.944

-/- € 11.402

2013

€ 7.543

€ 14.197

-/- € 6.654

2015

€ 7.061

€ 16.361

-/- € 9.300

Belastbaar loon

€ 22.524

Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden

€ 2.696 -/-

€ 19.828

3.3.

Voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.828. Dit inkomen is als volgt samengesteld:

3.4.

Bij de aanslagregeling voor het onderhavige jaar heeft de Inspecteur de aanslag vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt en zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij een onderneming drijft en dat het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd moet worden met een negatief resultaat, na toepassing van de MKB-winstvrijstelling, van € 7.824.Het resultaat vóór toepassing van de MKB-winstvrijstelling berekent belanghebbende als volgt:

Netto-omzet € 4.606

Som der kosten € 10.499 -/-

Bedrijfsresultaat - € 5.893

Financiële baten en lasten € 3.205 -/-

Resultaat - € 9.098

Oordeel van de Rechtbank

4. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en het volgende overwogen:

"(…)

9. Volgens vaste jurisprudentie moet voor een bron van inkomen worden voldaan aan drie voorwaarden:

-) deelname aan het economische verkeer; -) het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen, en -) de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs -in de toekomst- kan worden behaald. Niet in geschil is dat de activiteiten van [belanghebbende] in het economisch verkeer plaatsvinden en dat [belanghebbende] het oogmerk heeft om daarmee voordeel te behalen.

10. Voor de beantwoording van de vraag of met de activiteiten van de verkoop en service van computers een voordeel redelijkerwijs te verwachten is, dient te worden onderzocht of de verrichte activiteiten voorzienbaar blijvend verliesgevend zijn, dan wel dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij in de toekomst positieve opbrengsten zullen opleveren (vgl. o.a. Hoge Raad, 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002: AD8763 en Hoge Raad 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6821). De vraag of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting, moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van het onderhavige jaar, zijnde 2014. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen ook licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen (vgl. Hoge Raad 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707).

11. De rechtbank neemt in aanmerking dat de activiteiten sinds 2006 verlieslijdend zijn, in de periode van 2011 tot en met 2013 verlies is geleden en de activiteiten ook in het onderhavige jaar niet hebben geleid tot een positief resultaat. [Belanghebbende] heeft met zijn activiteiten nauwelijks omzet behaald terwijl tegenover die beperkte omzet wel ieder jaar relatief hoge kosten stonden.

12. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat in het onderhavige geval [belanghebbende] feiten en omstandigheden stelt en aannemelijk maakt die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een objectieve voordeelsverwachting. De rechtbank acht - met hetgeen door [belanghebbende] is aangevoerd - niet aannemelijk geworden dat voordeel is te verwachten. [Belanghebbende] stelt slechts dat er perspectieven zijn op positieve resultaten, maar dat deze zich pas in 2017 (maar meer waarschijnlijk in 2018) zullen voordoen. Hiermee is er echter nog geen bewijs geleverd dat in 2014 met de activiteiten positieve voordelen kunnen worden verwacht.

13. Wat [belanghebbende] ter zitting nog naar voren heeft gebracht kan niet tot een ander

oordeel leiden. Zo heeft [belanghebbende] aangevoerd dat zijn cash flow sterk is afgenomen door de manier waarop de Rabobank de afgelopen jaren is omgegaan met kredietverlening aan

[A] . Hierdoor had [belanghebbende] onvoldoende middelen om te investeren, wat negatieve consequenties had voor zijn omzet en resultaat. Ook heeft [belanghebbende] diverse Nederlandse krantenkoppen aangehaald met betrekking tot inconsistenties binnen de overheid en de Belastingdienst, en de behandeling van ZZP-ers. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende] hiermee echter ook niet aan zijn bewijslast voldaan.

(…)"

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1.

Tussen partijen is in geschil of de activiteiten van belanghebbende (de ICT-activiteiten en het schrijven van een boek) een bron van inkomen vormen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

5.2.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag, tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.004.

6.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Voor de beantwoording van de in geschil zijnde vraag moet eerst beoordeeld worden of de activiteiten van belanghebbende afzonderlijk dienen te worden getoetst dan wel dat deze activiteiten zodanig in elkaars verlengde liggen dat beide als één activiteit beschouwd dienen te worden. Naar het oordeel van het Hof bestaat tussen de ICT-activiteiten enerzijds en de werkzaamheden met betrekking tot het schrijven van een boek over de juridische afwikkeling van een erfenis anderzijds, geen samenhang. Bij dit oordeel is de uiteenlopende aard van deze activiteiten, de afwezigheid van economische/commerciële verbondenheid tussen de activiteiten en het verschil in (beoogde) klantenkring in aanmerking genomen. De vraag of sprake is van een bron van inkomen zal derhalve ten aanzien van beide activiteiten afzonderlijk beoordeeld worden.

ICT-activiteiten

7.2.

Met betrekking tot de ICT-activiteiten is tussen partijen uitsluitend in geschil of belanghebbende in het onderhavige jaar redelijkerwijs kon verwachten dat hij met deze activiteiten voordeel zou behalen (objectieve voordeelsverwachting). Bij de beoordeling van deze vraag verenigt het Hof zich met het toetsingskader dat onder 10 van de uitspraak van de Rechtbank is vermeld. Omdat belanghebbende met betrekking tot de ICT-activiteiten een verlies uit onderneming in aanmerking wil nemen, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat hij feiten en omstandigheden dient te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een objectieve voordeelsverwachting.

7.3.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat uiterlijk in het jaar 2018 winst behaald zal worden met de ICT-activiteiten. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft belanghebbende aangevoerd dat zijn werkzaamheden voor businesspartner [B] door een gewijzigd verkoopmodel de laatste jaren op een laag pitje stonden, maar dat de verwachting is dat hier verandering in gaat komen doordat het businessmodel van IBM meer op "de cloud" gericht zal worden. Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat de feitelijke hardware activiteiten minder belangrijk zullen worden en uiteindelijk zullen uitmonden in het aanbieden van netwerkoplossingen. Ten slotte heeft belanghebbende aangevoerd dat zodra gelden uit de erfenis van zijn vader vrijkomen, deze zullen worden aangewend voor investeringen in [A] .

7.4.

Met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd heeft hij niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Belanghebbende heeft zijn stellingen op geen enkele wijze met nadere stukken of anderszins onderbouwd. Het Hof is derhalve met de Rechtbank van oordeel dat, gelet op de omstandigheden dat de ICT-activiteiten sinds 2006 verlieslijdend zijn en dat tegenover de geringe omzet relatief hoge kosten staan, niet aannemelijk is geworden dat in het onderhavige jaar redelijkerwijs een voordeel verwacht kon worden. Ook de verklaring van belanghebbende dat [A] in financiële problemen is geraakt doordat het plaatselijke filiaal van de [C] in 2008 de kredietkraan heeft dichtgedraaid, en dat er vanaf dat moment onvoldoende financiering was om de activiteiten voort te zetten en essentiële investeringen te doen, wijst eerder in de richting van het tegendeel. Dat belanghebbende op korte termijn financiële middelen ter beschikking worden gesteld om de benodigde investeringen te kunnen doen, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Het Hof hecht ten slotte waarde aan de onweersproken stelling van de Inspecteur dat ook in de jaren 2016 en 2017 (1e tot en met 3e kwartaal) de kosten de (geringe) omzet aanzienlijk overtreffen. In zoverre is dus geen verbetering waar te nemen in het resultaat dat belanghebbende met de ICT-activiteiten heeft behaald.

Schrijven boek

7.5.

Met betrekking tot de activiteit bestaande uit het schrijven van een boek is tussen partijen in geschil of belanghebbende deelneemt aan het economische verkeer en of hij in het onderhavige jaar redelijkerwijs kon verwachten dat hij met deze activiteit voordeel zou behalen. Aangezien belanghebbende de met het schrijven van het boek gemoeide kosten in aftrek wil brengen, rust op hem de last feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van deelname aan het economische verkeer en van een objectieve voordeelsverwachting.

7.6.

Met de enkele stelling dat de gerechtelijke procedure in verband met de afwikkeling van de erfenis van zijn vader al ruim 27 jaar duurt en dat op aanraden van derden is besloten daarover een boek te schrijven, heeft belanghebbende niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Gesteld nog gebleken is dat – zo al sprake is van deelname aan het economische verkeer – zicht bestaat op publicatie van het boek.

Slotsom

7.7.

Gelet op al het vorenoverwogene is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond. Beslist dient te worden als hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, F.G.F. Peters en P.G.H. Albert, in tegenwoordigheid van de griffier N. El Allaoui. De beslissing is op 18 april 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.