Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1331

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-05-2018
Datum publicatie
01-06-2018
Zaaknummer
200.217.028/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Kan de Turkse adoptie worden erkend nu er geen beginseltoestemming is afgegeven?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2018/73.11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 23 mei 2018

Zaaknummer : 200.217.028/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 16-3899

Zaaknummer rechtbank : C/10/501437

[appellanten]

,

beide wonende te [woonplaats] ,

verzoekers in hoger beroep,

hierna gezamenlijk te noemen: de adoptieouders,

advocaat mr. A. Neermawatie Nandoe te Rijswijk (ZH),

tegen

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats] ,

zetelende te [plaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gemeente,

vertegenwoordigd door [de vertegenwoordiger van de gemeente] .

Als belanghebbende is aangemerkt:

Plaatsvervangend afdelingshoofd Legal Office Ressortspakket,

vestiging [plaats] ,

hierna: het ressortspakket;

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te [plaats] ,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De adoptieouders zijn op 6 juni 2017 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 8 maart 2017, hierna: de bestreden beschikking, uitgesproken onder voormeld zaak- en rekestnummer.

De gemeente heeft op 1 september 2017 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts van de zijde van de adoptieouders ingekomen:

  • -

    een brief van 18 juli 2017, ingekomen op diezelfde datum, met als bijlage een journaalbericht van 18 juli 2017, met bijlagen;

  • -

    een brief van 25 augustus 2017, ingekomen op diezelfde datum, met als bijlage een journaalbericht van 25 augustus 2017, met bijlage.

De zaak is op 11 april 2018 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de adoptievader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    [naam vertegenwoordiger gemeente] en [naam vertegenwoordiger gemeente] namens de gemeente;

  • -

    [vertegenwoordiger van de raad] namens de raad.

De adoptiemoeder en het ressortspakket zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de adoptieouders om de adoptiebeslissing van de arrondissementsrechtbank te Havza (Turkije) van 12 oktober 2015 te erkennen, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

  • -

    als kind van [de biologische moeder] en [de biologische vader] is geboren:
    [de minderjarige] , op 4 januari 2014 te [geboorteplaats] (Turkije),
    hierna te noemen: de minderjarige;

  • -

    bij beslissing van de arrondissementsrechtbank te Havza (Turkije) van
    12 oktober 2015 is uitgesproken de adoptie van de minderjarige door de adoptieouders;

  • -

    zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de uitspraak van de bestreden beschikking had de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in Turkije, terwijl de adoptieouders hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden;

  • -

    de adoptie heeft in het land van herkomst niet tot gevolg dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen tussen de minderjarige en zijn (biologische) vader en moeder zijn verbroken.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de erkenning van de Turkse adoptie van de minderjarige.

2. De adoptieouders verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het hoger beroep gegrond te verklaren. Kosten rechtens.

3. De gemeente verweert zich daartegen.

4. De adoptieouders voeren – kort samengevat – het volgende aan. De adoptiemoeder heeft haar gewone verblijfplaats niet in Nederland. Ten tijde van de geboorte van de minderjarige verbleef zij in [plaats] (Turkije), hetgeen tevens volgt uit de beschikking van 12 oktober 2015 waarin uitdrukkelijk is vastgesteld dat de minderjarige samen met de adoptiemoeder in Turkije verblijft. De rechtbank miskent dat de toepasselijkheid van het Haags Adoptieverdrag 1993 niet enkel afhankelijk is van de al dan niet aanwezigheid van een conformiteitsverklaring. Indien een dergelijke verklaring ontbreekt of niet kan worden afgegeven – hetgeen in dezen het geval is nu een conformiteitsverklaring niet achteraf kan worden afgegeven – dient te worden nagegaan of er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan de adoptie door de Nederlandse rechter als geldig kan worden beschouwd. Hierbij dient het belang van het kind bepalend te zijn. Het belang van de minderjarige is er in dit geval in gelegen dat hij samen met zijn adoptieouders in Nederland in gezinsverband kan wonen. De adoptieouders wensen hun recht op gezinsleven en privacy (bij voorkeur) in Nederland uit te oefenen. Er zijn in dit geval geen signalen dat het niet in het belang van de minderjarige is dat het gezin wordt herenigd. Voorts heeft de Turkse rechter de sociale- en economische situatie van de adoptieouders in Nederland laten onderzoeken. Dat had de Turkse rechtbank niet gedaan indien zij van oordeel was geweest dat het adoptieverzoek slechts van nationaal belang was. De adoptiemoeder heeft vanaf het moment dat de minderjarige werd geboren de zorg voor hem op zich genomen. Zij is na de geboorte dan ook in Turkije gebleven om voor hem te zorgen. Hierdoor is tussen de adoptiemoeder en de minderjarige sprake van hechting. De adoptiemoeder heeft in Turkije geen werk. De adoptievader heeft werk in Nederland. Hij werkt in loondienst. De adoptievader maakt geld over naar de adoptiemoeder in Turkije. Voor zij naar Turkije vertrok, woonde de adoptiemoeder reeds twintig jaar in Nederland. Thans verblijft zij al ruim vier jaar met de minderjarige in [plaats] (Turkije). Het gaat daar goed met de minderjarige en inmiddels gaat hij ook naar school. Het is echter steeds de insteek van de adoptieouders geweest om met de minderjarige terug te keren naar Nederland. Tot slot is een Turkse adoptie een combinatievorm van een sterke en een zwakke adoptie. De biologische ouders en familie van de minderjarige wonen aan de andere kant van Turkije. Door de grote afstand is (dagelijks) contact tussen de minderjarige en zijn biologische ouders en familie moeilijk te realiseren. De adoptiemoeder wenst met de minderjarige terug te keren naar Nederland om daar samen met de adoptievader een gezin te vormen. Achterlating van de minderjarige in Turkije is niet wenselijk en kan ingrijpende gevolgen voor hem met zich meebrengen. De adoptieouders dachten dat hun advocaat in Turkije de regels van een internationale adoptie volgde, maar dit bleek achteraf niet zo te zijn. Het belang van de minderjarige brengt in dezen met zich dat de Turkse adoptie in Nederland wordt erkend.

5. De gemeente verweert zich daartegen – kort samengevat – als volgt. Het begrip ‘gewone verblijfplaats’ is een feitelijk criterium dat moet worden uitgelegd aan de hand van allerhande feiten en omstandigheden van persoonlijke en sociale aard, die duiden op duurzame banden met een bepaald land en/of wijzen op de intentie om die banden met dat land te vestigen. De adoptiemoeder is sinds 13 december 1995 onafgebroken opgenomen geweest in de BRP van [woonplaats] . Hoewel in de adoptiebeslissing van 12 oktober 2015 het dorp [plaats] (Turkije) als woonplaats van de adoptiemoeder staat vermeld, blijkt uit de getuigenverklaringen bij deze adoptiebeslissing dat is verklaard dat de adoptieouders in Nederland wonen en dat de adoptiemoeder pas na de geboorte van de minderjarige naar Turkije is gekomen om voor de minderjarige te zorgen, terwijl de adoptievader in Nederland bleef en regelmatig naar Turkije afreisde. De vraag is of dit betekent of de adoptiemoeder daarmee haar gewone verblijfplaats naar Turkije heeft verplaatst. De adoptievader bleef immers in Nederland en de bedoeling was dat de adoptiemoeder met de minderjarige naar Nederland terug zou keren en dat hij in Nederland zou opgroeien. Ten tijde van de adoptieprocedure en de Turkse uitspraak van 12 oktober 2015 had de adoptiemoeder haar gewone woon- of verblijfplaats dus in Nederland. De adoptiemoeder verbleef slechts in Turkije ten behoeve van de adoptieprocedure. Voorts zijn zowel Nederland als Turkije aangesloten bij het Haags Adoptieverdrag 1993. De Centrale Autoriteiten van beide landen hebben geen instemming gegeven tot deze adoptie. De adoptieouders zijn dan ook niet in staat gebleken om de zogenoemde conformiteitsverklaring, evenals de beginseltoestemming, over te leggen. Gelet hierop wordt niet voldaan aan de vereisten voor erkenning van rechtswege op grond van het verdrag. Er is daarom in dezen geen sprake van een verdragsadoptie. Ook de nationale erkenningsregels neergelegd in boek 10 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vinden in dit geval geen toepassing en dus komt de adoptie niet voor erkenning in aanmerking. Daarbij komt dat de erkenning van de adoptie niet in het belang van de minderjarige is. De adoptieouders hebben hem geadopteerd daar zij onvrijwillig kinderloos waren. Echter, niet is gebleken dat de biologische ouders niet voor de minderjarige konden zorgen. Wat in het belang is van de minderjarige, is relatief. Zijn belang kan er immers in zijn gelegen dat hij opgroeit bij zijn biologische ouders en familie. Voorts heeft de arrondissementsrechtbank te Havza een rapport opgesteld naar de sociale en economische omstandigheden van de adoptieouders in Turkije en niet naar de omstandigheden van de adoptieouders in Nederland. Uit niets blijkt dat het adoptieverzoek in Turkije is behandeld als een interlandelijke adoptie. Tot slot is door de vorm van de adoptie de familierechtelijke band tussen de minderjarige en zijn biologische ouders nooit verbroken. Of het hier om een sterke of zwakke adoptie gaat, is voor de erkenningsvraag echter niet relevant, aldus de gemeente.

6. De raad heeft ter zitting – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht. De raad heeft in het geheel geen zicht op de situatie van de minderjarige in Turkije. Ook heeft de raad geen zicht op de eventueel toekomstige situatie van de minderjarige in Nederland, waar hij in elk geval niet woont. Inmiddels is de schrijnende situatie ontstaan dat het gezin niet bij elkaar woont. De adoptievader woont in Nederland en de adoptiemoeder verblijft met de minderjarige in Turkije in afwachting van de erkenningsprocedure. Een gezinsonderzoek heeft niet plaats kunnen vinden. Voor zover bekend heeft de raad niet eerder onderzoek gedaan naar het belang van een kind in het kader van een adoptie in het buitenland, aldus de raad.

7. Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van het bepaalde in artikel 23 lid 1 van het Haags Adoptieverdrag 1993 wordt een adoptie, ten aanzien waarvan de bevoegde autoriteit van de staat waar de adoptie heeft plaatsgevonden schriftelijk heeft verklaard dat zij in overeenstemming met het verdrag tot stand is gekomen, in de andere verdragsluitende staten van rechtswege erkend. Vaststaat dat geen sprake is van een zogenoemde verdragsadoptie. Het hof zal daarom beoordelen of is voldaan aan het bepaalde in artikel 10:109 BW.

8. Op grond van het bepaalde in artikel 10:109 lid 1 BW wordt een in het buitenland gegeven beslissing waarbij een adoptie tot stand is gekomen en die is uitgesproken door een ter plaatse bevoegde autoriteit van de staat waar het kind zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de uitspraak zijn gewone verblijfplaats had, terwijl de adoptieouders hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, erkend indien:

  1. de bepalingen van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie in acht zijn genomen,

  2. de erkenning van de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, en

  3. erkenning niet op een grond, bedoeld in artikel 108 lid 2 of lid 3 van dit Boek, zou worden onthouden.

9. Niet in geschil is dat de adoptieouders niet over de vereiste beginseltoestemming beschikken, zodat niet is voldaan aan een van de erkenningsvoorwaarden van genoemd artikel. De rechtbank heeft geoordeeld dat in het belang van het kind niet voorbij kan worden gegaan aan het ontbreken van de beginseltoestemming. Het hof neemt de gronden van de rechtbank voor dit oordeel over en maakt ze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een andere beslissing leiden. Het hof neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat niet is gebleken dat de adoptie in het kennelijk belang van het kind is en ook niet is komen vast te staan dat de minderjarige nu en in de toekomst redelijkerwijs niets van zijn biologische ouders in hun hoedanigheid van ouders te verwachten heeft. De adoptieouders hebben op geen enkele wijze onderbouwd dat de adoptie kennelijk in het belang van de minderjarige is en dat afwijzing van het inleidend verzoek het belang van de minderjarige ernstig zou schaden. De enkele omstandigheid dat de minderjarige een band met de adoptiemoeder heeft opgebouwd en – naar door de adoptieouders wordt gesteld – in gezinsverband met de adoptiemoeder samenleeft is daartoe onvoldoende. Daarnaast heeft het hof geen informatie ontvangen over de (beweerdelijke) leefomstandigheden van de minderjarige in Turkije. De stellingen die de adoptieouders daarover hebben ingenomen, zijn niet met stukken of een onderzoek door een ter plaatse gevestigde organisatie die de belangen van kinderen beschermt, onderbouwd. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen.

10. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat ieder partij de eigen kosten draagt.

11. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het Hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, I. Obbink-Reijngoud en
K. van Barneveld-Peters, bijgestaan door mr. B.L. Lok als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 mei 2018.