Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1302

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-05-2018
Datum publicatie
31-05-2018
Zaaknummer
BK-17/00791
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:12158, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:786
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd. Belanghebbende stelt dat hij niet in Nederland woont en daarom niet verplicht verzekerd is voor de Zvw. In hoger beroep is in geschil of belanghebbende in het jaar 2014 verplicht is verzekerd op grond van de Zvw en, zo dat het geval is, of de aanslag tot het juiste bedrag is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1128
Viditax (FutD), 31-05-2018
FutD 2018-1498
V-N 2018/42.1.3
Viditax (FutD), 24-05-2019
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00791

Uitspraak van 25 mei 2018

in het geding tussen:

mr. [X] te [Z] belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Haaglanden, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 30 augustus 2017, nr. SGR 17/162.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) van € 350 opgelegd en is bij beschikking € 11 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij gezamenlijke uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag en de beschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij de Rechtbank. Een griffierecht van € 46 is geheven.

1.4.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 124 is geheven.

1.6.

De Inspecteur heeft bij brief van 6 april 2018 ("Verweerschrift") gereageerd op het hoger beroep. Met instemming van partijen zijn de bijlagen bij de brief niet tot de gedingstukken gerekend.

1.7.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 20 april 2018. Partijen zijn verschenen. Van het op de zitting verhandelde is een proces-verbaal gemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende verzoekt op 28 oktober 2015 met het formulier "Verzoek teruggaaf" een teruggave van inkomensafhankelijke bijdrage Zvw. Vraag 2 op het formulier luidt: "Is het totale bedrag van uw inkomsten hoger dan het maximum-bijdrage-inkomen?" De vraag beantwoordt belanghebbende bevestigend. Hij stuurt een brief mee waarin hij vermeldt dat op de pensioenuitkering van " [A] Leven" € 465 aan bijdrage Zvw is ingehouden. Ook verklaart hij in de brief niet verplicht te zijn verzekerd voor de Zvw, omdat hij in Thailand woont. De teruggaaf is op 19 januari 2016 verleend.

2.2.

Bij belanghebbende is een boekenonderzoek ingesteld. Van de bevindingen van het onderzoek is op 19 april 2017 een (definitief) controlerapport opgesteld. Het controlerapport behoort in kopie tot de stukken van het geding. Aan de hand van een veelheid van bevindingen, bijvoorbeeld dat belanghebbende in het jaar 2014 222 dagen in Nederland is geweest, is in het controlerapport met betrekking tot de woonplaats van belanghebbende geconcludeerd:

"De heer [X] verblijft het grootste deel van het jaar in Nederland. Mevrouw [Y] en kinderen verblijven jaarlijks ook geruime tijd in Nederland. Waarschijnlijk is voor het jaar 2014 het gezin op 13 maart 2014 gearriveerd en op 20 juni 2014 teruggegaan naar Thailand. Dit baseren wij op het uitgavenpatroon in die periode. Er worden uitgaven gedaan voor een pretpark en op 20 juni wordt de Connexxion Taxi Services B.V. naar Schiphol betaald terwijl de heer [X] de volgende dag weer pinbetalingen doet in Nederland. Waarschijnlijk is de 20e juni 2014 de vertrekdag van mevrouw [Y] en de kinderen. De heer [X] heeft overigens verklaard dat mevrouw [Y] en kinderen 6 weken per jaar in Nederland verblijven. De heer [X] heeft de beschikking over een zelfstandige woning, namelijk de [B] te [Z] . Op het adres [B] heeft de heer [X] een KPN abonnement en digitale tv afgesloten."

2.3.

Aan de aanslag ligt ten grondslag dat de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw ten onrechte is teruggegeven.

De Rechtbank

3. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

Geschil

5. In geschil is of [de Inspecteur] terecht de aanslag Zvw heeft opgelegd. Meer specifiek is in geschil of [belanghebbende] verplicht is verzekerd op grond van de Zvw, en zo ja, of hij inkomen heeft genoten op grond waarvan hij premieplichtig is voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw.

6. [ Belanghebbende] stelt primair dat hij niet in Nederland woont; hij heeft Nederland in 2008 metterwoon verlaten en zich in Thailand gevestigd. Subsidiair is [belanghebbendes] standpunt dat als er al een aanslag had moeten worden opgelegd, dit dan een navorderingsaanslag Zvw had moeten zijn, omdat 19 januari 2016 al een negatieve aanslag was opgelegd. Conversie van de aanslag naar een navorderingsaanslag is mogelijk, maar dan moet wel sprake zijn van een nieuw feit. Een nieuw feit ontbreekt echter omdat, voor [de Inspecteur] al duidelijk was dat er discussie was over [belanghebbendes] woonplaats. Meer subsidiair stelt [belanghebbende] dat hij geen winst uit Nederlandse onderneming geniet; hooguit is sprake van resultaat uit overige werkzaamheden. [Belanghebbende] stelt dat gegeven het door hem aangegeven resultaat, de grondslag van de aanslag onjuist is. Tot slot stelt [belanghebbende] zich op het standpunt dat hij ten onrechte niet is gehoord.

7. [ De Inspecteur] neemt primair het standpunt in dat [belanghebbende] in Nederland woont. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [de Inspecteur] een controlerapport van 19 april 2017 van [C] en [D] overgelegd. Voor het geval moet worden geoordeeld dat [belanghebbende] niet woonachtig is in Nederland, stelt [de Inspecteur] subsidiair dat [belanghebbende] winst uit Nederlandse onderneming geniet en daarom premieplichtig is voor de Zvw. [De Inspecteur] wijst in dat verband op het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999.

Beoordeling van het geschil

Wettelijk kader

8. Artikel 2, eerste en tweede lid, van de Zorgverzekeringswet (tekst 2014) luiden als volgt:

'1. Degene die ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de daarop gebaseerde regelgeving van rechtswege verzekerd is, is verplicht zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren of te laten verzekeren tegen het in artikel 10 bedoelde risico.

2. In afwijking van het eerste lid is niet verzekeringsplichtig:

a. de militaire ambtenaar (…);

b. de natuurlijke persoon die op grond van artikel 64, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen is ontheven van de verplichtingen, opgelegd op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.'

8.1.

Artikel 16, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet (tekst 2014) luidt als volgt:

'Krachtens de zorgverzekering is de verzekeringnemer premie verschuldigd.'

8.2.

Artikel 41 van de Zorgverzekeringswet (tekst 2014) luidt als volgt:

'De inhoudingsplichtige en de verzekeringsplichtige zijn een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd.'

8.3.

Artikel 43 van de Zorgverzekeringswet (tekst 2014) luidt als volgt:

'1. De verzekeringsplichtige is een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd over het in een kalenderjaar genoten bijdrage-inkomen.

2. Het bijdrage-inkomen is het gezamenlijke bedrag van hetgeen door de verzekeringsplichtige is genoten aan:

a. loon overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met:

1° het loon waarop artikel 42 van toepassing is;

2° de eindheffingsbestanddelen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964; en vermeerderd met loon, bepaald volgens de regels van artikel 3.82 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

b. belastbare winst uit onderneming, bepaald volgens de regels van afdeling 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

c. belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bepaald volgens de regels van afdeling 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001, met uitzondering van de in artikel 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedoelde werkzaamheden;

d. belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen, bepaald volgens de regels van afdeling 3.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

3. Het bijdrage-inkomen wordt ten minste op nihil gesteld en wordt tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Financiën, met betrekking tot een kalenderjaar vastgestelde bedrag.'

8.4.

Artikel 48 van de Zorgverzekeringswet (tekst 2014) luidt als volgt:

'De rijksbelastingdienst heft de inkomensafhankelijke bijdrage.'

8.5.

Artikel 49 van de Zorgverzekeringswet (tekst 2014) luidt als volgt:

'1. De door de inhoudingsplichtige verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage wordt geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van loonbelasting geldende regels.

2. Voor zover het bijdrage-inkomen bestaat uit loon als bedoeld in artikel 43, tweede lid, onderdeel a, dat van een inhoudingsplichtige wordt genoten, wordt de inkomensafhankelijke bijdrage bij wijze van inhouding geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van loonbelasting geldende regels.

3. Voor zover het bijdrage-inkomen bestaat uit andere dan de in het tweede lid bedoelde bestanddelen, wordt de inkomensafhankelijke bijdrage bij wege van aanslag geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regels, met uitzondering van artikel 3.154 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

4. Artikel 13bis, zestiende en twintigste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 is van overeenkomstige toepassing.'

8.6.

Artikel 50 van de Zorgverzekeringswet (tekst 2014) luidt als volgt:

'1. De inspecteur verleent bij voor bezwaar vatbare beschikking aan de verzekeringsplichtige een teruggaaf van de op het loon ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage voor zover het loon van de verzekeringsplichtige waarover inkomensafhankelijke bijdrage is geheven hoger is dan het in artikel 43, derde lid, bedoelde bedrag.

2. Een teruggaaf wordt niet verleend indien het met toepassing van het eerste lid berekende bedrag niet meer bedraagt dan het in artikel 9.4, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 genoemde bedrag.

3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ter zake van het verlenen van een voorschot op het bij de beschikking, bedoeld in het eerste lid, vast te stellen bedrag.

4. Ingeval een teruggaaf of een voorschot ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur het te veel betaalde bedrag bij voor bezwaar vatbare beschikking terugvorderen. De bevoegdheid tot terugvordering vervalt door verloop van vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarop de teruggaaf of het voorschot, bedoeld in de eerste volzin, betrekking heeft. Bij de invordering van het ingevolge de eerste volzin terug te vorderen bedrag zijn de regels die gelden voor de invordering van inkomstenbelasting van overeenkomstige toepassing.

5. In afwijking van de artikelen 30h en 30ha van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt bij de voor bezwaar vatbare beschikking, bedoeld in het eerste lid, en de voor bezwaar vatbare beschikking, bedoeld in het vierde lid, uitsluitend belastingrente vergoed, onderscheidenlijk in rekening gebracht, indien de dagtekening van de beschikking ligt na het verstrijken van een periode van zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het verstrijken van een periode van zes maanden na het einde van het kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft en eindigt 14 dagen na de dagtekening van de beschikking.”

8.7.

Artikel 2 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Awbz), tekst 2014, luidt als volgt:

'Ingezetene in de zin van deze wet is degene, die in Nederland woont.'

8.8.

Artikel 3, eerste lid, van de Awbz, tekst 2014, luidt als volgt:

'1. Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.'

8.9.

Artikel 5, van de Awbz, tekst 2014, luidt voor zover van belang als volgt:

'1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die:

a. ingezetene is;

b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

(…)

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden.'

8.10.

Artikel 9 Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 luidt voor zover van belang als volgt:

'Verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de persoon die niet in Nederland woont en die belastbare winst uit Nederlandse onderneming als bedoeld in afdeling 7.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 geniet, mits hij in Nederland arbeid verricht voor die onderneming.'

Bevoegdheid tot opleggen aanslag

9. [ De Inspecteur] heeft aan de aanslag ten grondslag gelegd het terugvorderen van ten onrechte aan [belanghebbende] terugbetaalde inkomensafhankelijke bijdrage Zvw. Die inkomensafhankelijke bijdrage was ingehouden op aan [belanghebbende] uitbetaald pensioen. Ingeval een teruggaaf of een voorschot ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan [de Inspecteur] het te veel betaalde bedrag bij voor bezwaar vatbare beschikking terugvorderen op grond van artikel 50, vierde lid, van de Zvw (zie 8.6). Dit betekent dat indien in het onderhavige geval van [belanghebbende] sprake zou zijn van een ten onrechte verleende teruggaaf, [de Inspecteur] aan genoemd artikel 50 een wettelijke bevoegdheid ontleent om die teruggaaf terug te vorderen. Nu [de Inspecteur] dit laatste heeft gedaan met gebruikmaking van een aanslag is hij daarmee binnen deze wettelijke bevoegdheid gebleven aangezien die aanslag een voor bezwaar vatbare beschikking is. Dat naar het kennelijke standpunt van [belanghebbende], de bevoegdheid van [de Inspecteur] moet worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, meer in het bijzonder artikel 16 van die wet, berust naar het oordeel van de rechtbank op een onjuiste rechtsopvatting.

Verzekeringsplicht

10. Om te kunnen vaststellen of [belanghebbende] voor het jaar 2014 premieplichtig is voor de Zvw, dient eerst beoordeeld te worden of hij verplicht verzekerd is voor die wet. Ter bepaling daarvan sluit de Zvw aan bij de verzekeringsplicht voor de Awbz (zie onder 8). Daarom dient eerst bepaald te worden of [belanghebbende] van rechtswege is verzekerd voor de Awbz. Op grond van artikel 5 van de Awbz is [belanghebbende] van rechtswege verzekerd indien hij ingezetene is (zie 8.9). Ingezetene voor de Awbz is de persoon die in Nederland woont. Waar iemand woont dient op grond van artikel 3 van de Awbz naar de omstandigheden te worden beoordeeld (zie 8.8).

11. In zijn arresten van 21 januari 2011 en 4 maart 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP1466 en ECLI:NL:HR:2011:BP6285) heeft de Hoge Raad overwogen dat het er bij de beoordeling naar de omstandigheden van ingezetenschap op aankomt of deze van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt. Uit de parlementaire geschiedenis van het fiscale woonplaatsbegrip volgt dat de wetgever geen bijzondere betekenis heeft willen toekennen aan bepaalde (categorieën) omstandigheden, zoals iemands sociale of economische binding met een land.

12. Bij de beantwoording van de vraag of [belanghebbende] gedurende het jaar 2014 is aan te merken als ingezetene in de zin van de Awbz gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Deze worden ontleend aan de vindingen in het controlerapport en de overige gedingstukken, waaronder een verklaring van de Thaise belastingdienst, en hetgeen partijen ter zitting hebben aangevoerd.

13. De rechtbank overweegt dat het door [de Inspecteur] ingebrachte controlerapport onderzoeksbevindingen bevat voor de jaren 2008 tot en met 2015. Voor de jaren 2011 tot en met 2015 zijn bevindingen vastgelegd over vliegbewegingen van [belanghebbende] van Amsterdam naar Bangkok en vice versa. Uitgaande van die bevindingen is [belanghebbende] in 2014 tweemaal vanuit Amsterdam gevlogen naar Bangkok. Daarnaast bevat het rapport gegevens over door [belanghebbende] in Nederland verrichte pinbetalingen. Hieruit volgt dat in 2014 door [belanghebbende] op 222 dagen in Nederland pinbetalingen zijn verricht. Verder staat vast, althans gaan beide partijen er kennelijk vanuit dat de flat aan de [B] te [Z] op 14 november 2012 door [belanghebbende] aan zijn toen nog 2-jarige zoon is verkocht en geleverd. Volgens het rapport staat niemand op dat adres als feitelijk bewoner geregistreerd. Wel staat het adres voor 10 personen geregistreerd als verplicht toezendadres voor de Belastingdienst. Eén van deze personen, [E] ( [E] .), is volgens [belanghebbende] de huurder van de woning. Van [E] . zijn verder geen gegevens bekend. Het feitelijk woonadres van [E] . is sinds 28 april 2008 een ander adres dan de [B] . Ter onderbouwing van de stelling dat [belanghebbende] ook gedurende de door [belanghebbende] opgegeven verhuurperiode, toch de beschikking had over de woning, en daarmee de verhuur onwaarschijnlijk is, vermeldt het rapport de volgende omstandigheden: [belanghebbende] liet zich door Connexxion Taxi Services B.V. vanaf het adres van de flat halen en brengen. Voor de flat zijn abonnementen afgesloten met KPN. De telefoon werd alleen gebruikt in de periode waarin [belanghebbende] in Nederland was. De pintransacties vinden met name plaats in de omgeving van het adres van de woning. Verder is geconstateerd dat het adres van de flat gebruikt wordt als postadres van [belanghebbende], worden aangiftes vanaf dat adres verzonden, bevindt de administratie van [belanghebbende] zich op dat adres en wordt het telefoonnummer op het zakelijke briefpapier van [belanghebbende] gebruikt. Een tweede telefoonnummer op dat adres wordt door [belanghebbende] als faxnummer gebruikt. Verder bevat het rapport gegevens van betalingen die met omzetbelasting zijn gedaan aan [belanghebbende]. Het rapport vermeldt in dit verband dat [belanghebbende] zijn praktijk in 2011 aan een belastingadvieskantoor heeft overgedragen en na de overname nog 3 jaar lang meedeelde in de omzet. [Belanghebbende] heeft ook omzet behaald met zelf verrichte werkzaamheden. In de jaren 2009 tot en met 2011 geeft hij het resultaat aan als winst uit onderneming, daarna als resultaat uit overige werkzaamheden. Verder heeft de belastingdienst uit het uitgavenpatroon afgeleid dat het gezin ook langer is verbleven in Nederland, voor het jaar 2014 zou dat gaan om de periode 13 maart tot en met 20 juni. Een van de conclusies van het rapport is dat [belanghebbende] in 2008 nog 80% van zijn tijd in Nederland verbleef, en dat dit afloopt naar 60% in 2014.

14. [ Belanghebbende] heeft verklaard dat hij Nederland in 2008 metterwoon heeft verlaten en in dat jaar volgens Boeddhistische ceremonie is getrouwd met [Y] , een Thaise vrouw. Uit dat huwelijk is [in] 2010 [belanghebbendes] zoon geboren. Daarnaast is er een dochter van de vrouw uit een eerder huwelijk. [Belanghebbende] heeft verklaard dat hij samen met zijn vrouw en kinderen in Thailand woont en het gezin aldaar de beschikking heeft over een woning. De kinderen gaan in Thailand naar school. [Belanghebbende] houdt een drietal bankrekeningen aan in Thailand. Voor zijn verblijf in Thailand beschikt [belanghebbende] over een zogenoemde retirement visa. Daarnaast heeft hij een Thais rijbewijs en heeft hij de beschikking over een Thais telefoonnummer en een internetaansluiting. Zijn voormalige buurvrouw in Nederland controleert voor [belanghebbende] de post in de flat. Verder heeft hij verklaard dat zijn gezin gemiddeld 6 weken per jaar in Nederland verblijft; voor 2014 was dat van 24 maart tot 11 mei. Als [belanghebbende] in Nederland is verblijft hij op het adres van de flat of bij vrienden en familie. Wat zijn economische activiteiten betreft heeft [belanghebbende] verklaard hoofdzakelijk in Nederland voor cliënten actief te zijn, maar ook cliënten is gaan bedienen in Thailand. In Nederland gaat het om een afbouw van werkzaamheden voor cliënten nadat hij zijn praktijk had overgedragen. Desgevraagd ter zitting heeft [belanghebbende] over het controlerapport kortweg gesteld dat het allemaal 'volstrekte onzin is'.

15. De rechtbank is van oordeel dat [de Inspecteur] met al hetgeen hij heeft aangevoerd, aannemelijk heeft gemaakt dat [belanghebbende] in 2014 inwoner is van Nederland. De rechtbank acht daartoe de voormelde bevindingen uit het controlerapport redengevend in samenhang met de door [de Inspecteur] ingebrachte verklaring van de Thaise fiscus. Al hetgeen [belanghebbende] daar tegenover heeft gesteld acht de rechtbank onvoldoende om het tegendeel aan te nemen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de Thaise fiscus verklaart dat er geen certificaat is van een huwelijk tussen [belanghebbende] en [Y] , dat [belanghebbende] geen inkomen genereert in Thailand, dat [belanghebbende] noch [Y] , noch een van de kinderen eigenaar is van onroerende zaken in Thailand. Voorts acht de rechtbank van belang dat [belanghebbende] in Thailand niet wordt aangemerkt als een zogenoemde permanent resident, maar aldaar tijdelijk verblijft op basis van eerder genoemd retirement visa. Omdat [belanghebbende] geen permanent resident is kan hij in Thailand geen onroerende zaken verwerven, is hij niet voor zijn wereldinkomen aldaar belastingplichtig en wordt hij in Thailand niet aangemerkt als ingezetene. Dat verlenging van het retirement visa gebruikelijk is maakt nog niet dat [belanghebbende] wel als inwoner en ingezetene in Thailand wordt aangemerkt. Daar komt bij dat de band met Nederland niet sterker hoeft te zijn dan die met Thailand. Een en ander leidt tot het oordeel dat [belanghebbende] naar omstandigheden beoordeeld inwoner is van Nederland en daarmee ingezetene is voor de Awbz. Daaruit volgt dan dat [belanghebbende] verplicht verzekerd is voor de Zvw.

16. Gegeven het oordeel onder 15 is vervolgens de vraag of [belanghebbende] premieplichtig is voor de Zvw en of aan [belanghebbende] ten onrechte teruggaaf van de op het pensioen ingehouden bijdrage Zvw is verleend. De rechtbank overweegt als volgt. Ingehouden bijdrage Zvw kan worden teruggevraagd ingeval het inkomen meer bedraagt dan het maximum bijdrage-inkomen. Voor het jaar 2014 bedraagt het maximum bijdrage-inkomen € 51.414. Het premiepercentage bedraagt 5,4 en de aanslaggrens is € 45. [De Inspecteur] heeft onweersproken gesteld dat in 2014 het totaal door [belanghebbende] genoten inkomen onder het maximum bijdrage-inkomen blijft. Uit de gedingstukken volgt dat [belanghebbende] een totaal aan pensioenuitkeringen heeft genoten van € 44.916 waarop inkomensafhankelijke bijdrage was ingehouden, en hij daarnaast nog inkomen heeft genoten uit werkzaamheden voor cliënten. De berekening die [de Inspecteur] heeft gemaakt van dat inkomen heeft [belanghebbende] niet, althans onvoldoende, weersproken. Daarvan uitgaande en mede gelet op het bepaalde in artikel 43 Zvw (zie 8.3), is aan [belanghebbende] ten onrechte een teruggaaf van ingehouden bijdrage Zvw verleend. Die teruggaaf is door [de Inspecteur] terecht bij beschikking op grond van artikel 50 Zvw teruggevorderd.

17. Ter zake van [belanghebbende]s grief over het schenden van de hoorplicht door [de Inspecteur] overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting is uit de verklaringen van partijen gebleken dat [de Inspecteur] gedurende de schorsing van het onderzoek heeft gedaan wat van hem mocht worden verwacht, namelijk het alsnog gelegenheid geven tot een hoorgesprek. [Belanghebbende] heeft hiervan geen gebruik willen maken om reden dat een brief - en naar [belanghebbende] stelt mogelijk meer - ontbrak in de aan hem ter inzage gegeven stukken. [De Inspecteur] heeft [belanghebbende] toegezegd die brief alsnog ter beschikking te stellen zodra hij daar de hand op heeft weten te leggen. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van schending van de hoorplicht.

18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)"

Geschil en standpunten

4.1.

In hoger beroep is in geschil, in zoverre net als voor de Rechtbank, of belanghebbende in het jaar 2014 verplicht is verzekerd op grond van de Zvw en, zo dat het geval is, of de aanslag tot het juiste bedrag is opgelegd.

4.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling

5.1.

De Rechtbank heeft op alle (in hoger beroep resterende) onderdelen van het geschil terecht en op goede gronden beslist dat het beroep ongegrond is. Belanghebbende heeft ook in hoger beroep niets aangevoerd of ingebracht, tegenover de gemotiveerde weerspreking door de Inspecteur, waaruit een inhoudelijk of formeel beletsel is te putten voor het handhaven van de aanslag. Het geheel van beschikbare gegevens, in het bijzonder de in het controlerapport neergelegde - door belanghebbende niet of onvoldoende bestreden - bevindingen, leiden naar 's Hofs oordeel tot geen andere conclusie, de overwegingen van de Rechtbank overnemend, dan dat: 1) belanghebbende (ook) in het jaar 2014, ondanks de familiebanden in Thailand, inwoner van Nederland en dus ingezetene voor de Awbz is en daarom verplicht is verzekerd voor de Zvw en 2) dat, wat de hoogte van de aanslag betreft, aan belanghebbende, gelet ook op de cijfermatige onderbouwing op het aanslagbiljet, ten onrechte een teruggaaf van de ingehouden bijdrage Zvw is verleend en dat dit bedrag terecht in de aanslag is begrepen.

5.2.

Het Hof neemt in aanmerking, ten overvloede, dat het verplicht verzekerd zijn van belanghebbende, los van waar hij woont, voortvloeit uit het feit dat hij (ook nog) in 2014 winst uit onderneming geniet. De Inspecteur heeft aan de hand van de onderzoeksbevindingen uiteengezet en ter zitting toegelicht, door belanghebbende niet afdoende bestreden en aannemelijk te achten, dat belanghebbende weliswaar zijn ondernemingsactiviteiten in Nederland vanaf het jaar 2011 afbouwt, maar dat hij in 2014 (nog steeds) voor diverse Nederlandse klanten op het gebied van advisering ondernemingsactiviteiten verricht met een omzet van meer dan € 10.000.

5.3.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Het Hof heeft meegewogen dat het geen reden ziet aan te nemen dat de belastingrente, waartegen geen afzonderlijke grief is ingebracht, ten onrechte of tot een onjuist bedrag is berekend.

Proceskosten

Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en P.M. Verhagen, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra. De beslissing is op 25 mei 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.