Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1452

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
14-06-2018
Zaaknummer
BK-17/00713
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:7004, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is, in zoverre net als voor de Rechtbank, alleen in geschil of de onderhavige vermogensrendementsheffing als ongeoorloofde inbreuk in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1284
Viditax (FutD), 15-06-2018
FutD 2018-1695
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00713

Uitspraak van 2 februari 2018

in het geding tussen:

mr. [X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 21 juni 2017, nr. SGR 17/1219.

Procesverloop

1.1.

Belanghebbende is voor 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 154.582 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 19.261.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 46 is geheven.

1.4.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Een griffierecht van € 124 is geheven.

1.6.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 12 januari 2018. Partijen zijn verschenen.

Feiten

2.1.

De aanslag is conform de aangifte vastgesteld.

2.2.

De aan het belastbare inkomen uit sparen en beleggen ten grondslag liggende rendementsgrondslag is, vóór aftrek van het heffingsvrije vermogen, € 502.679 en, na aftrek van het heffingsvrije vermogen, € 481.540.

De Rechtbank

3. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

4. In geschil is - kort gezegd - of de vermogensrendementsheffing van box 3 in 2014 in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarnaast is in geschil of [belanghebbende] recht heeft op een aftrek ter zake van de werkruimte in zijn huurwoning.

De vermogensrendementsheffing

5. De rechtbank oordeelt, in navolging van de uitspraak van Rechtbank Den Haag van 30 maart 2017, SGR 16/2998, ECLI:NL:RBDHA:2017:3065, als volgt.

6. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 april 2015 (ECLI:NL:HR:2015:812) geoordeeld dat het forfaitaire stelsel van box 3 niet in strijd is met artikel 1 van het EP bij het EVRM. In het arrest van 10 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1129) heeft de Hoge Raad zijn arrest uit 2015 bevestigd en - voor zover hier van belang - geoordeeld:

'2.4.1.1. Bij de totstandkoming van box 3 met ingang van 2001 heeft de wetgever het forfaitaire rendement bepaald op vier percent. Dit percentage is niet afhankelijk gesteld van het werkelijke rendement van de bezittingen gedurende het jaar. De wetgever achtte dat gerechtvaardigd omdat:

“daarmee op een globale maar aanvaardbare wijze zou kunnen worden aangesloten bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen. In zoverre kan derhalve niet worden gesteld dat in het concept van de forfaitaire rendementsheffing geen rekening wordt gehouden met de omvang van de werkelijk genoten inkomsten uit vermogen.” (Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 263).

2.4.1.2. Van de wetgever mag worden verlangd dat een forfaitair stelsel, waaraan een zekere ruwheid inherent is, zodanig wordt vormgegeven dat daarmee wordt beoogd de werkelijkheid te benaderen (vgl. HR 12 mei 1999, nr. 33320, ECLI:NL:HR:AA2756, BNB 1999/271). Bij de vaststelling van het forfaitaire rendementspercentage op vier percent heeft de wetgever dan ook terecht aansluiting gezocht “bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen”.

2.4.1.3. Van het forfaitaire stelsel van box 3 kan, gelet op voormelde uitgangspunten, niet worden gezegd dat het elke redelijke grond ontbeert. Gelet op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op het terrein van het belastingrecht toekomt, is dit stelsel niet in strijd met artikel 1 EP. Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last (zie HR 3 april 2015, nr. 13/04247, ECLI:NL:HR:2015:812, BNB 2015/174). Indien deze onhaalbaarheid duidelijk zou worden en de wetgever ervoor kiest uit te blijven gaan van een forfaitair rendement, mag van hem worden verlangd dat hij de regeling aanpast teneinde de beoogde benadering van de werkelijkheid te herstellen.

2.5.1. De onderhavige procedure betreft de forfaitaire rendementsheffing voor het jaar 2011. In het zojuist genoemde arrest BNB 2015/174 inzake de heffing van inkomstenbelasting voor het jaar 2010 was niet komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers toen niet meer haalbaar was. Er is geen grond om daarover anders te oordelen voor het onderhavige jaar 2011, ten aanzien van welk jaar in deze procedure niet is komen vast te staan dat de gemiddelde opbrengsten uit sparen en beleggen lager waren dan in 2010.'

7. Uit rechtsoverweging 2.5.1 van voornoemd arrest volgt dat op het niveau van de regelgeving voor het jaar 2011 geen sprake is van schending van artikel 1 van het EP bij het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is de vermogensrendementsheffing van box 3 op het niveau van de regelgeving ook voor het jaar 2014 niet in strijd met artikel 1 van het EP bij het EVRM. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit voormelde arresten volgt dat voor het aannemen van een inbreuk op artikel 1 van het EP niet voldoende is dat het rendement van bepaalde bezittingen structureel beneden vier procent van de waarde van het daarin geïnvesteerde bedrag blijft, maar dat bepalend is of voor de belastingplichtigen het forfaitaire rendement van vier percent van het totale box 3-vermogen over een lange reeks van jaren niet meer haalbaar is.

8. Naast het voorgaande dient in ogenschouw te worden genomen dat, gelet op de verhouding tussen de rechter en de wetgever, de keuze van de wetgever om de box 3-heffing in eerste instantie niet aan te passen, hoewel bijvoorbeeld de (reële) rente op bankdeposito’s al enige jaren beduidend lager is dan vier percent, valt binnen de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid, nu immers het percentage van vier is gebaseerd op een lange-termijnveronderstelling en niet op een korte termijnveronderstelling. Het valt dan naar het oordeel van de rechtbank binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever dat hij pas met ingang van 2017 tot wijziging van de box 3-heffing is overgegaan in die zin dat het percentage van het forfaitair rendement vanaf dat moment afhangt van de aard en omvang van het box 3-vermogen.

9. Verder is niet aannemelijk geworden dat het forfaitaire stelsel van box 3, mede gelet op het toepasselijke tarief, voor [belanghebbende] leidt tot een individuele, buitensporig zware last. Voor zover [belanghebbende] meent dat daarvan sprake is, omdat de belastingdruk in box 3 voor hem neerkomt op ongeveer 60% van de daadwerkelijke gerealiseerde vermogensinkomsten, volgt de rechtbank hem daarin niet. Een dergelijke belastingdruk is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een buitensporig zware last. Andere feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de belastingheffing voor [belanghebbende] een zodanige last vormt, zijn gesteld noch gebleken.

Kosten werkruimte

10. (…)

11. (…) Nu ook niet is gesteld of gebleken dat [belanghebbende] overigens recht heeft op een aftrek ter zake van de werkruimte in zijn huurwoning, heeft [de Inspecteur] die aftrek terecht geweigerd.

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen is, is het beroep ongegrond verklaard.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

Geschil en standpunten

4.1.

In hoger beroep is, in zoverre net als voor de Rechtbank, alleen in geschil of de onderhavige vermogensrendementsheffing als ongeoorloofde inbreuk in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling

5.1.

Het oordeel van de Rechtbank, dat zo is te begrijpen dat geen feiten en omstandigheden zijn komen vast te staan die de conclusie rechtvaardigen dat de vermogensrendementsheffing in 2014 een ongeoorloofde inbreuk op artikel 1 EP bij het EVRM is dan wel maken dat het resultaat van de heffing in dit geval een individuele onevenredige last (individual and excessive burden) vormt, is terecht en op goede gronden gegeven. Het Hof ziet, de overwegingen van de Rechtbank overnemend, ook lettend op de in het verweerschrift in hoger beroep gegeven uiteenzetting, in de (cijfermatige) gegevens, zienswijzen en argumenten die belanghebbende in beroep en in hoger beroep aanvoert of anderszins niet een rechtvaardiging de in geding zijnde wettelijke regeling die de basis is voor de heffing geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te laten. In het bijzonder neemt het Hof in aanmerking dat niet blijkt en dat belanghebbende ook niet aannemelijk heeft gemaakt, uitgaande van het criterium "dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last", dat de wetgever de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid heeft overschreden.

5.2.

Dat voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten

Het Hof ziet geen reden een partij in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 2 februari 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.