Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1296

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-06-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
200.210.966/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Persoonsgegevens; vordering tot verwijdering van zoekresultaten uit google search. Vervolg op HR 24-02-2017, ECLI:NL:HR:2017:316

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/421
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel Recht

Zaaknummer : 200.210.966/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/13/569654/KG ZA 14-960 PS/BB

Arrest d.d. 5 juni 2018

[appellant] ,

wonende te Amsterdam,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. F.I. van Dorsser te Den Haag,

tegen

de vennootschap naar vreemd recht GOOGLE LLC,

gevestigd te Mountain View, Californië, VS,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Google,

advocaat: mr. D. Verhulst te Amsterdam.

Het verloop van het geding

Bij exploot van 1 maart 2017 heeft [appellant] Google opgeroepen om voort te procederen met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:316). [appellant] heeft daarna een memorie na verwijzing (MnV-VM), met de producties 33 t/m 36 genomen, en vervolgens heeft ook Google een memorie na verwijzing (MnV-G), met de aanvullende producties 40 t/m 46 genomen.

Partijen hebben hun standpunten doen bepleiten ter zitting van dit hof van 11 januari 2018, [appellant] door zijn advocaat, en Google door haar advocaat en diens kantoorgenoot mr. R.D. Chavannes. De raadslieden hebben zich hierbij bediend van pleitnota’s (hierna: PA = Pleitnota in Appel, de pleitnota’s in de eerste aanleg zullen worden aangeduid met de afkorting PE).

Met het oog op het pleidooi hebben partijen nog de volgende stukken overgelegd:

- ingekomen op 27 december 2017: van Google een ‘certificate’ van de omzetting van Google Inc. in Google LLC en de producties 47 t/m 51;

- ingekomen op 28 december 2017: van [appellant] de producties 37 t/m 41.

Al deze stukken – tegen overlegging waarvan geen bezwaar is gemaakt – maken deel uit van het procesdossier. Na afloop van het pleidooi is arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

De feiten

1. De volgende feiten worden tot uitgangspunt genomen.

a SBS6 heeft op 27 mei 2012 een aflevering uitgezonden van het programma ‘Misdaadverslaggever’ van [misdaadverslaggever] . In deze aflevering werden camerabeelden getoond waarin [appellant] met een (vermeende) huurmoordenaar (verder A te noemen) bespreekt hoe deze een concurrent van [appellant] in de escortbranche het beste kan (laten) liquideren. [appellant] werd in deze, in het programma uitgezonden, beeldopnamen veelvuldig herkenbaar en zonder beeld- of geluidvervorming in beeld gebracht. Hij werd daarin niet met zijn volledige naam aangeduid maar met zijn voornaam en het tussenvoegsel en de eerste letter van zijn achternaam ( [naam] ).

b. [appellant] is op 15 augustus 2012 in eerste aanleg veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens poging tot uitlokking van huurmoord. Deze veroordeling was mede gebaseerd op de hiervoor genoemde beeldopnamen. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld.

c. Verscheidene media hebben bericht over deze veroordeling van [appellant] en de daaraan voorafgaande uitzending van het programma van [misdaadverslaggever] . In die berichten is [appellant] niet met zijn volledige naam aangeduid, maar met zijn voornaam en het tussenvoegsel en de eerste letter van zijn achternaam ( [naam] ).

d. Daarnaast heeft de zaak een auteur geïnspireerd tot het schrijven van een boek dat in 2013 verscheen. De auteur omschrijft het boek als ‘faction’, een mix van feit en fictie. In het boek (hierna: het Boek) wordt de moord niet alleen gepland maar ook gepleegd. Het personage dat de moord laat plegen heeft de volledige naam van [appellant] .

e. Google Search is een door Google aangeboden zoekmachine. Google Search helpt de internetgebruiker om, aan de hand van een of meer door hem opgegeven zoektermen, uit alle informatie op het internet de meest relevante informatie te verkrijgen. De naar aanleiding van de opgegeven zoekterm(en) weergegeven resultatenlijst geeft hyperlinks (URL’s) weer, die verwijzen naar webpagina’s, afbeeldingen of locaties.

f. Bij het invoeren van de volledige naam van [appellant] als zoekterm in Google Search worden verscheidene URL’s weergegeven als zoekresultaat. Dat zijn, voor zover hier van belang, URL’s die verwijzen naar amazon.com, books.google.nl en abebooks.com, waarin informatie staat over het Boek – hierna ook: URL (a), (b) en (c) – en een URL die verwijst naar een pagina van het Algemeen Dagblad dat een bericht bevat als hiervoor onder 1.c vermeld (hierna ook: URL (d)).

g. De advocaat van [appellant] heeft met behulp van een daartoe bestemd online-formulier Google verzocht de onder 1.f genoemde URL’s niet langer als resultaat te tonen bij het invoeren van [appellant] volledige naam in Google Search. Google heeft dit geweigerd.

De vorderingen en de rechterlijke beslissingen tot nu toe

2.1

[appellant] heeft in dit kort geding gevorderd Google te veroordelen:

i) zijn persoonsgegevens te rectificeren, uit te wissen of af te schermen, door het verwijderen van de hierboven genoemde URL’s die met zijn persoon in verband worden gebracht bij het invoeren van zijn naam/namen [appellant] ’ in de (resultaten van de) zoekmachines(s) van Google;

ii) alle zoekresultaten, althans de door Google gepubliceerde URL’s waarin zijn persoonsgegevens niet (meer), althans niet (meer) volledig worden genoemd, uit (de resultaten van) de zoekmachine van Google bij de zoekopdracht [appellant] ’, te verwijderen en verwijderd te houden.

Vordering i) ziet op de URL’s (a), (b) en (c) betreffende het Boek. Vordering ii) ziet op URL (d) en is er op gericht dat Google ervoor zorgdraagt dat de berichten over de veroordeling wegens poging tot uitlokking van moord, waarin hij alleen met ‘ [naam] ’ wordt aangeduid, niet verschijnen als op zijn volledige naam ‘ [appellant] ’ wordt gezocht. Aan deze vorderingen zijn de artikelen 36 en 40 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en onrechtmatige daad ten grondslag gelegd.

2.2

De Wbp vormt de implementatie van Richtlijn 95/46/EG betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens (hierna: de Privacyrichtlijn, kortweg PRl). Artikel 36 Wbp, waarmee artikel 12 sub b PRl is geïmplementeerd, verleent de betrokkene een verwijderingsrecht wanneer de verwerkte gegevens onjuist, onvolledig of niet ter zake dienend zijn, of wanneer gegevens anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Artikel 40 Wbp strekt tot implementatie van artikel 14, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 7, aanhef en onder e en f PRl en geeft, voor zover hier van belang, de betrokkene een recht van verzet in het geval gegevens worden verwerkt met een beroep op artikel 8 sub f Wbp, inhoudende dat persoonsgegevens mogen worden verwerkt indien dat noodzakelijk is voor het gerechtvaardigd belang van de verantwoordelijke of derden, tenzij het recht van de betrokkene op bescherming van de persoonlijke levenssfeer prevaleert. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft inmiddels onderdelen van de PRl uitgelegd in een aantal arresten, waaronder het arrest van 13 mei 2014 in zaak C-131/12 ‘Google Spain/Costeja Gonzales’ (hierna: Costeja), ECLI:EU:C:2014:317. De punten 62 e.v. van ‘Costeja’ hebben betrekking op de uitleg van de artikelen 12 sub b en 14, aanhef en sub a PRl, en zijn daarmee ook bepalend voor de inhoud van de artikelen 36 en 40 Wbp.

2.3

De voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 18 september 2014 de vorderingen van [appellant] afgewezen. In zijn arrest van 31 maart 2015 heeft het Hof Amsterdam dit vonnis bekrachtigd. Tegen dit arrest heeft [appellant] beroep in cassatie ingesteld.

2.4

In rov. 3.5.5 van zijn arrest van 24 februari 2017 heeft de HR de voor deze zaak relevante overwegingen uit ‘Costeja’ als volgt samengevat:

Deze overwegingen houden in dat de grondrechten van een natuurlijke persoon als bedoeld in de art. 7 en 8 Handvest (het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens) in de regel zwaarder wegen dan, en dus voorrang hebben op, het economisch belang van de exploitant van de zoekmachine en het gerechtvaardigd belang van de internetgebruikers die mogelijk toegang willen krijgen tot de desbetreffende zoekresultaten. Dat kan in bijzondere gevallen anders zijn, afhankelijk van “de aard van de betrokken informatie en de gevoeligheid ervan voor het privéleven van de betrokkene en van het belang dat het publiek erbij heeft om over deze informatie te beschikken, wat met name wordt bepaald door de rol die deze persoon in het openbare leven speelt”.

De tussen aanhalingstekens geplaatste passage is een citaat uit punt 81 van ‘Costeja’. In rov. 3.5.6 heeft de HR de volgende formulering gebezigd:

Uit de aangehaalde overwegingen van het HvJEU volgt (…) dat het privacybelang van de natuurlijke persoon in de regel prevaleert boven het belang bij informatie van de internetgebruikers en boven het economisch belang van de exploitant, en dat dit anders kan zijn in bijzondere gevallen, wanneer sprake is van bijzondere redenen die inmenging in het recht op privacy rechtvaardigen.

2.5

De HR heeft het arrest van het Amsterdamse hof gecasseerd op, kort gezegd, de grond dat het in het licht van de onder 2.4 weergegeven uitgangspunten blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel niet naar behoren is gemotiveerd. Niet duidelijk was volgens de HR of het Amsterdamse hof is nagegaan of het publiek er belang bij heeft dat als op de volledige naam van [appellant] wordt gezocht, de desbetreffende berichten verschijnen en of dit belang vervolgens is afgewogen tegen het belang van [appellant] (rov. 3.6.3).

De zaak na verwijzing na cassatie

3.1

In de MnV-VM heeft [appellant] (de grondslag van) zijn eis vermeerderd in dier voege dat hij nu tevens – naast verwijdering van de in rov. 1.f vermelde URL’s (a) t/m (d), waarbij hij onverminderd belang stelt te hebben, zie ook blz. 4 PA – verwijdering vordert van de URL’s die bij het intypen van de volledige naam ‘ [appellant] ’ verwijzen naar:

(e) een pagina van Boevennieuws van 22 januari 2016 die slechts de voornaam en het tussenvoegsel en de eerste letter van zijn achternaam (dus: [naam] ) bevat;

(f) een pagina van de Amerikaanse website Consumer Health Digest van 22 april 2008 waarin niet de volledige naam ‘ [appellant] ’ voorkomt, maar diens Amerikaanse pseudoniem ‘ [pseudoniem] ’.

Deze URL’s zullen hierna worden aangeduid als de URL’s (e) en (f).

3.2

Google heeft aangevoerd dat eisvermeerderingen na cassatie niet zijn toegestaan en dat daarom de op de URL’s (e) en (f) gebaseerde vorderingen buiten beschouwing moeten worden gelaten. In een recent arrest heeft de HR echter beslist dat indien is voldaan aan de uitzonderingen op de twee-conclusie-regel – waaronder ondubbelzinnige aanvaarding door de wederpartij en het geval van, kort gezegd, een nieuw feit – een vermeerdering van eis in beginsel ook mogelijk is in een verwijzingsprocedure na cassatie (HR 15 september 2017 ‘Vehmeijer/Janssens’, ECLI:NL:HR:2017:2360). Gelet hierop is de eisvermeerdering op basis van URL (e), waarbij het om zo’n nieuw feit gaat, toelaatbaar. URL (f) betreft weliswaar, zoals Google betoogt (punten 15 en 16 MnV-G), een ‘oud’, al eerder in de procedure ter sprake gebracht feit, maar de eisvermeerdering op basis daarvan is toelaatbaar omdat daarmee geen nieuw element in de rechtsstrijd wordt gebracht.

3.3

Thans, na verwijzing, dient het verweer van Google, dat sprake is van bijzondere omstandigheden die inmenging in het privéleven van [appellant] rechtvaardigen, alsnog nader te worden beoordeeld.

3.4

Daarbij stelt het hof voorop dat de stelling van [appellant] dat hij geen rol speelt in het openbare leven, moet worden onderschreven. Dat wil echter niet zeggen dat Google geen beroep kan toekomen op bijzondere omstandigheden als zo-even vermeld. Of het publiek er belang bij heeft om over de informatie in kwestie te beschikken, wordt blijkens punt 81 van ‘Costeja’ immers niet uitsluitend, maar alleen ‘met name’ – en dus niet uitsluitend – bepaald door de rol die de betrokkene in het openbare leven speelt.

3.5

Er heeft zich inmiddels een aantal nieuwe feiten voorgedaan, dat door beide partijen naar voren is gebracht, en door hen dus ondubbelzinnig is aanvaard, en dat, gezien het onder 3.2 overwogene, dus deel uitmaakt van het geding na verwijzing na cassatie.

3.6.

In de eerste plaats gaat het hier om de verdere gebeurtenissen naar aanleiding van de in rov. 1.a beschreven poging tot uitlokking van moord. Op 22 januari 2016 heeft het Gerechtshof Amsterdam de daarvoor door de rechtbank uitgesproken veroordeling bekrachtigd met oplegging van 7,5 jaar gevangenisstraf. Het daartegen ingestelde cassatieberoep is op 14 maart 2017 verworpen. Omdat hij lange tijd in voorarrest had gezeten, is [appellant] sinds 9 september 2017 weer op vrije voeten en is er sinds medio januari 2018 ook geen sprake meer van een enkelband.

3.7

In de tweede plaats is [appellant] in juli 2017 door de rechtbank Den Haag veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf voor het helen via marktplaats.nl van vier gestolen fietsen in de periode tussen 11 februari 2015 en 21 januari 2016 (de dag vóór het arrest in het hoger beroep van de poging tot uitlokking van moord-zaak).

3.8

Verder heeft Google na verwijzing een beroep gedaan op feiten die zij al eerder in de procedure had aangevoerd, namelijk dat [appellant] :

- in 2004 in de VS is veroordeeld voor het illegaal aanbieden van escortdiensten in Florida;

- in 2008 in de VS is veroordeeld voor fraude met valse kankermedicijnen (hierop heeft de in rov. 3.1 genoemde pagina uit de Consumer Health Digest betrekking).

De juistheid van deze feiten is niet betwist.

3.9

Geconstateerd moet worden dat [appellant] zich bij herhaling schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die steeds bij zakelijke contacten werden gepleegd (poging tot liquidatie van een concurrent; fraude met medicijnen; heling) en waarvan met name kwetsbare personen slachtoffer zijn geworden (escortmeisjes; kankerpatiënten). Het laatste feit, de heling, heeft nog maar vrij kort geleden plaatsgevonden, namelijk tussen 11 februari 2015 en 21 januari 2016, hangende het hoger beroep van het vonnis waarbij hij veroordeeld werd wegens een in 2012 gedane poging tot uitlokking van moord. Dit duidt er niet op dat [appellant] van zins zou zijn om zijn leven te beteren. Bij deze stand van zaken bestaat er naar het oordeel van het hof bij het publiek een zeer groot belang om te kunnen beschikken over informatie als waarnaar wordt verwezen in de URL’s die [appellant] verwijderd wil zien. Personen moeten immers kunnen weten dat zij ernstige risico’s lopen wanneer zij met [appellant] in zee zouden willen gaan, en zelfs zeer ernstige risico’s wanneer zij met hem in concurrentie zouden willen treden. Dit belang bij het publiek is – in elk geval op dit moment nog – zo groot dat het een rechtvaardiging vormt voor een inmenging in het privéleven van [appellant] , ook al betreft het hier gevoelige persoonsgegevens van hem, te weten strafrechtelijke persoonsgegevens. Het is juist de beschikbaarstelling van deze gegevens die nodig is om het publiek op een adequate manier voor die (zeer) ernstige risico’s te kunnen waarschuwen. Niet goed valt in te zien op welke andere wijze dit belangrijke doel zou kunnen worden bereikt. Er is hier kortom sprake van een bijzonder geval dat een uitzondering oplevert op de hoofdregel dat het privacybelang zwaarder weegt dan de andere betrokken belangen. Het beroep van [appellant] op de artikelen 36 en 40 Wbp stuit op dit een en ander af.

3.10

Bij pleidooi na verwijzing heeft [appellant] naar voren gebracht dat de zoekresultaten waar de door hem gewraakte URL’s naar verwijzen, zien op gegevens als bedoeld in artikel 16 Wbp, waarmee artikel 8 PRl is geïmplementeerd en dat een verbod bevat op de verwerking van bijzondere persoonsgegevens, waaronder strafrechtelijke gegevens. Daarbij heeft [appellant] opgemerkt dat zich geen van de uitzonderingen op dit verbod voordoet. Google heeft bij genoemd pleidooi, buiten de PA om, de stelling betrokken dat dit beroep op artikel 16 Wbp tardief is, nu dat door [appellant] eerder in deze procedure alleen is gedaan, en ook toen al te laat, in de schriftelijke toelichting in cassatie. Het hof volgt Google op dit punt. In cassatie heeft [appellant] niet tijdig het standpunt ingenomen dat het Amsterdamse hof zijn vorderingen mede op basis van artikel 16 Wpb had moeten beoordelen, zodat de al dan niet toepasselijkheid van dat artikel buiten de rechtsstrijd na cassatie valt, in aanmerking ook nemende dat zich hier niet een van de uitzonderingen op de twee-conclusie-regel voordoet die alsnog tot uitbreiding van die rechtsstrijd zou kunnen leiden (zie rov. 3.2). Het is meer in het bijzonder geen novum dat de zoekresultaten waar het in dit geding om gaat, betrekking hebben op strafrechtelijke gegevens. Bovendien zou – zeker in dit licht – het alsnog toelaatbaar achten van een beroep op artikel 16 Wbp tot het onaanvaardbare gevolg leiden dat na cassatie een andersoortig debat wordt geopend. Artikel 16 Wbp bevat namelijk, anders dan de artikelen 36 en 40 Wbp die de betrokkene ‘alleen maar’ een verwijderings- c.q. verzetsrecht in bepaalde omstandigheden geven, een verbod, en het debat daaromtrent zou derhalve vooral betrekking hebben op de – niet eerder gespeeld hebbende – vraag of aan de beperkte uitzonderingen op dat verbod is voldaan. De vermeerdering van de grondslag van [appellant] eis met artikel 16 Wbp is bij deze stand van zaken (tevens) in strijd met de goede procesorde.

3.11

Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat Google onrechtmatig handelt door de door [appellant] bedoelde URL’s en zoekresultaten niet te verwijderen. Ook op grondslag van onrechtmatige daad zijn de vorderingen van [appellant] dus niet toewijsbaar.

Slotsom

4.1

De slotsom luidt dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, met afwijzing van het door [appellant] bij wege van vermeerdering van eis in hoger beroep gevorderde (zie rov. 3.1). Als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de daarop gevallen kosten.

Beslissing

Het gerechtshof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 18 september 2014;

- wijst af het door [appellant] bij wege van vermeerdering van eis in hoger beroep gevorderde;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Google begroot op € 1.420,- voor griffierechten en € 3.222,- voor salaris;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de procesveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.Y. Bonneur, R. Kalden en M.P.J. Ruijpers; het is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juni 2018 in aanwezigheid van de griffier.