Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1298

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
01-06-2018
Zaaknummer
BK-17/00819
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:9836, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:2035
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanslag IB/PVV; ontslagvergoeding.

Belanghebbende heeft wegens het beëindigen van zijn dienstbetrekking een vergoeding van zijn werkgever ontvangen. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur de vergoeding terecht betrokken in de heffing van inkomstenbelasting. De vergoeding wordt gerekend tot het loon. Belanghebbende gaat ten onrechte uit van de veronderstelling dat het in aanmerking nemen van de vergoeding als loon leidt tot dubbele belasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1166
Viditax (FutD), 05-06-2018
FutD 2018-1570
Viditax (FutD), 02-11-2018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00819

Uitspraak van 30 mei 2018

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag,

(vertegenwoordigers: M.J. van Os en B.A. van Adrichem), de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 8 augustus 2017, nummer SGR 17/660, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag en beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.311 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 384 (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur € 10 belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft het daartegen gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 23 juni 2016 niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar van 23 juni 2016 beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 3 november 2016, nummer SGR 16/5970 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de Inspecteur opgedragen een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen.

1.3.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 januari 2017 het bezwaar ongegrond verklaard en de aanslag en de beschikking gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar van 10 januari 2017 beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake van dit beroep is een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft op 15 januari 2018 een nader stuk, door hem aangeduid als verweerschrift, ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 16 mei 2018, gehouden te Den Haag. Aldaar is de Inspecteur wel, maar belanghebbende – zonder bericht van verhindering – niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 30 maart 2018 aan belanghebbende op het adres [Y] , [Z] , onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Blijkens informatie op de website van PostNL is de vorenbedoelde brief op 31 maart 2018 bezorgd op het adres van belanghebbende.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Belanghebbende was tot en met 31 december 2014 in dienstbetrekking werkzaam bij [A] N.V. (de werkgever). Belanghebbende heeft in 2014 van de werkgever wegens het beëindigen van de dienstbetrekking een vergoeding van € 34.203 ontvangen (de vergoeding). Na inhouding van loonheffing bedraagt de vergoeding netto ongeveer € 19.000.

3.2.

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV gedaan voor het belastingjaar 2014 (de aangifte). Belanghebbende heeft een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.004 aangegeven. Belanghebbende heeft de vergoeding niet in aanmerking genomen als belastbaar inkomen uit werk en woning. Als ingehouden loonheffing heeft belanghebbende een bedrag van € 25.296 in aanmerking genomen.

3.3.

Uit het overzicht Fiscale Loon Gegevens van de Belastingdienst blijkt dat belanghebbende in het onderhavige jaar van de werkgever een loon heeft ontvangen van € 72.207. Er is over dit loon € 25.296 aan loonheffing ingehouden.

3.4.

De Inspecteur is bij het opleggen van de aanslag afgeweken van de aangifte. De Inspecteur heeft onder andere de vergoeding aangemerkt als loon en het aangegeven loon met een bedrag van € 34.203 verhoogd. De Inspecteur heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 65.311.

Oordeel van de Rechtbank

4. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen.

“8. Op grond van artikel 3.81 van de Wet IB 2001 wordt, voor zover hier van belang, onder loon verstaan: loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting. Artikel 10, eerste lid, van de Wet LB bepaalt dat loon is, al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten.

9. In artikel 3.82, aanhef en letter a onder 1, van de Wet IB 2001 is bepaald dat tot het loon wordt gerekend: “(…) hetgeen wordt genoten ter vervanging van gederfd of te derven loon”.

10. Voor het antwoord op de vraag of de door [belanghebbende] ontvangen vergoeding als loon uit dienstbetrekking aangemerkt moet worden is derhalve beslissend of de vergoeding een zodanig verband met de dienstbetrekking heeft dat deze als daaruit genoten kan worden aangemerkt.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de door [belanghebbende] in 2014 ontvangen vergoeding is uitgekeerd in verband met het vervroegd uit dienst treden. Gelet hierop heeft [de Inspecteur] de door [belanghebbende] ontvangen vergoeding terecht in de IB/PVV betrokken. Nu de op de vergoeding ingehouden loonheffing is verrekend is er geen sprake van dubbele belastingheffing.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

5.1.

In hoger beroep is in geschil of de vergoeding aangemerkt dient te worden als loon uit dienstbetrekking. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

5.2.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar van 10 januari 2017 en tot vermindering van de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.108.

5.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vergoeding direct verband houdt met de beëindiging van de dienstbetrekking van belanghebbende. Belanghebbende heeft de vergoeding dus ontvangen uit hoofde van de dienstbetrekking in verband met gederfd of te derven loon. Op grond van artikel 3.82, aanhef en letter a, onder 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt een dergelijke vergoeding gerekend tot het loon. Gesteld noch gebleken is dat de vergoeding bij de werkgever is aangemerkt als eindheffingsbestanddeel. De Inspecteur heeft de vergoeding dan ook terecht betrokken in de heffing van inkomstenbelasting.

6.2.

Belanghebbende gaat ten onrechte uit van de veronderstelling dat het in aanmerking nemen van de vergoeding als loon leidt tot dubbele belasting. De door de werkgever ingehouden loonbelasting wordt immers als voorheffing verrekend met de inkomstenbelasting. Op het onderhavige aanslagbiljet is ook te zien dat het totale bedrag aan van belanghebbende geheven loonbelasting (dus met betrekking tot zowel het reguliere loon als de vergoeding) is verrekend met de inkomstenbelasting. Van dubbele belastingheffing is derhalve geen sprake.

6.3.

Gelet op al het vorenoverwogene moet het hoger beroep ongegrond worden verklaard.

Proceskosten

7. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door F.G.F. Peters, H.A.J. Kroon en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier B. Knezevic. De beslissing is op 30 mei 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.