Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1416

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-06-2018
Datum publicatie
21-08-2018
Zaaknummer
BK-17/00894
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:11566, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende bezit een woning te B en huurt daarnaast een woning in N. Belanghebbende stelt dat de koopwoning zijn centrale levensplaats vormt en verantwoordt de woning in de aangifte IB/PVV 2014 als eigen woning in box 1. De huurwoning wordt volgens belanghebbende slechts gebruikt als ‘werkwoning’, gezien het feit dat belanghebbende en zijn echtgenote beiden in de regio van de huurwoning werkzaam zijn. De Inspecteur beschouwt de koopwoning niet als “eigen woning” in de zin van art. 3.111 IB 2001. Het Hof oordeelt – in tegenstelling tot de Rechtbank – dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de koopwoning als hoofdverblijf kan worden aangemerkt. Doorslaggevend is dat de koopwoning het middelpunt van de persoonlijke belangen van belanghebbende is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-08-2018
V-N Vandaag 2018/1776
FutD 2018-2265
VFP 2018/82
Belastingadvies 2018/21.3
V-N 2018/58.3 met annotatie van Redactie
NTFR 2018/2738 met annotatie van mr. H.A. Elbert
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00894

Uitspraak van 12 juni 2018

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: J.M.J. Joostens-Ligt)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: C.M. Zijlstra-de Berg)

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 6 oktober 2017, nummer SGR 17/2887, betreffende na te vermelden aanslag en beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.886 (de aanslag). Bij beschikking is € 10 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslag en de beschikking belastingrente bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake is een griffierecht van € 46 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake is een griffierecht van € 124 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 1 mei 2018, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Belanghebbende is huurder van een woning gelegen aan de [Y] te [Z] (hierna: de huurwoning). Belanghebbende staat samen met zijn echtgenote op dit adres ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

3.2.

Belanghebbende en zijn echtgenote zijn eigenaar van een recreatiewoning gelegen aan de [A] te [B] (hierna: de koopwoning). De koopwoning maakt deel uit van het recreatiepark [C] ( [C] ).

3.3.

Op basis van het ter plaatse geldende bestemmingsplan mag de koopwoning niet voor permanente bewoning worden gebruikt.

3.4.

Belanghebbende werkt op dinsdag- en vrijdagochtend op een school in [D] , met een totaal aantal uren van 8,5 per week. Daarnaast drijft belanghebbende een onderneming; de activiteiten daarvan bestonden in 2014 uit het begeleiden van twee leerlingen, ieder van hen gedurende een uur per week. De echtgenote van belanghebbende werkt bij het [E] in [F] en heeft daar een contract voor 36 uur in de week, verdeeld over vier dagen. Zij werkt per week één uur korter dan de overeengekomen arbeidsduur en heeft 52 uur studieverlof per jaar.

3.5.

Belanghebbende en zijn echtgenote beschikken over één auto. Belanghebbende brengt zijn echtgenote af en toe naar haar werk. De echtgenote van belanghebbende brengt hem regelmatig naar de koopwoning. In het geval de echtgenote van belanghebbende nog dient te werken, rijdt zij terug naar de huurwoning. De enkele reisafstand tussen beide woning bedraagt met de auto 128 kilometer.

3.6.

Belanghebbende brengt de weekenden (van vrijdagmiddag tot zondagavond, maar regelmatig ook tot maandag- of dinsdagochtend), de feestdagen, de schoolvakanties en zijn vrije dagen door in de koopwoning. In 2014 is belanghebbende in totaal 170 dagen/nachten in de koopwoning verbleven.

3.7.

Tot de gedingstukken behoort enkele tientallen schriftelijke verklaringen waarin familie, vrienden, kennissen en buren van belanghebbende, uit zowel [B] als [Z] , verklaren dat het hen bekend is dat belanghebbende en zijn echtgenote alle weekenden, vrije dagen en feestdagen doorbrengen in de koopwoning. Tevens wordt in een aantal verklaringen vermeld dat het hen bekend is dat belanghebbende en zijn echtgenote in de koopwoning hun visite en logees ontvangen en dat zij alleen voor hun werkzaamheden verblijven in de huurwoning. In een aantal verklaringen staat dat hetgeen wordt verklaard, ook geldt voor het jaar 2014.

3.8.

Belanghebbende heeft in de door hem gedane aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2014 de koopwoning – alsmede de hypotheek betreffende de verwerving van deze woning en daarmee samenhangende hypotheekrente – in box 1 verantwoord.

Oordeel van de Rechtbank

4. De Rechtbank heeft, voor zover thans van belang, overwogen:

“(…)

11. Artikel 3.111. eerste lid, van de Wet luidt, voor zover hier van belang:

“In deze afdeling ( . . .) wordt verstaan onder eigen woning: een gebouw (. . .) voorzover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat”

12. De definitie van de eigen woning in artikel 3.111, eerste lid, van de Wet is in de memorie van toelichting op die bepaling als volgt toegelicht:

“Een eigen woning moet de belastingplichtige of personen die tot zijn huishouden behoren "anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staan". Met dit begrip wordt gedoeld op een voor duurzaam eigen gebruik bestemde woning welke overeenkomstig deze bestemming de belastingplichtige ter beschikking staat en niet in vrij opleverbare staat is te verkopen dan nadat de belastingplichtige op een andere wijze in zijn woonbehoefte heeft voorzien.

Per belastingplichtige kan slechts één woning voor hem als centrale levensplaats dienen. Een belastingplichtige die bijvoorbeeld in het kader van zijn werk een pied à terre aanhoudt in zijn directe werkomgeving, heeft voor de toepassing van deze regeling maar één eigen woning.”

(Kamerstukken II, 1998-1999, 26 727, nr. 3, artikel 3.6.2 (MvT).

13. Op [belanghebbende], die heeft gesteld dat de koopwoning hem als hoofdverblijf ter beschikking staat, rust de last om zulks aannemelijk te maken. Daarbij gaat het er om dat aannemelijk wordt gemaakt dat de koopwoning voor [belanghebbende] als centrale levensplaats dient.

14. [ Belanghebbende] heeft aangevoerd dat vrijwel alle vakanties, feestdagen, weekenden en andere vrije dagen worden doorgebracht in de koopwoning. [Belanghebbende] gaat op vrijdagmiddag of vrijdagavond naar de koopwoning. Daar verblijft hij tot zondagavond en rijdt om circa 21.00 uur naar de huurwoning terug. Dit omdat zijn echtgenote de volgende dag haar werkzaamheden in [F] verricht. Regelmatig gebeurt het dat [belanghebbende] pas maandagochtend of dinsdagochtend via [F] naar [Z] vertrekt. Dit op de momenten dat zijn echtgenote op de maandag thuis werkt of haar werkzaamheden het mogelijk maken om later op de maandag te starten. Voor geval de vakanties niet samen kunnen worden doorgebracht – [belanghebbendes] echtgenote heeft minder vrije dagen dan [belanghebbende] – reist de echtgenote van [belanghebbende] heen en weer of wordt zij naar het werk of naar de huurwoning gebracht door [belanghebbende].

15. [ De Inspecteur] stelt dat het leven van [belanghebbende] en zijn echtgenote zich concentreren rondom de huurwoning. Ter onderbouwing van die stelling heef [de Inspecteur] onderzoek gedaan naar het gebruik van de koopwoning en de huurwoning. Uit het onderzoek ingesteld naar de bankafschriften van de [G] volgt dat het leven van [belanghebbende] zich met name in en rondom [Z] en [D] afspeelt. Daarbij wijst [de Inspecteur] erop dat [belanghebbende] en zijn echtgenote naar opticien [H] in [I] gaan, naar tandarts [J] in [Z] , naar apotheek [K] in [Z] , naar de podoloog [L] in [Z] en naar de mondhygiëniste [M] in [N] ( [D] ). [De Inspecteur] heeft daarnaast uit de bankafschriften afgeleid dat de boodschappen zowel in [Z] en omstreken als in [B] worden gedaan. [Belanghebbende] en zijn echtgenote zijn lid van de Nordic Walking groep in [B] . Verder wijst [de Inspecteur] erop dat het werk van [belanghebbende] en zijn echtgenote wordt verricht in - de omgeving van - [Z] en [F] . Als onderdeel van het onderzoek heeft [de Inspecteur] een overzicht opgesteld van het energie en waterverbruik van de huurwoning en de koopwoning:

[Z]

[B]

Elektriciteit laag tarief (kWh)

651

Elekr. normaal tarief (kWh)

946

1138

Gas (m³)

1453

442

Drinkwater (m³)

52

16. Tegen het door [de Inspecteur] ingebracht overzicht van het energie- en waterverbruik heeft [belanghebbende] ingebracht dat het jaarlijkse drinkwaterverbruik in [B] moet worden gesteld op 45,7 m³. [Belanghebbende] heeft dit verbruik afgeleid uit cijfers van 2013 en 2015 door het verbruik in die jaren te delen door 3. Wat betreft het gasverbruik heeft [belanghebbende] gesteld dat hij de verwarming in de huurwoning laat aanstaan ook gedurende de perioden dat hij daar niet is.

17. De rechtbank is gegeven de vaststaande feiten en al hetgeen partijen over en weer hebben gesteld en aangevoerd, van oordeel dat het zwaartepunt van [belanghebbendes] leven zich afspeelt in [Z] en omgeving. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat ter zitting door de echtgenote van [belanghebbende] op een vraag van de rechtbank over de door haar gewerkte uren is verklaard dat zij een 36 uur-contract heeft, dat zij een uur minder per week werkt en hier wel voor betaald wordt, maar dat zij gemiddeld genomen jaarlijks wel meer dan een half jaar verblijft in [Z] of omstreken, en dat dit laatste ook geldt voor haar echtgenoot. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat [belanghebbende] en zijn echtgenote hun werkzaamheden in [F] , [D] en [Z] of omgeving verrichten en daar al hun economische betrekkingen hebben. De rechtbank acht, gegeven de weerspreking door [de Inspecteur], niet aannemelijk geworden dat [belanghebbende] vrijwel al zijn boodschappen in – de omgeving van – [B] doet. De rechtbank is daarom van oordeel dat de koopwoning niet als eigen woning in de zin van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet kan worden aangemerkt.

18. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

(…)”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1.

In geschil is of de koopwoning van belanghebbende in het onderhavige jaar kan worden aangemerkt als een eigen woning in de zin van artikel 3.111, lid 1, Wet op de Inkomstenbelasting 2001.

5.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Het sociale leven van belanghebbende speelt zich grotendeels af in de omgeving van de koopwoning. De huurwoning kan slechts als ‘werkwoning’ worden beschouwd.

5.3.

Daarnaast stelt belanghebbende dat hij in de bezwaarprocedure door de Inspecteur niet in staat is gesteld gebruik te maken van zijn recht om te worden gehoord. Belanghebbende verzoekt dientengevolge de Inspecteur te veroordelen tot het vergoeden van de griffierechten, ongeacht de uitkomst van het geschil.

5.4.

De Inspecteur beantwoordt de in geschil zijnde vraag ontkennend. Hij baseert dit standpunt onder meer op een analyse van de rekeningafschriften van belanghebbende en op overzichten van het energie- en waterverbruik van beide woningen.

Conclusies van partijen

6.1.

De belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar alsmede tot vermindering van de aanslag tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.331. Daarnaast concludeert belanghebbende tot een vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Ook in het geval belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld, concludeert belanghebbende tot vergoeding van het griffierecht.

6.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Belanghebbende heeft op 30 april 2018 – een dag voor de mondeling behandeling – nadere stukken ingediend. Dit is in strijd met artikel 8:58 van Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Inspecteur heeft tegen de overlegging van de stukken bezwaar gemaakt omdat hij, gelet op de korte tijdspanne tussen de ontvangst van de stukken en de mondelinge behandeling, deze niet adequaat heeft kunnen bestuderen. Onder die omstandigheden verzet ook de goede procesorde zich ertegen de stukken bij de beoordeling van het hoger beroep te betrekken.

7.2.

Ingevolge artikel 3.120, lid 1, onderdeel a, Wet op de Inkomstenbelasting 2001 (de Wet) zijn de renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, aftrekbare kosten indien deze zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning.

7.3

Onder eigen woning wordt – aldus artikel 3.111, lid 1, van de Wet – verstaan: “een gebouw (…) voorzover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat (…)”. Het hoofdverblijf van de belastingplichtige is synoniem voor zijn centrale levensplaats (Kamerstukken II 1988/99, 26 727, nr. 3, blz. 144). Waar de belastingplichtige zijn centrale levensplaats heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld (analoog aan artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). Het gaat daarbij kortgezegd om het antwoord op de vraag waar zich het middelpunt van de persoonlijke belangen van de belastingplichtige bevindt.

7.4.

De onder 3 vermelde feiten, in het bijzonder dat belanghebbende gedurende de weekenden (van vrijdagmiddag tot zondagavond, maar regelmatig ook tot maandag- of dinsdagochtend), de feestdagen, de schoolvakanties en zijn overige vrije dagen (in 2014 in totaal circa 170 dagen/nachten) in de koopwoning verblijft en dat belanghebbende en zijn echtgenote daar hun verjaardagen vieren en hun logees en visite ontvangen, leiden tot het oordeel dat de koopwoning het middelpunt van de persoonlijke belangen van belanghebbende is.

7.5

Hetgeen de heffingsambtenaar heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De omstandigheden dat belanghebbende zijn - in omvang beperkte - werkzaamheden in en buiten loondienst in de omgeving van [O] verricht en dat belanghebbende en zijn echtgenote daar ook een deel van hun consumptieve uitgaven (huur, andere vaste lasten huurwoning, boodschappen) doen, wegen bij de beantwoording van de vraag waar de centrale levensplaats van belanghebbende zich bevindt minder zwaar dan de onder 7.4. genoemde omstandigheden.

7.6.

Gelet op het vorenoverwogene is de koopwoning de centrale levensplaats en daarmee het hoofdverblijf van belanghebbende. Dit betekent dat de koopwoning als eigen woning in de zin van artikel 3.111, lid 1, van de Wet dient te worden aangemerkt.

7.7.

Het hoger beroep is gegrond. Gelet daarop behoeven de door belanghebbende gestelde schending van de hoorplicht in de bezwaarfase en zijn verzoek om vergoeding van het griffierecht geen behandeling.

Proceskosten en griffierecht

8.1.

Er zijn termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten, welke kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, worden vastgesteld op € 26 wegens reiskosten.

8.2.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de Rechtbank gestorte griffierecht van € 46, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 124 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.331;

  • -

    vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 26, en

  • -

    gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 170 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door G.J. van Leijenhorst, E.M. Vrouwenvelder en P.J.J. Vonk, in tegenwoordigheid van de griffier J. de Vormer. De beslissing is op 12 juni 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.