Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1248

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-05-2018
Datum publicatie
25-05-2018
Zaaknummer
2200585315
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is veroordeeld tot 5 jaren en 6 maanden gevangenisstraf.

De verdachte is veroordeeld wegens deelneming aan een criminele organisatie met onder meer een terroristisch oogmerk. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het op grote schaal met behulp van social media opruien tot een terroristisch misdrijf en het verspreiden van dat materiaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005853-15

Parketnummers: 09-767174-13 en 09-765004-15

Datum uitspraak: 25 mei 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken,

zitting houdende in de extra beveiligde zittingszaal van de rechtbank Noord-Holland te Badhoevedorp.

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 december 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[Naam],

geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] (Marokko),

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Vught.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzittingen in hoger beroep van dit hof op 30 maart en 3 april 2017, 30 en 31 januari 2018, 1, 6, 7, 8 en 13 februari 2018, 7, 13, 14, 20, 21, 22 en 28 maart 2018 en 3, 4, 5 en 6 april 2018 en 14 mei 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het destijds bij dagvaarding met parketnummer 09/767174-13 onder 1 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het destijds bij dagvaarding met parketnummer 09/767174-13 onder 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief en onder 3 eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde en het bij dagvaarding met parketnummer 09/7675004-15 onder 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

6 (zes) jaren, met aftrek van voorarrest.

Voorts is beslist omtrent inbeslaggenomen voorwerpen als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep ten laste gelegd hetgeen is omschreven in de (gewijzigde) tenlastelegging, welke als bijlage A onderdeel uitmaakt van dit arrest.

De beschuldigingen komen kort gezegd op het volgende neer:

Parketnummer 09/767174-13 (hierna: dagvaarding I)

1A (eerste cumulatief/alternatief):

opruiing tot een terroristisch misdrijf

1B (tweede cumulatief/alternatief):

verspreiding van tot een terroristisch misdrijf opruiend materiaal

2A (eerste cumulatief/alternatief):

medeplegen van opruiing tot een terroristisch misdrijf

2B (tweede cumulatief/alternatief):

medeplegen van verspreiding van tot een terroristisch misdrijf opruiend materiaal

3A (eerste cumulatief/alternatief):

deelname aan een terroristische organisatie

3B (tweede cumulatief/alternatief):

deelname aan een criminele organisatie

Parketnummer 09/765004-15 (hierna: dagvaarding II)

1A (eerste cumulatief/alternatief):

aanzetten tot haat, discriminatie en geweld door twee of meer verenigde personen

1B (tweede cumulatief/alternatief):

belediging van groep mensen door twee of meer verenigde personen

2: smaadschrift ambtenaar

Geldigheid inleidende dagvaarding

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde (partieel) nietig dient te worden verklaard.

Daartoe is – kort en zakelijk weergegeven - het volgende betoogd.

Door de wijziging in eerste aanleg was de dagvaarding beperkt van in beginsel alle berichten, tot die berichten die door het openbaar ministerie specifiek werden benoemd. Door de thans in hoger beroep toegewezen wijziging, te weten het telkens toevoegen van het zinnetje “althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben” is de tenlastelegging weer volledig uitgebreid en kan het opnieuw alle berichten in het hele dossier omvatten.

Dit is in strijd met de goede procesorde. Bij de verdachte is het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat hij niet langer vervolgd zou worden voor berichten die niet in de verfeitelijkte versie zijn opgenomen. Voorts is door toevoeging van bovenvermeld zinnetje de dagvaarding onvoldoende verfeitelijkt. Hierdoor is onvoldoende gespecificeerd welke berichten door het openbaar ministerie als opruiend worden gezien.

De advocaten-generaal hebben de bedoeling van de in hoger beroep gevorderde wijziging toegelicht en daartoe voor zover thans van belang – kort en zakelijk weergegeven - betoogd, dat de toevoeging van de zinsnede “althans uitingen van gelijke aard en/of strekking”, ziet op de redactie van de tenlastelegging. Er zijn uitvoeringshandelingen en uitingen beschreven die mogelijk op ondergeschikte punten kunnen verschillen van uitvoeringshandelingen en uitingen vermeld in het dossier.

Het gedeelte “die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben” is een verwijzing naar het in de jurisprudentie ontwikkelde toetsingskader van uitingsdelicten.

Het hof overweegt hiertoe het navolgende.

Anders dan de verdediging kennelijk meent, is er na de toegestane wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep geen sprake van een uitbreiding van de ten laste gelegde feiten. Een redelijke uitleg van de gewraakte toevoeging rechtvaardigt de conclusie dat die ziet op de redactie van de tenlastelegging en op het juridisch kader van de ten laste gelegde delicten zoals door de advocaten-generaal is beoogd en niet op de uitbreiding van te beoordelen feiten.

De berichten die door het openbaar ministerie als opruiend worden gezien staan in de tenlastelegging omschreven, die worden door het hof beoordeeld en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de verdachte heeft geweten waartegen hij zich in dat verband te verweren heeft.

Van nietigheid of enige strijd met de goede procesorde is het hof naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Inleiding

Standpunten van de verdediging

De verdediging heeft voorop gesteld dat de verdachte opkwam tegen de misdaden van het regime van de Syrische president Bashar al Assad (hierna: Assad) tegen de burgerbevolking. Verzet daartegen levert geen terroristische misdrijven op. Ook heeft de verdediging het hof aangespoord de ten laste gelegde feiten goed in de tijd te plaatsen. De gruwelijke onthoofdingen en overige mensenrechtenschendingen door ‘Islamitische Staat’ (IS) werden gepleegd in en na augustus 2014, terwijl de verdachte op 28 augustus 2014 werd aangehouden. Daarvoor wist hij niet van wreedheden begaan door strijdgroepen in Syrië, anders dan tegen soldaten van het regime van Assad.

De strijd in Syrië

In dit arrest wordt onder de ‘gewapende jihadstrijd in Syrië’ verstaan de strijd in Syrië die de vorm aanneemt van het ontplooien van geweldsactiviteiten tegen gepercipieerde vijanden van de islam ter verwezenlijking van een wereld die een zo zuiver mogelijke afspiegeling is van hetgeen men meent dat in de eerste bronnen van het islamitische geloof – de Koran en de soenna – staat vermeld.1 In dit arrest gaat het specifiek over de in Syrië gevoerde interne oorlog, die zou moeten leiden tot ‘herstel’ van het zogenoemde ‘kalifaat’ in Shaam (Syrië), het ‘kalifaat’ dat op 29 juni 2014 ook daadwerkelijk is uitgeroepen en bekend is geworden als IS. Centraal hier staat de strijd zoals die werd gevoerd door Al Qaida en daaraan gelieerde (voorlopers van) groepen zoals Islamic State of Iraq and the Levant (ISIL), Islamic State in Syrië (ISIS) en Jabhat al-Nusra.

Al Qaida is – het is een feit van algemene bekendheid - een terroristische organisatie die onder leiding van Osama Bin Laden al aan het begin van dit millennium een wereldwijde ‘jihad’ is begonnen; de aanslagen op

11 september 2001 gepleegd in de Verenigde Staten staan in het geheugen van velen gegrift. Voor wat betreft het Midden-Oosten legitimeert Al Qaida de revolutionaire Jihad met de opvatting dat de heersende regimes in het Midden-Oosten, waaronder in Syrië, ongelovig zouden zijn vanwege hun niet-islamitische wetgeving, hun steun aan de zogenaamde vijanden van de moslims of zelfs regelrechte strijd tegen moslims. Al Qaida komt daarbij tot de conclusie dat het om diverse redenen een islamitische plicht is om te strijden tegen deze regimes.

In de context van dit arrest wordt, als er wordt gesproken over ‘jihadisme’ of ‘de Jihad’ gedoeld op geweldsactiviteiten geïnspireerd door bovengenoemd streven naar – en na 29 juni 2014 de voortzetting van – ‘het kalifaat’ in Syrië.

De opstand in Syrië tegen het regime van Assad begon in het voorjaar van 2011. Het regime probeerde de roep om hervormingen met geweld de kop in te drukken. Aan het eind van 2011 begon de oppositie zich gewapenderhand te verzetten. De groep opstandelingen, door de VN betiteld als anti-government armed groups, bestond onder meer uit het Vrije Syrische Leger (VSL).

Op 24 januari 2012 liet Jabhat al-Nusra (Hulpfront voor het Syrische Volk) voor het eerst van zich horen. Zij maakte haar oprichting bekend in een videoboodschap op de jihadistische website Shumukh al Islam.2 Daarna zocht het front steeds meer de publiciteit door middel van verklaringen waarmee het aanvallen claimt en van videoproducties die via het internet verspreid worden. Vervolgens sloten Syrische, maar ook veel buitenlandse strijders zich bij Jabhat al-Nusra aan (het bataljon Al-Ghuraba’a ofwel “de vreemdelingen”). Al in juli 2012 legt Al Qaida in een audioboodschap de link tussen de strijd in Irak en Syrië door beide te omschrijven als een sektarische strijd tussen soennieten en sjiieten. Het doel van de opstand is niet langer de val van Assad. Ook een strijder van de soennitische Farouk Brigade beweert al in 2012 dat de strijd niet langer om het omverwerpen van het Syrische leger en/of het regime gaat, maar een sektarische strijd is geworden van soennieten tegen alawieten en sjiieten. Sinds de herfst van 2012 zou de rol van het VSL zelfs grotendeels zijn uitgespeeld. Jabhat claimt voor veel van de aanslagen die in 2012 zijn gepleegd verantwoordelijk te zijn. De teller staat per 22 november 2012 op 168.

De claims van Jabhat al-Nusra werden op bekende jihadistische websites gepubliceerd. Op 3 oktober 2012 wordt door Jabhat al-Nusra een aanslag gepleegd in Aleppo met tientallen doden, die door de Veiligheidsraad wordt omschreven als terroristische aanval. Ook in 2013 heeft Jabhat al-Nusra zijn serie van aanslagen in Syrië voortgezet. Aleppo wordt gezien als het bastion van Jabhat al-Nusra. In de strijd tegen Assad heeft zich ook een (voorheen) aan Al-Qaida gelieerde groep gemengd die eerder actief was in Irak. Het gaat hierbij om de Islamitische Staat in Irak (ISI), ook bekend als Al-Qaida in Iraq (AQI). ISI staat onder leiding van Abu Bakr al-Baghdadi. Op 8 april 2013 verklaart Al Baghdadi dat zijn organisatie samengaat met Jabhat al-Nusra in ISIL. ISIL streeft een snelle invoering en strikte interpretatie van de sharia na. Kort na de aankondiging van Al-Baghdadi van de oprichting van ISIL komt Jabhat al-Nusra leider Al-Jawlani met een reactie waarin hij stelt nooit geïnformeerd te zijn over plannen voor een fusie en de oprichting van ISIL. Op 24 mei 2013 schrijft Al Qaida leider Al-Zawahiri in reactie hierop een brief waarin staat dat de situatie zo blijft als hij is, geen fusie met ISI dus. ISIL moet worden opgeheven en Jabhat al-Nusra blijft een onafhankelijke entiteit onder commando van Al Qaida. Per 30 mei 2013 zijn het toenmalige ISIL en Jabhat al-Nusra als één van de aliassen van Al-Qaida in Iraq door de VN Veiligheidsraad op de VN Sanctielijst geplaatst. In juli 2013 heeft Jabhat al-Nusra bij de slag bij Khan al Assal in de omgeving van Aleppo, 200 doden en 200 krijgsgevangen gemaakt, die voor 90% sjiieten en dus afvalligen waren.

Op 29 juni 2014 riep ISIL het islamitisch kalifaat uit in het door haar veroverde gebied in Irak en Syrië en werd haar naam gewijzigd in de Islamitische Staat. Al—Baghdadi werd aangesteld als ‘kalief’ van IS.

Zowel Jabhat al-Nusra als ISIL maakten zich in 2013 en 2014 schuldig aan oorlogsmisdrijven en mensenrechten-schendingen, waaronder ook marteling en (openbare) executies. Beide organisaties streefden naar het vestigen van een Islamitische staat.

Terroristische misdrijven

Artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt welke misdrijven als terroristische misdrijven hebben te gelden. Gemeenschappelijk daaraan is dat zij moeten zijn begaan met een terroristisch oogmerk.

Artikel 83a Sr omschrijft het terroristisch oogmerk als:

‘het oogmerk om de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.’

De jihadistische strijdgroepen in Syrië zoals Jabhat al-Nusra en IS(IS) wilden/willen op gewelddadige wijze een zuiver islamitische samenleving en/of staat gebaseerd op de sharia – zoals door hen gepercipieerd - opleggen aan de burgerbevolking. Hiermee beogen zij de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen zoals bedoeld in artikel 83a Sr. Veel van deze misdaden zijn bovendien gepleegd met (mede) het doel grote delen van de bevolking in deze gebieden ernstige vrees aan te jagen zoals bedoeld in artikel 83a Sr. De jihadistische strijdgroepen in Syrië zaai(d)en - om hun doel te bereiken - dood en verderf onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelt. Executies, onthoofdingen en kruisigingen vonden daarom bewust in het openbaar plaats. De bevolking werd opgeroepen dan wel gedwongen deze bij te wonen en soms werden video’s hiervan op het internet geplaatst.

De Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic (IICISAR) heeft in haar rapport van 12 februari 2014 gemeld dat Jabhat al-Nusra en ISIS publiekelijk executies uitvoerden “to assert their presence after taking control of an area and to instil fear among the population.”3

De verdediging heeft betoogd dat terroristische misdrijven moeten worden beperkt tot die welke het oogmerk hebben de bevolking ernstige vrees aanjagen. Die beperking vindt geen steun in artikel 83a Sr. Ook de strijd tussen de verschillende strijdgroepen, waarin strijders elkaar onderling gewapend bevechten om in plaats van het bestaande regime – kort gezegd – een ‘zuiver islamitische samenleving’ en/of ‘het kalifaat’ in Syrië te vestigen, valt binnen de reikwijdte van deze bepaling.

De misdrijven die deze strijdgroepen plegen, zoals moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van ontploffingen en dergelijke, worden dus begaan met een terroristisch oogmerk en zijn daarmee terroristische misdrijven. Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen houdt dus altijd in het plegen van terroristische misdrijven.

Ideologie van geweld door terreurgroepen

Relevant voor deze strafzaak is, dat de ideologie van Al Qaida en daaraan gelieerde groepen, zoals verwoord door de leiders en woordvoerders van deze organisaties, als gezegd is gericht op dood en verderf en ook heeft geresulteerd in dodelijk geweld. Het geweld waartoe wordt opgeroepen treft in beginsel de ‘ongelovigen’, lees sjiieten, yezidi’s, christenen, westerlingen, joden, zionisten, afvallige soennieten, kortom al diegenen die hun leven niet inrichten naar de rigide voorschriften en geloofsvoorstellingen waarop Al Qaida en verwante groeperingen zich baseren; in een bloedig visioen van het einde der tijden gaat het om de strijd van de ‘ware gelovigen’ tegen allen, waarbij ook aan eigen zijde slachtoffers zullen vallen. Voor wat betreft het ‘kalifaat van IS’ is, zo blijkt uit de uitgedragen boodschap, duidelijk dat dit geen vrije staat kon zijn en ook niet was bedoeld als thuisland voor álle moslims. Het was van meet af aan de bedoeling dat slechts een select gezelschap (alleen aanhangers van IS en dus aanhangers van deze gewelddadige, vrijwel een ieder uitsluitende ideologie) van het kalifaat zou profiteren. De gepredikte levenswijze berustte op een versie van de sharia die dienstig was aan de ideologische voorstellingen en interpretaties van de terreurgroep IS en daaraan verwante groeperingen, en werd in feite – ook dat is al opgemerkt - met grof geweld opgelegd aan de plaatselijke bevolking.

Dat daarbij ook burgerslachtoffers vielen, valt al op te maken uit de hiervoor genoemde bronnen maar ook uit hetgeen de verdachte en zijn medeverdachten deelden op hun eigen social media: daarop werden immers foto’s van gestorven mannen en jongens geplaatst en gedeeld die waren uitgereisd naar Syrië om zich daar bij een terroristische groepering aan te sluiten, en die op deze websites en Facebookpagina’s als ‘martelaar’ werden verheerlijkt, terwijl zij in feite gewone burgers waren die in een eerder leven (soms nog maar heel kort voor hun overlijden) als pizzakoerier werkten, studeerden, of leefden van een uitkering.

Ten slotte nog twee laatste algemene overwegingen. Welke motieven precies ten grondslag liggen aan het gepredikt en toegepast stelselmatig geweld in Syrië is voor het hof minder relevant. In de propaganda voor het meedoen met de terreur wordt gebruik gemaakt van een gevaarlijke mix van oorlogsretoriek, kennelijk inspirerende religieuze voorstellingen gebaseerd op een selectie van islamitische teksten, zucht naar avontuur en macht, en wordt een appel gedaan op gevoelens van vernedering en disfunctioneren in het ‘gewone’ burgerleven. Dat de verdachte en zijn medeverdachten het geweld, gepleegd in Syrië, hebben gepresenteerd en mogelijk ook hebben ervaren als een gevolg van een diepgevoelde geloofsovertuiging illustreert met name hoe gevaarlijk en ook krachtig deze ideologie en de daaruit voortspruitende mythe van ‘het kalifaat van IS’ is geweest. Zij verheerlijkten het bijbehorend doden en gedood worden en idealiseerden het ‘sterven op het pad van Allah’ als het mooiste wat je kon overkomen. En ook uit de omstandigheid dat uit hun kennissen- en vriendenkring een relatief groot aantal mensen is afgereisd en omgekomen blijkt dat de ideologie op enig moment bijzonder effectief is geweest.

Of er inderdaad sprake is of was van een geloofsovertuiging is niet aan het hof ter beoordeling. Maar het is duidelijk dat geen enkele geloofsovertuiging kan dienen als legitimatie voor terreur, en dat actieve verspreiders van een ideologie die oproept tot en daadwerkelijk uitmondt in dodelijk geweld tegen medemensen, in strafrechtelijke zin een verwijt kan worden gemaakt. Daarom staat hier niet de geloofsovertuiging van de verdachte ter discussie, maar wel de wijze waarop in uitingen van de verdachte en medeverdachten de gewelddadige ideologie van genoemde terreurgroepen werd uitgedragen.

De positie van de verdachte en de medeverdachten ten opzichte van de strijd in Syrië

De antropoloog Martijn de Koning is in 2010/2011 gestart met een onderzoek naar activistische netwerken ([netwerk 1, [netwerk 2], [netwerk 3] en [netwerk 4]) in Nederland en België, die niet tot mainstream islam kunnen worden gerekend. Zo heeft hij (onder anderen) de verdachte en een aantal van de medeverdachten in het Context onderzoek - uitgezonderd de medeverdachten [medeverdachte D] en [medeverdachte E] – langdurig van nabij meegemaakt. De Koning heeft verklaard dat gedurende zijn onderzoek een deel van de activisten naar Syrië ging. Hij heeft verslag gedaan over hoe de Syriëgangers uit de netwerken betekenis gaven aan hun reis naar Syrië, hun activiteiten daar en hun vorige leven hier. Met [betrokkene A] en [betrokkene D] heeft hij contact gehouden toen zij in Syrië verbleven. Het aangaan van de strijd was een middel om de wil van God te realiseren evenals het vestigen van het kalifaat. Men wilde niet zomaar het zittende regime verdrijven, maar daadwerkelijk een kalifaat uitroepen. Men maakt allemaal het statement dat het uiteindelijke lot door God wordt bepaald, dat men niet op zoek gaat naar de dood, maar wel verheugd zou zijn als men zou sneuvelen in de strijd en vervolgens, met Gods wil naar het paradijs zou gaan. De na de zomer van 2012 tot en met de zomer van 2014 bestaande inner circle van de netwerken (de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte A], [medeverdachte B] en [betrokkene B) deelden de belangrijkste elementen van hun ideologie. Men stond achter de militaire jihad zoals deze door Al Qaida werd gevoerd. Zij vertelden De Koning over de zegeningen van de sharia. In 2012 bleek Syrië makkelijk bereikbaar via Turkije. Waar de activisten al eerder het idee hadden dat een militaire jihad gerechtvaardigd en noodzakelijk was en er met Jabhat al-Nusra een groep was die volgens hen op de juiste correcte weg zat en gezien de snelle opmars ook bijzonder effectief was, ontdekte men dat men zelf effectief kon zijn omdat Syrië zo makkelijk bereikbaar bleek. In de zomer van 2012, gelijk met de opkomst van Jabhat al-Nusra, kwamen mensen – aldus nog steeds De Koning – op de gedachte om af te reizen naar Syrië. De strijd in Syrië werd als een militaire jihad beschouwd. De strijd door Al Qaida en IS(IS) heeft hun goedkeuring en vanaf het begin was er discussie of het het beste was om je bij Jabhat al-Nusra of ISIS aan te sluiten.

Het hof concludeert dat na verontwaardiging over en protest tegen het optreden van het regime van Assad, het de verdachte en zijn medeverdachten tenminste vanaf de zomer van 2012 primair ging om het vestigen van een kalifaat door het voeren van de militaire jihad in Syrië aan de zijde van aan Al Qaida gelieerde strijdgroepen zoals ISIL en Jabhat al-Nusra. Het hof verwerpt de verweren die als grondslag hebben dat de verdachte zich louter richtte tegen het regime Assad en door het regime gepleegde misdrijven.

Wetenschap verdachte

Nu de verdediging aandacht heeft gevraagd voor de vraag of de verdachte al dan niet op de hoogte was van geweld door strijdgroepen in Syrië tegen burgers, herhaalt het hof hier dat in de gewapende jihadstrijd in Syrië aan de zijde van aan Al Qaida gelieerde groepen – hoofdzakelijk om ‘het kalifaat’ daar te vestigen en derhalve om de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen - misdrijven met een terroristisch oogmerk werden gepleegd, te weten moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van ontploffingen en dergelijke.

De strijders pleegden deze misdrijven tegen het regeringsleger en in de strijd – doorgaans: om de macht in een bepaald gebied – tussen de jihadistische strijdgroepen onderling. Ten laatste vanaf de zomer 2012 was de verdachte op de hoogte van deze strijd om de stichting van het kalifaat. Dit volgt niet alleen uit hetgeen Martijn de Koning heeft verklaard, namelijk dat de strijd werd beschouwd als een militaire jihad en dat deze de goedkeuring had van degenen uit de netwerken die hij daarover sprak, waaronder de verdachte die duidelijk pro ISIS was. Ook uit (een deel van) de posts van de verdachte op de Facebookpagina [naam I] – die verderop in dit arrest in het kader van (kort gezegd) opruiing aan de orde zullen komen – kan worden afgeleid dat de verdachte vanaf eind 2013 tot en met de eerste maanden van 2014 op de hoogte was van de gewapende jihadstrijd en de gevolgen ervan. De verdachte heeft dit ter terechtzitting in eerste aanleg ten aanzien van IS – onder die naam actief na

29 juni 2014 – bevestigd. De hierboven weergegeven gegevens over de strijd in Syrië zijn bovendien afkomstig uit openbare bronnen. Tot slot laat het hof niet onvermeld dat de verdachte op 18 mei 2014 het volgende bericht op Facebook plaatste: “Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en Shaam levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië”. ”Deel 4 van de buitengewone serie Salilu Sawarim”, met een hyperlink. Deze video – getoond ter terechtzitting in hoger beroep – bevat gruwelijke beelden van standrechtelijke executies, drive by shootings, mensen die worden geïnterviewd terwijl zij hun graf graven en een onthoofding. Het ontgaat het hof dan ook hoe de verdediging kan volhouden dat de verdachte niet wist van wreedheden van ISIS en dat niet “met kennis van nu” moet worden geoordeeld, maar dat bij de beoordeling van de tenlastelegging voor ogen gehouden moet worden dat de onthoofding van James Foley – die wereldwijd de aandacht trok – medio augustus 2014 plaatsvond vlak voor de aanhouding van de verdachte. De stelling van de verdediging dat de gruwelijkheden in deze video niet tegen burgers werden begaan, maar tegen militairen en medewerkers van Assad, doet – voor zover juist – als gezegd niets af aan de vaststelling van het hof dat in de gewapende jihadstrijd in Syrië ter vestiging van een kalifaat misdrijven als bedoeld in artikel 83a Sr werden gepleegd. De door de verdachte hooggeprezen video spreekt wat dat betreft boekdelen.

Het hof concludeert dat de verdachte ten minste vanaf medio 2012 ervan op de hoogte is geweest dat de jihadistische strijdgroepen zoals Jabhat al-Nusra en ISIS in Syrië zich schuldig maakten aan terroristische misdrijven.

Verweren betreffende vormverzuim(en)

De verdediging van de verdachte heeft het volgende bepleit.

Primair dient het onrechtmatig verkregen bewijs te worden uitgesloten en dient de verdachte te worden vrijgesproken, subsidiair dient het onrechtmatige optreden van de politie tot strafmatiging te leiden.

De verdediging heeft daartoe — verkort en zakelijk weergegeven — het volgende aangevoerd.

Bij het verzamelen van informatie op social media door de politie is sprake geweest van een meer dan geringe inbreuk op de privacy en grondrechten van de verdachte die niet is gedekt door artikel 3 Politiewet 2012. Bovendien is een en ander onvoldoende geverbaliseerd.

Het optuigen van een fictief Facebookaccount is een zeer risicovolle methode voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing.

De door de verbalisanten uitgevoerde activiteiten moeten worden beschouwd als stelselmatig omdat sprake was van gevoelige gegevens waarbij met terugwerkende kracht activiteiten uit het verleden werden geobserveerd.

Voor het aanmaken van de accounts [naam 1] en [naam 2] door opsporingsambtenaren was een bevel van de officier van justitie vereist omdat al met het enkel aanmaken van die accounts het algoritme van Facebook is beïnvloed, een fake account werd toegevoegd en de opsporing op het internet onbeheersbaar werd.

Met behulp van het account [naam 2] is toegang verkregen tot een geheime werkgroep en vervolgens is de daar aanwezige informatie over een periode van meer dan een maand opgeslagen. Dat dit account zou zijn aangemaakt in het kader van een Amsterdams onderzoek niet gericht op de verdachte is hoogst onwaarschijnlijk. Slechts een bevel tot stelselmatige informatie-inwinning voor [Facebookaccount A] was onvoldoende, omdat er in dat verband door middel van een technisch hulpmiddel vertrouwelijke informatie is opgenomen. Een bevel opname vertrouwelijke communicatie ex artikel 126m of 126l van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) had daarvoor afgegeven moeten worden.

Nu het proces-verbaal van [Facebookaccount A] in dit onderzoek is gevoegd, is er ook sprake van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek van de verdachte.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

Vooropgesteld zij dat geen rechtsregel zich verzet tegen het door opsporingsambtenaren op het internet rond kijken, observeren en gericht vergaren van digitaal bewijs in een opsporingsonderzoek.

De grondslag voor bedoeld digitaal rechercheren is gelegen in artikel 3 van de Politiewet 2012 en daarvoor is geen bevel van de officier van justitie vereist.

Voorwaarde daarbij is dat de handelingen passen binnen de taakstelling van de politie om bewijs te verzamelen in opsporingsonderzoeken waarbij het gaat om publiekelijk toegankelijke online gegevens, dat wil zeggen gegevens die bekend worden door het surfen op internet, maar ook door het gebruik van social media en online discussieforums, ook als registratie vooraf nodig is. Feitelijk kijkt de opsporingsambtenaar dan rond op het internet zoals iedere burger dat kan. Er is met het handmatig vergaren van (persoons)gegevens (bijvoorbeeld door het bekijken van een openbaar social media profiel) slechts sprake van een geringe inmenging in de rechten en vrijheden van de betrokkene en de integriteit van het opsporingsonderzoek wordt daarmee niet in gevaar gebracht.

Heeft het inwinnen van informatie een stelselmatig karakter dan is een bevel ex artikel 126j Sv noodzakelijk. De enkele niet met feiten en omstandigheden onderbouwde stelling dat er sprake zou zijn geweest van gevoelige gegevens waarbij met terugwerkende kracht activiteiten uit het verleden werden geobserveerd, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om het stelselmatig inwinnen van informatie aan te nemen.

Voor zover de verdediging onder een ‘fictief of fake account’ verstaat een account aangemaakt onder een schuilnaam, is het hof van oordeel, dat - gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen - niet valt in te zien waarom opsporingsambtenaren daarvan geen gebruik zouden mogen maken.

Dat er in het opsporingsonderzoek van de verdachte sprake zou zijn geweest van ‘fake accounts’ en dat met het enkel aanmaken van die accounts het algoritme van Facebook is beïnvloed, een fake account is toegevoegd en de opsporing op het internet onbeheersbaar is geworden, is weliswaar gesteld door de verdediging maar overigens niet met feiten en omstandigheden onderbouwd.

Naar het oordeel van het hof is dat naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep ook niet aannemelijk geworden.

Voor zover de verdediging voor het overige een beroep heeft gedaan op artikel 359a Sv overweegt het hof dat deze bepaling alleen ziet op vormverzuimen die zijn begaan in het voorbereidend onderzoek dat betrekking heeft op enig strafbare feit dat aan de verdachte ten laste is gelegd.

Met betrekking tot het aanmaken van het Facebookaccount

[naam 2] overweegt het hof het volgende.

Hoewel door de verdediging is betoogd dat het – kort samengevat - onwaarschijnlijk is, dat het Facebookaccount [naam 2] door verbalisanten is aangemaakt in het kader van een Amsterdams opsporingsonderzoek en niet was gericht op de verdachte, zijn feiten noch omstandigheden aangevoerd om het gestelde te onderbouwen.

Uit het proces-verbaal nummer 15BRR13240 opgemaakt op 19 februari 2014 door verbalisant T-630, tactisch analist werkzaam bij de politie regionale eenheid Amsterdam, blijkt – kort samengevat - dat met behulp van dat account in 2012 en 2013 internetsurveillances zijn uitgevoerd waarbij [betrokkene A] in beeld is gekomen.

Uit het proces-verbaal nummer 15BBR13240 opgemaakt op 12 oktober 2015 door de verbalisanten T-630 en T-552 blijkt – kort samengevat – dat het profiel [naam 2] een passief Facebookprofiel betrof, dat niet deelnam aan discussies en wel vriendschapsverzoeken accepteerde. Het profiel werd af en toe gebruikt voor internetsurveillance.

Het hof heeft naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting geen aanleiding gevonden te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van voornoemde processen-verbaal en houdt het er daarom ook voor dat het account [naam 2] niet is aangemaakt in het kader van het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte.

Anders dan de verdediging kennelijk meent is het enkele feit dat het proces-verbaal inzake de [Facebookaccount A] in het dossier van de verdachte is gevoegd, onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Met betrekking tot het aanmaken van het Facebookaccount [naam 1] overweegt het hof het volgende.

Deugdelijke verslaglegging door de opsporingsambtenaren met betrekking tot het aanmaken van dat account en het feitelijke gebruik van het account ontbreekt in het dossier.

In ieder geval staat vast dat het account is aangemaakt op 5 juni 2013 en dat op 13 juni 2013 een bevel ex 126j Sv is afgegeven voor de periode 13 juni 2013 tot 10 september 2013 in het opsporingsonderzoek tegen de verdachte.

Uit het proces-verbaal nummer 2013094449 opgemaakt in het Context onderzoek door verbalisant [X] gedateerd 5 januari 2015, blijkt verder dat na het aflopen van het eerste bevel op 10 september 2013, een tweede bevel is verkregen op 25 april 2014. De bevelen zijn steeds afgegeven voor drie maanden.

Naar het oordeel van het hof had – gelet op hetgeen eerder is overwogen - ook voor de tussenliggende periode van 10 september 2013 tot 25 april 2014 en na afloop van het tweede bevel op 23 juli 2014 een bevel ex artikel 126j Sv aan de opsporing met behulp van het account [naam 1] ten grondslag behoren te liggen.

Hoewel een dergelijk bevel in beginsel niet vereist is voor het enkel aanmaken van een profiel en rondkijken op internet, moet het er voor worden gehouden dat het van meet af aan de bedoeling was om stelselmatig informatie in te winnen met behulp van het account [naam 1] binnen het verband van het opsporingsonderzoek tegen de verdachte, en was er naar het oordeel van het hof gegeven die omstandigheid wel een bevel ex artikel 126j Sv vereist bij het aanmaken van dat account.

Het hof leidt eerder genoemde reden voor het aanmaken van het account [naam 1] af uit de korte periode gelegen tussen het aanmaken van het account en het afgeven van het eerste bevel 126j Sv in het opsporingsonderzoek van de verdachte.

Al met al is het hof van oordeel dat een bevel ex artikel 126j Sv aan de opsporing met behulp van het account [naam 1] ten grondslag had moeten liggen vanaf het moment waarop het account is aangemaakt tot het moment waarop het account niet meer actief is ingezet voor de opsporing van strafbare feiten in de zaak van de verdachte en verder dat de verslaglegging met betrekking tot dat account onder de maat is gebleven.

Het hof constateert dan ook dat er sprake is van onherstelbare vormverzuimen in het opsporingsonderzoek van de verdachte.

Met betrekking tot de vraag of de door de verdediging bepleite consequenties aan de orde zijn, overweegt het hof het volgende.

De gegevens, die met het account [naam 1] zijn verkregen en die voor het bewijs van het de verdachte ten laste gelegde kunnen dienen, waren publiek toegankelijk.

De verdachte gebruikte het internet om zijn ideeën uit te dragen en anderen daarvan kennis te laten nemen.

Verder is het hof met het openbaar ministerie van oordeel dat de officier van justitie zonder enige twijfel bevelen ex artikel 126j Sv zou hebben afgegeven wanneer dat toentertijd aan de orde was gesteld.

Van een ernstig verzuim is onder de gegeven omstandigheden naar het oordeel van het hof in deze geen sprake.

Het nadeel dat door de geconstateerde verzuimen is veroorzaakt is gering. Dat de verdachte daardoor daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad en in dat verband nadeel heeft ondervonden, is niet gesteld en is ook overigens naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet aannemelijk geworden.

Het hof volstaat daarom met de enkele vaststelling van de eerdergenoemde verzuimen en verbindt daaraan verder geen consequenties.

De verweren strekkende tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering worden verworpen.

Beoordeling van de tenlastelegging

Dagvaarding I

Feit 1

Het hof stelt vast dat de verdachte in de periode van 15 september tot en met 23 september 2013 (re)tweets als omschreven in de tenlastelegging heeft geplaatst via zijn Twitteraccount [Twitteraccount A]; op 29 juli 2014 heeft de verdachte op zijn account [Twitteraccount B] getweet over een video van IS(IS) die “Salilul Sawaarim 4” zou overtreffen.

De vraag is of deze (re)tweets kunnen worden gekwalificeerd als opruiend in de zin van de wet.

Daarvan is in elk geval sprake als rechtstreeks – dus met zoveel woorden - wordt aangespoord tot strafbaar handelen (waarbij het in casu gaat om, kort gezegd, het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië). Niet beslissend is of iemand zich tot dat feit aangezet voelt, maar of de uitingen zodanig zijn dat iemand erdoor tot dat feit gebracht zou kunnen worden.

Ook beïnvloeding op indirecte wijze kan opruiend zijn, namelijk als met bepaalde uitingen wordt beoogd de geesten rijp te maken voor strafbaar handelen.

De bedoeling moet zijn daartoe op het gemoed te werken van diegene die er vatbaar voor is. In dit geval zou dit bijvoorbeeld kunnen zijn omdat hij of zij gemakkelijk beïnvloedbaar is of al overweegt af te reizen naar het strijdgebied in Syrië en zich daar aan te sluiten bij IS(IS) of Jabhat al-Nusra. Het uiten van grote waardering voor de strijd van terreurgroepen in Syrië en de bewondering voor diegenen die aan de zijde van die terreurgroepen meevechten impliceert dat meedoen navolging verdient en is daarom opruiend. Het verheerlijken van de martelaarsdood in die strijd is een uiting van een zodanig intense bewondering dat die op zichzelf ook aanzet tot navolging.

In beginsel zal het hof bij de beoordeling van social media berichten (zoals ook tweets) niet bij elk ten laste gelegd bestand afzonderlijk ingaan op de vraag of dat bestand op zichzelf beschouwd opruiend is. Uiteraard speelt de inhoud van die afzonderlijke berichten wel een rol, maar doorslaggevend is de vraag wat de strekking is van de berichten in samenhang bezien.

Het hof overweegt ten aanzien van de tweets op het Twitteraccount [Twitteraccount A] het volgende. Uit het dossier valt niet op te maken of en in hoeverre het account is ingericht met de intentie anders dan de algemene, namelijk om te twitteren. Wel kan een zekere samenhang worden gezien in de onderwerpkeuze maar dat biedt onvoldoende aanknopingspunten om daaruit te concluderen dat het Twitteraccount bedoeld is om opruiende berichten te plaatsen. Wel kan van drie tweets geplaatst op 19 september 2013 worden gezegd dat die opruiend zijn, in die zin dat zij, in samenhang bezien, het geweld, het martelaarschap en de strijd van Jabhat al-Nusra verheerlijken op een zodanige wijze, dat iemand er daardoor toe gebracht zou kunnen worden deel te nemen aan de gewapende strijd in Syrië. Die drie tweets acht het hof, in samenhang bezien, opruiend van aard. Verder is het bericht over een martelaar – een commandant van ISIS die het martelaarschap zou hebben ontvangen, geplaatst op 23 september 2013 - op zichzelf beschouwd opruiend.

Ten aanzien van de tweet via het account [Twitteraccount B] van 29 juli 2014 kan niet worden gezegd dat deze tekst op zichzelf aanzet om naar het strijdgebied in Syrië te gaan. Er is in dit bericht ook geen link gedeeld naar genoemde video. Het hof zal hiervan vrijspreken.

Voor wat betreft de ten laste gelegde Facebookberichten van de verdachte geplaatst of gedeeld tussen 1 december 2013 en 3 februari 2014 overweegt het hof het volgende.

Blijkens het dossier is de strekking van de berichtgeving over die hele periode hetzelfde, en gaat het over islam, Jihadisme, radicalisering en geweld. Er is een selectie gemaakt uit de vele berichten “omdat”, aldus het proces-verbaal, “de strekking telkens gelijk is”.

In die selectie bevindt zich een aantal opruiende berichten (over martelaars bijvoorbeeld). En dat brengt met zich mee, dat ook gedeelde bestanden die op zichzelf beschouwd mogelijk niet opruiend zijn (ofschoon, voor zover zichtbaar in het dossier, doorgaans getuigend van verheerlijking van de strijd van groepen als ISIS) vanwege het feit dat zij op deze Facebookpagina zijn geplaatst of gedeeld, - gelet op de strekking van die pagina - wél als zodanig worden aangemerkt.

Daarbij merkt het hof nog het volgende op.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het bij social media er om gaat een publiek te vinden, en ‘volgers’ te verleiden de gedeelde berichten en daarmee (uiteindelijk) ook de achterliggende boodschap te lezen en liefst te ‘liken’. Daarbij vervullen ook op zichzelf beschouwd onschuldige – althans: mogelijk niet opruiende - berichten en (audio)visuele bestanden een nuttige functie, omdat zij de aandacht van potentieel geïnteresseerden kunnen trekken en vasthouden. Tenslotte speelt voor het opruiend karakter van de Facebookpagina van de verdachte nog een rol dat de bestanden herhaaldelijk bekeken kunnen worden. Bestanden die op Facebook worden gezet verdwijnen immers niet, althans niet ‘vanzelf’. De opruiende werking die ervan uitgaat wordt versterkt door het gegeven dat de ‘content’ – de inhoud van die berichten - permanent is op te roepen.

Overweging met betrekking tot het ten laste gelegde onder 1B (tweede cumulatief/alternatief)

Het hof overweegt, dat het plaatsen van bestanden op de genoemde social media (Twitter en Facebook) in dit geval samenvalt met het verspreiden van die bestanden. De social media waren immers toegankelijk voor eenieder.

Op grond van de hierboven weergegeven overwegingen zal ook het verspreiden van het ten laste gelegde materiaal bewezen verklaard worden.

Feit 2

Hierboven heeft het hof (onder de overweging ten aanzien van feit 1) aangegeven wanneer er sprake is van opruiing in de zin van de wet en op welke wijze het hof de ten laste gelegde feiten benadert.

Het hof overweegt met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde als volgt.

A [Website A]

Het hof stelt vast dat [medeverdachte A] beheerder is geweest van de website [Website A] die in eind april 2013 werd gelanceerd. In die hoedanigheid heeft hij de inhoud van de site bepaald. Hij had de domeinnaam overgenomen en heeft de site ingericht. Hij was eindredacteur. Uit het dossier blijkt dat de in de tenlastelegging omschreven bestanden tussen 1 mei 2013 en 27 augustus 2014 op de website [Website A] zijn geplaatst.

De politie heeft de inhoud van de website onderzocht over de periodes van 3 december 2013 tot en met 30 april 2014 en van 1 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014.

De vraag is of het publiceren van de in de tenlastelegging omschreven bestanden kan worden gekwalificeerd als opruiend in de zin van de wet.

Het hof stelt vast, dat meerdere in de tenlastelegging omschreven bestanden weliswaar niet rechtstreeks opruien, maar wel een onmiskenbaar opruiend karakter hebben. Het gaat telkens om sterk suggestieve uitlatingen (verheerlijking van de strijd en het martelaarschap) die daarvoor vatbare geesten kunnen aansporen daadwerkelijk naar het strijdgebied in Syrië te vertrekken. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat dat in elk geval geldt voor de preken van Abou Yazeed getiteld ‘Het Graf’ en ‘Jihaad voor Allah’. Ook in de opiniebijdragen van [bijnaam verdachte] worden IS(IS) en Al Qaida openlijk verheerlijkt (bijvoorbeeld in de opiniebijdragen van [bijnaam verdachte]: AIVD, het traject van leugens en bedrog, en in ‘Het is tijd om toe te geven: Al Qaida wint de oorlog’).

Er zijn ook bestanden die op zichzelf beschouwd mogelijk niet aanzetten tot strafbaar handelen of waarover kan worden getwijfeld. Zo heeft de rechtbank geoordeeld dat de preek ‘Drie grote tekenen voor de dag des oordeels’ van Abou Yazeed op zichzelf beschouwd niet opruiend is.

Het hof komt met betrekking tot een aantal bestanden tot een ander oordeel dan de rechtbank, omdat het – als gezegd - kiest voor een andere benadering. Het hof acht doorslaggevend het antwoord op de vraag wat de strekking is van de website en de ten laste gelegde publicaties daarop geplaatst in samenhang bezien. Daarbij is leidend wat de bedoeling is geweest van de website.

Allereerst komt het hof tot de vaststelling dat de naam van de website omineus is. [medeverdachte A] heeft de domeinnaam [van Website A] maar liefst vier keer laten registreren. Het is dan ook een benaming die binnen jihadi-kringen een bijzondere betekenis heeft: geestverwante groepen in Duitsland hadden onder de naam ‘[Website A (in Duits)]’ al langere tijd succes. De voorpagina van de website draagt in het hart een bericht, kennelijk geplaatst op 7 mei 2013, gelinkt aan het (ook in de tenlastelegging omschreven) artikel ‘Iedereen is schuldig behalve wij’, een opiniërende bijdrage van [bijnaam verdachte] (de islamitische bijnaam van de verdachte). Dat is een artikel waarin al in de tweede alinea wordt gememoreerd dat “in de afgelopen drie kwart jaar ruim honderd moslims zijn vertrokken om ten strijden te trekken tegen het regime van Beshar al-Assad (…)”en de schrijver vervolgens meedeelt dat “iedereen die helder nadenkt alleen maar lof kan uiten voor deze jongens”. De teneur van de site is hiermee gezet. Belangrijke onderwerpen waren vanaf het begin Al Qaida en ISIS en de site bouwde al snel een reputatie op door geregeld nieuws te plaatsen over Syriëgangers, bijvoorbeeld wanneer iemand was overleden. De overledenen werden bewierookt als martelaars.

Indringend komt de onderliggende boodschap van de website naar voren in een brief, in juni 2014 gepubliceerd op de site als reactie op een schrijven van het NCTV: “Wij van [Website A] sympathiseren met de mujahidien van Al Qaida, de mujahdien van Jabhat al Nusra en de mujahidien van de Islamitische Staat van Irak en Shaam. En als je daar pissig om wordt dan zeggen wij: “Stik maar lekker in jullie woede, het interesseert ons geen ene moer! Ga maar lekker janken bij die grote buurman van je!

Het hof is van mening dat de strekking van de website [Website A] opruiend is en dat de ten laste gelegde publicaties, ook als zij op zichzelf beschouwd mogelijk niet opruiend zijn, toch vanwege het feit dat zij op deze website zijn geplaatst en gedeeld wél als zodanig moeten worden gezien.

Daarbij merkt het hof nog het volgende op.

Als gezegd is het een feit van algemene bekendheid dat het er bij social media om gaat, een publiek te vinden, en volgers te verleiden de gedeelde berichten en daarmee uiteindelijk ook een eventueel achterliggende boodschap te lezen. In casu vervullen ook op zichzelf beschouwd onschuldige – althans mogelijk niet opruiende – berichten en (audio)visuele bestanden met betrekking tot – kort gezegd - de gewapende strijd in Syrië – een nuttige functie, omdat zij de aandacht van potentieel geïnteresseerden kunnen trekken en vasthouden. Ook zij bevorderen derhalve de opruiende werking van de website, want zij leiden de lezers naar berichten die opruien en die met die bedoeling op de website zijn gezet. Ook de stelling dat het door [Website A] gebrachte moet worden gezien als ‘nieuws’ is zo bezien niet in strijd met de kwalificatie ‘opruiend’. Dat [Website A] – voor een Nederlandse site – goed geïnformeerd was over de gebeurtenissen in Syrië en daarom ook wel door anderen werd geraadpleegd staat wel vast. Anderzijds is het gebrachte nieuws eenzijdig en tendentieus en krijgt het vaak ook een opruiende ‘twist’.

Illustratief daarvoor is het filmpje waarop een uitzending van [naam televisieprogramma] van 23 april 2013 is te zien. Daarin spelen [betrokkene A] en de verdachte de hoofdrol. Zij leggen uit wat de jongens in Syrië bezielt. Op [Website A] begint de uitzending met een citaat van Osama Bin Laden: “De gelukkigst is hij wiens Allah hem als martelaar heeft gekozen”. Ook de vele nieuwsberichten over concreet ‘martelaarschap’ zijn ronduit opruiend.

De volgende vraag is: was er bij de verdachte sprake van het voor medeplegen vereiste van nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte A]? Was zijn (intellectuele) bijdrage aan het beheer van deze website van voldoende gewicht?

Uit het dossier blijkt dat de domeinnaam [van Website A] van Stichting [naam] (waar de verdachte als initiatiefnemer, samen met [medeverdachte A] bij betrokken was) op naam is gezet van [medeverdachte A]. [medeverdachte A] en de verdachte spraken met enige regelmaat over de inhoud en strategie van de site. Daarbij gebruikte [medeverdachte A] de verdachte als klankbord en adviseur. De verdachte beschikte ook over autorisatie om zelf stukken op de site te plaatsen.

Het hof leidt daaruit af dat de verdachte wist wat de bedoeling was van de website.

De verdachte leverde een bijdrage aan [Website A] door het schrijven van een aantal opiniërende stukken (waaronder het hierboven genoemde) en trad hij op enig moment op als woordvoerder voor de site. De intellectuele en materiële inbreng van de verdachte waren essentieel voor de beheerder en (enig) eindredacteur van [Website A], [medeverdachte A]. Er is sprake van medeplegen.

B Radio Ghurabaa

Ook over radio Ghurabaa werd overleg gevoerd door de verdachte en [medeverdachte A]. Uit het dossier blijkt echter niet van een nauwe en bewuste samenwerking op dit punt, en daarom zal de verdachte hiervan worden vrijgesproken.

C Diverse films op de website www.youtube.com

Film ‘Sta op voor Syrië’

Niet kan worden vastgesteld op welk moment het filmpje, kortheidshalve aangeduid als ‘Sta op voor Syrië’ is geproduceerd en door wie het wanneer op het internet is geplaatst.

Bepaald niet is uitgesloten dat een en ander valt buiten de ten laste gelegde periode. De verdachte zal dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Film ‘Oh oh Aleppo’

Aan de verdachte is gevraagd kritiek te leveren op de film ‘Oh Oh Aleppo’. Uit het dossier blijkt echter niet dat de verdachte dat inderdaad heeft gedaan, en ook overigens blijkt op dit punt niet van een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met medeverdachten. De verdachte zal voor dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Film ‘Erkenning kalifaat’

De verdachte heeft meegewerkt aan de ‘felicitatiefilm’ die in het dossier te boek staat als ‘erkenning van het kalifaat’. Het is de vraag of deze film opruiend is. Er wordt gejuicht voor het kalifaat – waarbij de zegelvlag wordt getoond – maar niet wordt gesproken over afreizen naar Syrië teneinde daar te strijden. De steun voor IS wordt in zeer algemene zin uitgesproken; er wordt niet gerept over strijd of martelaarschap. Van opruiing in de zin van de wet kan niet worden gesproken. De verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Film ‘video Al Adnani’

Nu het hof niet kan vaststellen wat die boodschap behelst (er bevindt zich geen Nederlandse vertaling in het dossier) en dit de enige feitelijkheid is in dit ten laste gelegde onderdeel zal het hof de verdachte hiervan vrijspreken.

D Het plaatsen van Facebookberichten

Uit hetgeen op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken kan niet worden vastgesteld dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de door het openbaar ministerie bij requisitoir met name genoemde personen ([medeverdachte A] en [medeverdachte E]) ten aanzien van in dit onderdeel van de tenlastelegging genoemde gedragingen.

De verdachte zal derhalve van die gedeelten van het onder D ten laste gelegde die medeplegen betreffen worden vrijgesproken.

Wel heeft de verdachte zelf op 18 mei 2014 het bericht “Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en Shaam levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië. Deel 4 van de buitengewone serie Salilu Sawarim:

http://m.youtube.com/watch?v=rwop8h6htqq” op zijn Facebookpagina geplaatst. Dat bericht is naar het oordeel van het hof evident opruiend.

Resteert de vraag omtrent verdachtes handelen ter zake de Facebookpagina’s [naam I en II].

Het hof overweeg hieromtrent het volgende.

De Facebookpagina’s [naam I] en [naam II) hebben een identieke inhoud (‘content’). Hierna zal alleen worden gesproken over ‘de Facebookpagina’ of ‘[naam I]’, waarbij dan op beide pagina’s wordt gedoeld.

De politie heeft de Facebookpagina bestudeerd over de periode van 2 december 2013 tot 28 april 2014; het kan hier derhalve alleen gaan over hetgeen over die periode uit het dossier blijkt.

Is de Facebookpagina [naam I], gelet op de wijze waarop die is ingericht, naar zijn strekking opruiend te noemen?

De politie relateert het, de deskundige Peters bevestigt dat beeld en ook het hof komt, gelet op hetgeen zich in het dossier bevindt, niet tot een ander oordeel.

De Facebookpagina kent onder meer als netwerkpartners [Website A] en YouTubekanaal [naam IV], put haar informatie en nieuwsvoorziening in elk geval tot het voorjaar van 2014 uit bronnen die gelieerd zijn aan ISIL en Jabhat al-Nusra en plaatst onder meer rechtstreeks wervende berichten over de militaire jihad in het Midden-Oosten en berichten waarin de martelaarsdood wordt verheerlijkt. Men is ook op zoek naar nieuwe redacteuren en leest dan bij ‘voorwaarden’ (onder meer) “wij delen positief nieuws over #Dawlah_Islamiya en #Jabhat_Nosrah, (…) wij bieden geen podium aan Sjieten, PKK/YPG, FSA/Jahba Islammiyah etc, groepen”.

De pagina is opruiend en de verdachte was, als één van de redacteuren, daarvoor mede verantwoordelijk.

Voor wat betreft de Facebookberichten genoemd onder D. overweegt het hof nog het volgende.

De al eerder omschreven benadering van het hof brengt met zich mee dat de ten laste gelegde uitlatingen op deze Facebookpagina niet afzonderlijk zullen worden beoordeeld maar in samenhang. Dat brengt met zich mee dat ook ten laste gelegde bestanden die op zichzelf beschouwd mogelijk niet opruiend zijn (ofschoon, voor zover zichtbaar in het dossier, doorgaans getuigen van verheerlijking van de strijd van groepen als ISIS) vanwege het feit dat zij op deze Facebookpagina zijn geplaatst gedeeld, wél als zodanig worden aangemerkt.

Ook voor deze Facebookberichten geldt wat hiervoor in algemene zin daarover is opgemerkt ten aanzien van social media: het gaat erom de aandacht van lezers te trekken en ze tot ‘volgen’ te verleiden, en derhalve vervullen ook berichten die mogelijk op zichzelf beschouwd niet opruiend zijn een rol. De opruiende werking die ervan uitgaat wordt bovendien versterkt door het gegeven dat de ‘content’ (de inhoud van de berichten) permanent is op te roepen.

Het hof zal ten aanzien van het onder D. ten laste gelegde komen tot een bewezenverklaring waarin niet (de categorieën) berichten afzonderlijk zullen worden benoemd en bewezen. De ten laste gelegde berichten die het openbaar ministerie aan de categorisering ten grondslag heeft gelegd, zijn opruiend, als gezegd omdat zij op een website met een opruiende strekking staan, waarin een en ander in samenhang moet worden bezien. Het hof schaart zich niet (geheel) achter de conclusies die het openbaar ministerie heeft neergelegd in de feitelijke uitwerking van de tenlastelegging, nog daargelaten dat, meer in het algemeen, conclusies zich niet lenen voor bewezenverklaring. Vandaar dat die onderdelen uit de tenlastelegging zullen worden gestreept.

Overweging met betrekking tot het ten laste gelegde onder 2B (tweede cumulatief/alternatief)

Het hof overweegt dat het onder 2A bewezen verklaarde in dit geval samenvalt met het verspreiden van die bestanden. De Facebookpagina’s van [naam I] en [bijnaam verdachte] en de website [Website A] waren immers toegankelijk voor eenieder.

Op grond van de hierboven weergegeven overwegingen zal ook het verspreiden van het ten laste gelegde materiaal bewezen verklaard worden.

Anders dan onder 2A is aan de verdachte onder 2B sub D tevens ten laste gelegd dat de verdachte een opruiende audioboodschap van Al-Adnani heeft verspreid op de (besloten) ‘[Facebookaccount A]’.

Nu het hof niet kan vaststellen wat die boodschap behelst (er bevindt zich geen Nederlandse vertaling in het dossier) en dit de enige feitelijkheid is in dit ten laste gelegde onderdeel zal het hof de verdachte hiervan vrijspreken.

Feit 3

Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting

Door de verdediging is betoogd – verkort en zakelijk weergegeven - dat de OVC-gesprekken die in het dossier te vinden zijn niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. De verdachte heeft het OVC-gesprek van 17 mei 2014 niet ter beschikking gekregen en bij het uitluisteren van het gesprek van 18 mei 2014 zijn de verdachte delen opgevallen die niet goed uitgewerkt zijn of die hij niet terug heeft kunnen horen.

Het hof verwerpt het door de verdediging ingenomen standpunt en overweegt te dien aanzien als volgt.

Vooropgesteld zij dat het enkele feit dat de verdachte zelf een opgenomen gesprek niet heeft kunnen uitluisteren of op onderdelen tot een andere mening komt ten aanzien van de inhoud gevoerde gesprekken, op zich onvoldoende is om de conclusie te rechtvaardigen dat geen enkel zich in het dossier bevindend OVC-gesprek voor het bewijs kan worden gebezigd.

Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden om te twijfelen aan de inhoud van de OVC-gesprekken van 17 en 18 mei 2014 zoals uitgewerkt door opsporingsambtenaren.

Door de verdediging zijn de volgende voorbeelden gegeven van de gestelde onjuistheden:

zo zou de verdachte iets niet hebben verstaan, zou de chronologie van de gesprekken anders zijn dan in het desbetreffende proces-verbaal genoemd (waarbij de tijden van de gesprekken overigens in het proces-verbaal wel juist vermeld zijn), zou er een samenvatting zijn gegeven van een gesprek en zou het tijdstip waarop de verdachte een CD-speler zou hebben aangezet onjuist zijn.

Die voorbeelden zijn naar het oordeel van het hof van ondergeschikt belang en raken de kern van hetgeen is geverbaliseerd niet.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zijn de processen-verbaal met daarin de uitwerking van de OVC-gesprekken van 17 en 18 mei 2014 wel voor het bewijs van de aan de verdachte ten laste gelegde feiten te bezigen.

Criminele organisatie

Het hof stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 en 140a Sr slechts dan sprake kan zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen overweegt het hof naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het volgende.

Samenwerken in gestructureerd verband

Het hof stelt voorop dat van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur onder meer kan worden gesproken wanneer twee of meer personen een gezamenlijk doel hebben waarvan de realisering met duurzame samenwerking gediend is.

De verdachte en zijn medeverdachten hebben zich gezamenlijk ingezet voor het vestigen van ‘het kalifaat’ in Syrië door middel van de gewapende jihadstrijd. Daartoe zetten zij – in samenwerkingsverband – anderen aan af te reizen om zich bij die jihadstrijd in Syrië aan te sluiten. Deze samenwerking om deel te nemen aan de jihadstrijd blijkt uit het volgende.

In de inleiding is reeds overwogen dat de verdachte, [medeverdachte A], [medeverdachte B], en [betrokkene A] ten laatste vanaf de zomer van 2012 achter het voeren van de jihad in Syrië stonden door aan Al Qaida gelieerde strijdgroepen teneinde daar een ‘kalifaat’ te vestigen.

In 2012 werden activiteiten onder de naam [netwerk 1] en [netwerk 3], waarbij de islam als totale levenswijze centraal stond, en waaraan in de periode daarvoor ook door de verdachte, en zijn medeverdachten [medeverdachte A] en [medeverdachte C] is deelgenomen, ondergebracht in de Stichting [naam] (hierna: de Stichting) opgericht op 12 januari 2012.

Als voorzitter van de Stichting werd ingeschreven bij de Kamer van Koophandel [betrokkene C], als penningmeester [medeverdachte F] en als secretaris de verdachte.

Er werd op naam van de Stichting een pand gehuurd aan de [adres] in Den Haag en er werd een rekening geopend op naam van de Stichting.

Er werd op de rekening van de Stichting geld ingezameld voor strijders in Syrië en er werd overleg gevoerd over de verdeling van geld ter plaatse.

Een aantal bezoekers van de [adres] in Den Haag, [betrokkene A] en ook de bestuurders [betrokkene C] en [medeverdachte F] zijn in de ten laste gelegde periode uitgereisd naar het strijdgebied in Syrië.

De naar het oordeel van het hof opruiende website [Website A], is vanaf april 2013 als spreekbuis gebruikt om voornoemde boodschap te verspreiden.

[medeverdachte A] was de bouwer en beheerder van de website, die eerder op naam van de Stichting geregistreerd stond. [medeverdachte A] was redacteur en had met betrekking tot die website overleg met de verdachte.

Van de hand van [medeverdachte A] en ook van die van de verdachte en [medeverdachte B] verschenen bijdragen op de site.

In de loop van 2013 zijn in Den Haag in het openbaar bijenkomsten gehouden waarbij in wisselende samenstellingen de verdachte, [medeverdachte A], [medeverdachte C], [medeverdachte B] en [betrokkene A] aanwezig waren.

Het hof is van oordeel dat de inbreng van de genoemde personen duidt op een zekere werk- dan wel taakverdeling. Sommigen reisden af, sommigen bleven in Nederland om anderen aan te zetten af te reizen naar Syrië om deel te nemen aan de militaire Jihad. [medeverdachte A] was handig op internet, [medeverdachte B] was een gewild spreker en de verdachte trad graag op als woordvoerder.

Van slechts incidentele samenwerking was geen sprake.

Op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat van een gestructureerde onderlinge samenwerking tussen minimaal twee personen met een duurzaam karakter kan worden gesproken aangezien van die samenwerking binnen de bewezen verklaarde periode is gebleken.

Het hof tekent hierbij nog aan dat de omstandigheid dat niet alle personen van de groep onderling hebben samengewerkt of bekend waren met (al de) andere deelnemers aan de organisatie en met hun bezigheden voor de organisatie niet in de weg staat aan de vaststelling van een gestructureerd samenwerkingsverband.

Zo heeft bijvoorbeeld [medeverdachte D] deelgenomen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië, nadat hij onder invloed van [betrokkene A] was uitgereisd. Hij bleef contact onderhouden met [betrokkene A] over die strijd en het verdelen van geld onder strijders. Dit wordt voldoende geacht om [medeverdachte D] als behorend tot de organisatie te beschouwen, hoewel niet is gebleken dat hij met de verdachte, [medeverdachte A], [medeverdachte B] of [medeverdachte C] samenwerkte.

Al met al is naar het oordeel van het hof sprake van een organisatie als bedoeld in de artikelen 140a en 140 Sr.

Het oogmerk van de organisatie

Het oogmerk van de organisatie was er op gericht om commune en ook terroristische misdrijven te plegen in het streven om een ‘kalifaat’ te vestigen door het voeren van de militaire jihad in Syrië aan de zijde van aan Al Qaida gelieerde strijdgroepen.

De criminele organisatie in de zin van artikel 140 Sr heeft naar het oordeel van het hof de navolgende ten laste gelegde oogmerken gehad:

A) het opruien tot deelname aan de gewapende jihadstrijd in Syrië;

B) het verspreiden van geschriften die daartoe opruien;

E) het werven voor de gewapende jihadstrijd in Syrië en; F) het financieren van de strijd.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat in het openbaar is opgeruid en dat in het openbaar opruiende teksten, berichten en films zijn verspreid, waarin het martelaarschap in het kader van de gewapende jihadstrijd in Syrië werd verheerlijkt en mede daardoor werd aangezet tot meedoen aan die strijd. Dit heeft in elk geval op social media plaatsgevonden. Verder is actie ondernomen om strijders te werven voor de gewapende strijd en ook om die strijd te financieren.

Verder heeft de criminele organisatie een terroristisch oogmerk gehad in de zin van artikel 140a Sr, namelijk de onder D) ten laste gelegde voorbereiding en/of de bevordering van moord, doodslag en het teweegbrengen van een ontploffing, telkens met een terroristisch oogmerk. Teneinde te kunnen deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië zijn (potentiele) uitreizigers niet alleen – kort gezegd – bewogen om af te reizen naar Syrië, maar hen zijn ook geld, inlichtingen en gelegenheid verschaft om deel te nemen aan die strijd.

Deze bewezenverklaarde oogmerken van de organisatie zijn haar naaste doelen. Van de overige ten laste gelegde oogmerken kan dat niet bewezen worden.

Deelnemen aan de organisatie

De verdachte had een belangrijke positie in de organisatie. Hij was bestuurder van de Stichting, is namens de Stichting de huurovereenkomst met betrekking tot het pand aan de [adres] in Den Haag aangegaan, hij was betrokken bij de website [website A], onderhield contact met strijders in Syrië, trad als woordvoerder naar buiten, heeft een aantal openbare bijeenkomsten (mede) georganiseerd en had een aanzienlijke rol – onder meer op social media – bij het uitdragen van denkbeelden van de organisatie.

Naar het oordeel van het hof kunnen voornoemde gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvormen, in onderling verband en samenhang bezien, worden aangemerkt als zozeer gericht op het deelnemen aan voornoemde organisatie, het daarin een aandeel hebben en het verwezenlijken van criminele oogmerken van die organisatie dat het niet anders kan zijn dan dat zijn opzet op het deelnemen aan de organisatie gericht is geweest.

De verdachte dient naar het oordeel van het hof dan ook te worden aangemerkt als deelnemer aan die organisatie als bedoeld in de artikelen 140a en 140 Sr.

Dagvaarding II

Feit 1

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte vanwege het tonen/dragen van de zogenoemde IS vlag/zegelvlag tijdens de bijeenkomsten op

4 juli 2014 en 24 juli 2014 in Den Haag heeft aangezet tot haat tegen Joden dan wel discriminatie of gewelddadig optreden tegen Joden dan wel Joden heeft beledigd.

Dat die vlag in zijn algemeenheid wordt gebruikt als symbool van een terroristische organisatie, met een gedachtengoed dat uitgaat van een discriminatoire behandeling van anders gelovigen zoals door de advocaten-generaal is betoogd, is daarvoor onvoldoende. Ook wanneer de uitlatingen die gedaan zijn in samenhang met die vlag worden beschouwd is dat naar het oordeel van het hof onvoldoende om met betrekking tot die vlag tot een veroordeling van de verdachte te komen.

De verdachte zal van dat onderdeel worden vrijgesproken.

Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep staat vast dat de verdachte op beide data samen met anderen “Khaybar Khaybar, ya yahud, Jaish Muhammad, sa yahud” heeft geroepen en dat hij zelf op 24 juli 2014 ook “Moeten de effecten van de Europeanen voelen door onze eigen heilige land aan die vuile Joden te geven” heeft geroepen.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte zich op 4 en 24 juli 2014 samen met anderen met het roepen van “Khaybar Khaybar, ya yahud, Jaish Muhammad, sa yahud” schuldig gemaakt aan het aanzetten tot haat tegen Joden als bedoeld in artikel 137d Sr.

Naar het oordeel van het hof is er geen bewijs, op grond waarvan de verdachte mede verantwoordelijk kan worden gehouden voor de leuzen die op 24 juli 2014 daarna door anderen zijn geroepen en die in de tenlastelegging staan vermeld, welke leuzen zonder meer aangemerkt moeten worden als aanzettend tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden tegen Joden en als beledigend voor Joden.

Er zijn geen wettige bewijsmiddelen in het dossier voorhanden waaruit blijkt dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met degenen die die leuzen hebben geroepen. Een al dan niet stilzwijgende afspraak of een vorm van taakverdeling is niet komen vast te staan.

De twee leuzen die door de verdachte zelf zijn geroepen zijn naar het oordeel van het hof niet van dien aard dat van een belediging als bedoeld in artikel 137c Sr kan worden gesproken.

De verdachte zal daarom van het hem onder 1B ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Feit 2

Door de verdediging is – kort en zakelijk weergegeven - betoogd dat de verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken omdat een veroordeling wegens smaad in strijd is met artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), de tweet van de verdachte geen voldoende geconcretiseerde gedraging van de agente bevatte, de tweet ironisch bedoeld was en de verdachte met de tweet opkwam voor zijn vrijheid van meningsuiting door het gedrag van de agenten tijdens de demonstratie te bekritiseren.

Het hof verwerpt de door de verdediging ingenomen standpunten en overweegt daar toe het volgende.

Allereerst constateert het hof dat de standpunten niet met concrete feiten en omstandigheden zijn onderbouwd en daarmee is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar het oordeel van het hof geen sprake.

De enkele bewering dat de verdachte met deze tweet opkwam voor de vrijheid van meningsuiting, is onvoldoende om in dit geval een schending van artikel 10 EVRM aan te nemen. Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is van enige schending overigens niet gebleken.

Daar komt bij dat in de tweet wel degelijk voldoende concreet gedrag wordt benoemd, namelijk deelnemen aan een zogenaamd ‘joden-protest’ en het wapperen met een in de woorden van de verdachte ‘ISIS vlag’. Dat de tweet niet louter ironisch bedoeld was blijkt ook uit de door de verdediging aangevoerde reden van de tweet: het opkomen voor de vrijheid van meningsuiting.

Naar het oordeel van het hof is door de bewezenverklaarde gedraging van de verdachte de eer en goede naam van de politieambtenaar aangerand.

Haar reputatie is aangetast door het via Twitter verspreiden van het bericht als zou zij actief hebben meegedaan met een antisemitische en pro-ISIS activiteit.

De verdachte heeft daar met opzet ruchtbaarheid aan gegeven door de foto met tekst te verspreiden en daarmee is het wettige en overtuigende bewijs voor het bewezen verklaarde geleverd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Dagvaarding I

1A (eerste cumulatief/alternatief): opruiing tot een terroristisch misdrijf

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014,

te Den Haag en/of elders in Nederland,

meermalen, althans eenmaal,

in het openbaar, mondeling en/of bij geschrift en/of afbeelding, heeft opgeruid tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, terwijl datgeen waartoe wordt opgeruid (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,

te weten het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,

door:

het plaatsen van berichten en/of filmpjes op social media (zoals twitter en/of Facebook te weten:

tweets (berichten) van en/of re-tweets (doorgestuurde berichten) door [Twitteraccount A] en/of [Twitteraccount B], te weten:

  • -

    14 september 2013 betreffende een foto van de Tawheedvlag inzake de gewapende Jihadstrijd bij een (replica VS) politieauto met daarbij de tekst: “voor aanvang van de 15 km lange breakout run foto van onze vlag, nota bene bij een replica VS politieauto” ([zaaksdossier A A] p. 542); en/of

  • -

    in de periode van 15 september 2013 tot en met 23 september 2013 met daarin propaganda voor de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak door Jabhat al-Nusra en/of IS(IS) en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd en/of het martelaarschap in die gewapende Jihadstrijd ([zaaksdossier A] p. 543 (boven) met de tekst op 542 (onder), p. 544 (boven) met de tekst op 543 (onder), 544 (midden), 545 (boven) met de tekst op 544 (onder), 545 (midden), 546 (midden) en 547 (midden)); en/of

  • -

    29 juli 2014 een bericht “Als de pers in NL de laatste video van IS(IS) ziet gaat het nieuws niet meer over #MH17 Deze overtreft Salilul Sawaarim 4” betreffende een film van IS(IS) met daarin zeer gewelddadige beelden van IS(IS) ter propaganda en/of verheerlijking en/of gewenning aan geweld ten behoeve van de terroristische organisatie IS(IS) ([zaaksdossier A] p. 596-599); en/of

  • -

    in de periode van 18 augustus 2014 tot en met 25 augustus 2014 met daarin propaganda voor de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak door IS(IS) en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd en/of het martelaarschap in die gewapende strijd en/of de terroristische organisatie IS(IS) (p. [zaaksdossier A] 555-556 bericht 6 en/of bericht 8),

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben; en/of

in de periode van 1 december 2013 tot en met 3 februari 2014 Facebookberichten van of gedeeld door “[Facebooknaam verdachte” en/of “[bijnaam verdachte]” ([zaaksdossier A] p. 563-572 en 645), te weten:

• berichten waarin martelaren en/of de martelaarsdood wordt/worden verheerlijkt ([zaaksdossier A] p. 565 en 567); en/of

een berichten die dat een aansporing inhoudent om deel te nemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak ([zaaksdossier A] p. 566); en/of

berichten die de gewapende jihadstrijd in Syrië en/of Irak verheerlijken en/of propaganda bevatten voor IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra ([zaaksdossier A] p. 568 (boven), 570 (onder)); en/of

berichten met afbeeldingen van een zwarte vlag met daarop in witte letters/tekenen de Arabische tekst van de islamitische geloofsbelijdenis inhoudende dat er geen god is dan Allah en in de Witte cirkel/het zegel in zwarte letters/tekenen de Arabische tekst dat Mohammed zijn profeet is (de zogenoemde IS-vlag/zegelvlag), in combinatie met wapens of strijdtaferelen die de gewapende strijd verheerlijken en/of vernietiging van Nederlandse militairen inhouden ([zaaksdossier A] p. 570 (boven)),

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben.

EN/OF

1B (tweede cumulatief/alternatief): verspreiding van tot een terroristisch misdrijf opruiend materiaal

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014,

te Den Haag en/of elders in Nederland,

meermalen, althans eenmaal

een geschrift(en) en/of afbeelding(en) en/of (audio)bestand(en) waarin tot enig strafbaar feit of

tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, terwijl datgeen waartoe bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,

te weten het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een)

misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,

heeft verspreid, openlijk tentoongesteld en/of aangeslagen,

terwijl hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat in het geschrift en/of de afbeelding en/of (audio)bestand zodanige opruiing voorkomt,

en/of met gelijke wetenschap of gelijke reden tot vermoeden de inhoud van deze geschriften en/of afbeeldingen en/of (audio)bestanden openlijk ten gehore heeft gebracht,

immers heeft verdachte

berichten en/of filmpjes geplaatst op social media (zoals twitter en/of Facebook, te weten:

tweets (berichten) van en/of re-tweets (doorgestuurde berichten) door [Twitteraccount A] en/of [Twitteraccount B], te weten:

  • -

    14 september 2013 betreffende een foto van de tawheedvlag inzake de gewapende Jihadstrijd hij een (replica VS) politieauto met daarbij de tekst: “voor aanvang van de 15 km lange breakout run foto van onze vlag, nota bene hij een replica VS politieauto” ([zaaksdossier A] p. 542); en/of

  • -

    in de periode van 15 september 2013 tot en met 23 september 2013 met daarin propaganda voor de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak door Jabhat al-Nusra en/of IS(IS) en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd en/of het martelaarschap in die gewapende Jihadstrijd ([zaaksdossier A] p. 543 (boven) met de tekst op 542 (onder), p. 544 (boven) met de tekst op 543 (onder), 544 (midden), 545 (boven) met de tekst op 544 (onder), 545 (midden), 546 (midden) en 547 (midden)); en/of

  • -

    29 juli 2014 een bericht “Als de pers in NL de laatste video van IS(IS) ziet gaat het nieuws niet meer over #MH17 Deze overtreft Salilul Sawaarim 4” betreffende een film van IS(IS) met daarin zeer gewelddadige beelden van IS(IS) ter propaganda en/of verheerlijking en/of gewenning aan geweld ten behoeve van de terroristische Organisatie IS(IS) ([zaaksdossier A] p. 596-

599); en/of

- in de periode van 18 augustus 2014 tot en met 25 augustus 2014 met daarin propaganda voor de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak door IS(IS) en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd en/of het martelaarschap in die gewapende strijd en/of de terroristische organisatie IS(IS) ([zaaksdossier A] p. 555-556 bericht 6 en/of bericht 8),

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben; en/of

in de periode van 1 december 2013 tot en met 3 februari 2014 Facebookberichten van of gedeeld door “[Facebooknaam verdachte]” en/of “[bijnaam verdachte]” ([zaaksdossier A] 563-572 en 645), te weten:

• berichten waarin martelaren en/of de martelaarsdood wordt/worden verheerlijkt ([zaaksdossier A] p. 565 en 567); en/of

een berichten die dat een aansporing inhoudendt om deel te nemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak ([zaaksdossier A] p. 566); en/of

berichten die de gewapende jihadstrijd in Syrië en/of Irak verheerlijken en/of propaganda bevatten voor IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra ([zaaksdossier A] p. 568 (boven), 570 (onder)); en/of

berichten met afbeeldingen van een zwarte vlag met daarop in witte letters/tekenen de Arabische tekst van de islamitische geloofsbelijdenis inhoudende dat er geen god is dan Allah en in de witte cirkel/het zegel in zwarte letters/tekenen de Arabische tekst dat Mohammed zijn profeet is (de zogenoemde IS-vlag/zegelvlag), in combinatie met wapens of strijdtaferelen die de gewapende strijd verheerlijken en/of vernietiging van Nederlandse militairen inhouden ([zaaksdossier A] p. 570 (boven);

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben.

2A (eerste cumulatief/alternatief): medeplegen van opruiing tot een terroristisch misdrijf

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014,

te Den Haag en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

in het openbaar, mondeling en/of bij geschrift en/of afbeelding, heeft opgeruid tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, terwijl datgeen waartoe wordt opgeruid (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,

te weten het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,

door:

A. het (mede)beheren van de website van [Website A] en/of te sturen op de inhoud van deze website en/of mee te werken aan de inhoud van deze website en/of op deze website lezingen en/of andere berichten en/of al dan niet zelfgeschreven publicaties te plaatsen en/of te laten plaatsen, te weten:

  • -

    de videofragmenten en/of “Het Graf - Aboe Yazeed” en/of Jihaad voor Allah - Aboe Yazeed” en/of “Drie grote tekenen voor de Dag des Oordeels - Aboe Yazeed” (Zaaksdossier B p. 83-91 en Algemeen dossier ordner III p. 68-88); en/of

  • -

    opiniebijdragen van [bijnaam verdachte] op de website van [Website A], te weten: “Hoewel ISIS wordt aangevallen roepten zij op tot verbroedering” en/of “Iedereen is schuldig, behalve wij” en/of “AIVD, het traject van leugens en bedrog” en/of “Het is tijd om het toe te geven:; Al Qaida wint de oorlog” en/of artikelen en/of beeldmateriaal, telkens ter propaganda en/of goedkeuring van de gewapende Jihadstrijd en/of terroristische organisaties zoals IS(IS) en/of Al Qaida in de periode van 1 mei 2013 tot en met 30 april 2014 (Zaaksdossier B p. 1219-1228); en/of

  • -

    artikelen en/of berichten en/of lezingen op de website van [Website A] in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014, te weten: “VS voorzien de zionistische staat van nieuwe munitie” en/of “OM gaat islamvlaggen verbieden tijdens demonstraties” en/of “IS boekt grote overwinning op Koerdische strijders” en/of “VS geven gewoon extra geld voor Israëlisch raketafweersysteem” en/of “IS verovert grootse Christelijke stad in Irak en bereikt Koerdistan” en/of “Schilderswijk laat neo-nazimars niet doorlopen” en/of “IS-aanhangers duiken onder, aldus een koerier op een scooter” (Zaaksdossier B p. 1254-1277);

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben; en/of

B. het (mede)beheren van de (digitale) radiozender Ghurabaa en/of het optreden als contactpersoon voor deze radiozender en/of het overleggen over de inhoud en/of het uitzenden van/via deze radiozender en/of op deze radiozender lezingen, liederen en/of andere geluidsfragmenten ten gehore te brengen, te weten:

  • -

    lezingen van Anwar al-Awlaki, te weten: “Hijrah” en “Jihad with the messenger of Allah”, welke Anwar al-Awlaki de gewapende Jihad legitimeert (Zaaksdossier B 214-228 en Algemeen Dossier III p. 15-21); en/of

  • -

    liederen, welke liederen de gewapende Jihadstrijd verheerlijken en/of daartoe oproepen, te weten: “De blanke tirannie” (Abou Hafs) en/of “Je hebt overwonnen” (Abu Hafs) en/of “Het Paradijs” (Abu Hafs) en/of “De overwinning” en/of “O de Natie van Islam” en/of “Een waardevolle natie” (Zaaksdossier B p. 228-235 en Algemeen Dossier III p. 7-14 en p. 22); en/of

- een lezing van [medeverdachte B] op 14 februari 2014, waarin IS(IS) en Jabhat al-Nusra en/of hun leiders en/of de gewapende Jihadstrijd worden verheerlijkt en waarvoor propaganda wordt gevoerd en/of waarin het na enkele weken terugkeren uit Syrië wordt afgekeurd en/of waarin Allah wordt gesmeekt om een overwinning voor Abu Bakr al-Baghdadi, IS(IS) en Jabhat al-Nusra ([zaaksdossier A] p. 1392, 2073-2075),

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben; en/of

C. het maken van diverse filmpjes en/of het plaatsen en/of het delen van diverse filmpjes op/via (hyperlinks naar) de website www.youtube.com, te weten:

  • -

    de film “een oproep aan de Broeders en Zusters op te staan voor Syrië” (Zaaksdossier B p. 43-44 en [zaaksdossier A] p. 938-942); en/of

  • -

    de film “oh oh Aleppo” ([zaaksdossier A] p. 600, Zaaksdossier B p. 936-937 en Zuur p. 657-670); en/of

  • -

    de film “erkennen kalifaat” ([zaaksdossier A] p. 1344-1345); en/of

  • -

    de film “video Al Adnani” inhoudende een audioboodschap van Al-Adnani ([zaaksdossier A] p. 1208-1229),

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben; en/of

D. het plaatsen van berichten en/of filmpjes op diverse (andere) social media (zoals twitter en/of Facebook te weten

(een) Facebookbericht(en) van of gedeeld door “[Facebooknaam verdachte]” en/of op de Facebookpagina van “[bijnaam verdachte]” en/of op de Facebookpagina “[naam II]” en/of “[naam III]”, althans verdachte en/of zijn mededader(s), te weten:

- in de periode van 2 december 2013 tot en met 30 april 2014 met daarin propaganda en/of verheerlijking van het martelaarschap in het kader van de gewapende Jihadstrijd en/of het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of de terroristische organisaties IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra ([zaaksdossier A] p. 1244-1343 - gehele profiel [naam I]), te weten:

berichten waarin direct wordt opgeroepen af te reizen naar Syrië en/of deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd (berichten 16, 17, 24 en 128); en/of

berichten waarin martelaren en/of de martelaarsdood wordt/worden verheerlijkt en waarin gesuggereerd wordt dat het deelnemen aan de jihadstrijd een nastrevenswaardig doel is en dat het sterven in die strijd het hoogst haalbare is, en dus navolging verdient (Berichten 55, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 68, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 80, 81, 82, 83, 84,85, 114, 115, 116, 117, 118, 135, 149, 173, 174, 176, 179, 304 en 310); en/of

berichten over (Nederlandse) strijders waarin de jihadstrijd een hoge morele waardering krijgt net als de deelnemers aan die strijd en de suggestie wekken dat deze deelnemers navolging verdienen. (Berichten 9, 18, 19, 27, 28, 51, 54, 56, 57, 58, 59, 86, 87 (2x), 88, 89, 90, 91, 92, 93, 94, 95, 96, 97, 100, 101, 104, 105, 106, 110, 177, 211, 212, 221, 222, 281 en 329); en/of

berichten over of met afbeeldingen van kinderen met wapens, waarin geappelleerd wordt aan de mannelijkheid van jongeren die reeds deelnemen aan de gewapende jihadstrijd en waarin de suggestie wordt gewekt dat deze jongeren navolging verdienen. (Berichten 21, 22, 32, 33, 46, 47, 48, 50 en 308); en/of

berichten met afbeeldingen van hartverscheurende taferelen die suggereren dat de kijker iets aan deze situatie moet gaan doen (Berichten 14, 15, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 316 en 322); en/of

berichten met afbeeldingen van een zwarte vlag met daarop in witte letters/tekenen de Arabische tekst van de islamitische geloofsbelijdenis inhoudende dat er geen god is dan Allah en in de witte cirkel/het zegel in zwarte letters/tekenen de Arabische tekst dat Mohammed zijn profeet is (de zogenoemde IS-vlag/zegelvlag), in combinatie met wapens of strijdtaferelen die de gewapende strijd verheerlijken en door de directe link met de actuele strijd in Syrië en/of Irak tevens een aansporing inhouden om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië en/of Irak (Afbeelding 3 en 7, Berichten 52, 65, 123, 178, 204 (2x), 205 en 262) en/of

berichten die de gewapende jihadstrijd (al dan niet in Syrië en/of Irak) verheerlijken en/of propaganda bevatten voor IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra en/of (een) andere terroristische organisatie(s)/ groepering(en) (Afbeeldingen 1, 2, 4 en 5; Berichten 6, 23, 26, 29, 30, 31, 34, 35, 36, 49, 98, 99, 102, 103, 111, 112, 119, 120, 124, 125, 126, 127, 129, 130, 131, 132, 133, 134, 136, 137, 138, 139, 140, 141, 142, 143, 144, 145, 146, 147, 148, 150, 151, 152, 153, 154, 155, 156, 157, 158, 159, 160, 161, 162, 163, 164, 165, 166, 167, 168, 169, 170, 171, 172, 175, 180, 181, 182, 183, 184, 185, 186, 187, 188, 189, 190, 191, 192, 193, 194, 195, 196, 197, 198, 199, 200, 201, 202, 203, 206, 207, 208, 209, 210, 213, 214, 215, 216 (2x), 218, 219, 220, 223, 224, 225, 226, 227, 228, 229, 230, 231, 232, 233a, 233b, 234, 235, 236, 237, 238, 239, 240, 241, 242, 243, 244, 245, 246, 247, 248, 249, 250, 251, 252, 253, 254, 255, 256, 257, 258, 259, 260, 261, 265, 266, 267, 268, 269, 270, 271, 273, 276, 277, 278, 279, 280, 282, 283, 284, 286, 287, 288, 289, 290, 291, 292, 293, 294, 295, 296, 297, 298, 299, 300, 301, 302, 303, 305, 306, 307, 309, 311, 312, 313, 314, 315, 317, 318, 319, 321, 323, 324, 325, 327, 328, 330, 331, 332, 333, 334, 335, 336, 337, 338, 339, 340, 341, 342, 343, 344, 345, 346, 347, 348, 349, 350, 351 en 352); en/of

  • -

    18 mei 2014 een bericht op de Facebookpagina van [bijnaam verdachte]: “Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en Shaam levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië. Deel 4 van de buitengewone serie Salilu Sawarim: http://m.youtube.com/watch?v=rwop8h6htqq” zijnde een film van IS(IS) met Nederlandse ondertiteling, met een speelduur van ongeveer één uur met daarin zeer gewelddadige beelden van IS(IS) ter propaganda en/of verheerlijking en/of gewenning aan geweld ten behoeve van de terroristische organisatie IS(IS) ([zaaksdossier A] p. 586-595 en 647); en/of

  • -

    op 19 augustus 2014 het delen van zoektermen naar de link voor de film met betrekking tot de onthoofding van journalist James Foley door IS(IS), waarmee propaganda en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd door IS(IS) wordt gevoerd en/of gewenning aan geweld ten behoeve van de terroristische organisatie IS(IS) wordt gekweekt ([zaaksdossier A] p. 1350); en/of

  • -

    op 20 augustus 2014 een bericht inhoudende: “De Amerikaan op de video is kaalgeschoren, als boodschap aan de Obama administratie en het scheren van de haarden en haren van broeders op Gitmo. Ze geven een bericht aan de soldaten van de VS, want een invasie zal zeker komen, vroeg of laat! Dit #IS leger lijkt enorme dorst te hebben naar Amerikaans leger bloed”, waarmee propaganda en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd door IS(IS) wordt gevoerd ([zaaksdossier A]

p. 1351),

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben.

EN/OF

2B (tweede cumulatief/alternatief): medeplegen van verspreiding van tot een terroristisch misdrijf opruiend materiaal

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014,

te Den Haag en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal

een geschrift(en) en/of afbeelding(en) en/of (audio)bestand(en) waarin tot enig strafbaar feit of

tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, terwijl datgeen waartoe bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,

te weten het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,

heeft verspreid, openlijk tentoongesteld en/of aangeslagen,

terwijl hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat in het geschrift en/of de afbeelding en/of (audio)bestand zodanige opruiing voorkomt,

en/of met gelijke wetenschap of gelijke reden tot vermoeden de inhoud van deze geschriften en/of afbeeldingen en/of (audio)bestanden openlijk ten gehore heeft gebracht,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

A. de website van [Website A] (mede) beheerd en/of gestuurd op de inhoud van deze website en/of meegewerkt aan de inhoud van deze website en/of op deze website lezingen en/of andere berichten en/of al dan niet zelfgeschreven publicaties geplaatst en/of laten plaatsen, te weten:

  • -

    de videofragmenten “Het Graf - Aboe Yazeed” en/of “Jihaad voor Allah - Aboe Yazeed” en/of “Drie grote tekenen voor de Dag des Oordeels - Aboe Yazeed” (Zaaksdossier B p. 83-91 en Algemeen dossier ordner III p. 68-88); en/of

  • -

    opiniebijdragen van [bijnaam verdachte] op de website van [Website A], te weten: “Hoewel ISIS wordt aangevallen roepten zij op tot verbroedering” en/of “Iedereen is schuldig, behalve wij” en/of “AIVD, het traject van leugens en bedrog” en/of “Het is tijd om het toe te geven:; Al Qaida wint de oorlog” en/of artikelen en/of beeldmateriaal, telkens ter propaganda en/of goedkeuring van de gewapende Jihadstrijd en/of terroristische organisaties zoals IS(IS) en/of Al Qaida in de periode van 1 mei 2013 tot en met 30 april 2014 (Zaaksdossier B p. 1219-1228); en/of

  • -

    artikelen en/of berichten en/of lezingen op de website [Website A] in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014 betreffende propaganda voor en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd, te weten: “VS voorzien de zionistische staat van nieuwe munitie” en/of “OM gaat islamvlaggen verbieden tijdens demonstraties” en/of “IS boekt grote overwinning op Koerdische strijders” en/of “VS geven gewoon extra geld voor Israëlisch raketafweersysteem” en/of “IS verovert grootse Christelijke stad in Irak en bereikt Koerdistan” en/of “Schilderswijk laat neo-nazimars niet doorlopen” en/of “IS-aanhangers duiken onder, aldus een koerier op een scooter” (Zaaksdossier B p. 1254-1277),

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben; en/of

B. (digitale) radiozender Ghurabaa (mede) beheerd en/of opgetreden als contactpersoon voor deze radiozender en/of overlegd over de inhoud en/of via deze radiozender uitgezonden en/of op welke radiozender lezingen, liederen en/of andere geluidsfragmenten ten gehore gebracht, te weten:

- lezingen van Anwar al-Awlaki, te weten: “Hijrah” en “Jihad with the messenger of Allah”, welke Anwar al-Awlaki de gewapende Jihad legitimeert (Zaaksdossier B 214-228 en Algemeen Dossier III p. 15-21); en/of

  • -

    liederen, welke liederen de gewapende Jihadstrijd verheerlijken en/of daartoe oproepen, te weten: “De blanke tirannie” (Abou Hafs) en/of “Je hebt overwonnen” (Abu Hafs) en/of “Het Paradijs” (Abu Hafs) en/of “De overwinning” en/of “O de Natie van Islam” en/of “Een waardevolle natie” (Zaaksdossier B p. 228-235 en Algemeen Dossier III p. 7-14 en p. 22); en/of

  • -

    een lezing van [medeverdachte B] op 14 februari 2014, waarin IS(IS) en Jabhat al-Nusra en/of hun leiders en/of de gewapende Jihadstrijd worden verheerlijkt en waarvoor propaganda wordt gevoerd en/of waarin het na enkele weken terugkeren uit Syrië wordt afgekeurd en/of waarin Allah wordt gesmeekt om een overwinning voor Abu Bakr al-Baghdadi, IS(IS) en Jabhat al-Nusra ([zaaksdossier A] p. 1392, 2073-2075),

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben; en/of

C. diverse filmpjes gemaakt en/of geplaatst en/of gedeeld op/via (hyperlinks naar) de website www.youtube.com, te weten:

  • -

    de film “een oproep aan de Broeders en Zusters op te staan voor Syrië” (Zaaksdossier B p. 43-44 en [zaaksdossier A] p. 933-942); en/of

  • -

    de film “oh oh Aleppo” ([zaaksdossier A] p. 600, Zaaksdossier B p. 936-937 en Zuur p. 657-670); en/of

  • -

    de film “erkennen kalifaat” ([zaaksdossier A] p. 1344-1345); en/of

  • -

    de film “video Al Adnani”, inhoudende een audioboodschap van Al-Adnani ([zaaksdossier A] p. 1208-1229),

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge opruiend karakter hebben; en/of

D. berichten en/of filmpjes geplaatst op diverse (andere) social media (zoals twitter en/of Facebook, te weten:

(een) Facebookbericht(en) geplaatst van of gedeeld door “[Facebooknaam verdachte]” en/of op de Facebookpagina van “[bijnaam verdachte]” en/of op de Facebookpagina “[naam II]” en/of “[naam III]”, althans verdachte en/of zijn mededader(s), te weten:

- in de periode van 2 december 2013 tot en met 28 april 2014 met daarin propaganda en/of verheerlijking van het martelaarschap in het kader van de gewapende Jihadstrijd en/of het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of de terroristische organisaties IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra ([zaaksdossier A] p. 1244-1343 - gehele profiel [naam I]), te weten:

berichten waarin direct wordt opgeroepen af te reizen naar Syrië en/of deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd (berichten 16, 17, 24 en 128); en/of

berichten waarin martelaren en/of de martelaarsdood wordt/worden verheerlijkt en waarin gesuggereerd wordt dat het deelnemen aan de jihadstrijd een nastrevenswaardig doel is en dat het sterven in die strijd het hoogst haalbare is, en dus navolging verdient (Berichten 55, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 68, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 80, 81, 82, 83, 84, 85, 114, 115, 116, 117, 118, 135, 149, 173, 174, 176, 179, 304 en 310); en/of

berichten over (Nederlandse) strijders waarin de jihadstrijd een hoge morele waardering krijgt net als de deelnemers aan die strijd en de suggestie wekken dat deze deelnemers navolging verdienen. (Berichten 9, 18, 19, 27, 28, 51, 54, 56, 57, 58, 59, 86, 87 (2x), 88, 89, 90, 91,92, 93, 94, 95, 96, 97, 100, 101, 104, 105, 106, 110, 177, 211, 212, 221, 222, 281 en 329); en/of

berichten over of met afbeeldingen van kinderen met wapens, waarin geappelleerd wordt aan de mannelijkheid van jongeren die reeds deelnemen aan de gewapende jihadstrijd en waarin de suggestie wordt gewekt dat deze jongeren navolging verdienen. (Berichten 21, 22, 32, 33, 46, 47, 48, 50 en 308); en/of

berichten met afbeeldingen van hartverscheurende taferelen die suggereren dat de kijker iets aan deze situatie moet gaan doen (Berichten 14, 15, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 316 en 322); en/of

berichten met afbeeldingen van een zwarte vlag met daarop in witte letters/tekenen de Arabische tekst van de islamitische geloofsbelijdenis inhoudende dat er geen god is dan Allah en in de witte cirkel/het zegel in zwarte letters/tekenen de Arabische tekst dat Mohammed zijn profeet is (de zogenoemde IS-vlag/zegelvlag), in combinatie met wapens of strijdtaferelen die de gewapende strijd verheerlijken en door de directe link met de actuele strijd in Syrië en/of Irak tevens een aansporing inhouden om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië en/of Irak (Afbeelding 3 en 7, Berichten 52, 65, 123, 178, 204 (2x), 205 en 262); en/of

  • -

    berichten die de gewapende jihadstrijd (al dan niet in Syrië en/of Irak) verheerlijken en/of propaganda bevatten voor IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra en/of (een) andere terroristische organisatie(s)/ groepering(en) (Afbeeldingen 1, 2, 4 en 5; Berichten 6, 23, 26, 29, 30, 31, 34, 35, 36, 49, 98, 99, 102, 103, 111, 112, 119, 120, 124, 125, 126, 127, 129, 130, 131, 132, 133, 134, 136, 137, 138, 139, 140, 141, 142, 143, 144, 145, 146, 147, 148, 150, 151, 152, 153, 154, 155, 156, 157, 158, 159, 160, 161, 162, 163, 164, 165, 166, 167, 168, 169, 170, 171, 172, 175, 180, 181, 182, 183, 184, 185, 186, 187, 188, 189, 190, 191, 192, 193, 194, 195, 196, 197, 198, 199, 200, 201, 202, 203, 206, 207, 208, 209, 210, 213, 214, 215, 216 (2x), 218, 219, 220, 223, 224, 225, 226, 227, 228, 229, 230, 231, 232, 233a, 233b, 234, 235, 236, 237, 238, 239, 240, 241, 242, 243, 244, 245, 246, 247, 248, 249, 250, 251, 252, 253, 254, 255, 256, 257, 258, 259, 260, 261, 265, 266, 267, 268, 269, 270, 271, 273, 276, 277, 278, 279, 280, 282, 283, 284, 286, 287, 288, 289, 290, 291, 292, 293, 294, 295, 296, 297, 298, 299, 300, 301, 302, 303, 305, 306, 307, 309, 311, 312, 313, 314, 315, 317, 318, 319, 321, 323, 324, 325, 327, 328, 330, 331, 332, 333, 334, 335, 336, 337, 338, 339, 340, 341, 342, 343, 344, 345, 346, 347, 348, 349, 350, 351 en 352); en/of

  • -

    18 mei 2014 een bericht op de Facebookpagina van [naam verdachte]: “Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en Shaam levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië. Deel 4 van de buitengewone serie Salilu Sawarinm:

http://m.youtube.com/watch?v=rwop8h6htqq” zijnde een film van IS(IS) met Nederlandse ondertiteling, met een speelduur van ongeveer één uur met daarin zeer gewelddadige beelden van IS(IS) ter propaganda en/of verheerlijking en/of gewenning aan geweld ten behoeve van de terroristische organisatie IS(IS) ([zaaksdossier A] p. 586-588 en 647); en/of

- op 19 augustus 2014 het delen van zoektermen naar de link voor de film met betrekking tot de onthoofding van journalist James Foley door IS(IS), waarmee propaganda en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd door IS(IS) wordt gevoerd en/of gewenning aan geweld ten behoeve van de terroristische organisatie IS(IS) wordt gekweekt ([zaaksdossier A] p. 1350); en/of

- op 20 augustus 2014 een bericht inhoudende: “De Amerikaan op de video is kaalgeschoren, als boodschap aan de Obama administratie en het scheren van de baarden en haren van broeders op Gitmo. Ze geven een bericht aan de soldaten van de VS, want een invasie zal zeker komen, vroeg of laat! Dit #IS leger lijkt enorme dorst te hebben naar Amerikaans leger bloed”, waarmee propaganda en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd door IS(IS) wordt gevoerd ([zaaksdossier A] p. 1351),

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben; en/of

Facebookberichten binnen de (besloten) Facebookpagina [Facebookaccount A], waarin (kort gezegd) propaganda en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd door IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra wordt gevoerd door het plaatsen van berichten en/of films en/of afbeeldingen in dit kader en/of het (mede)beheren van die (besloten) Facebook [Facebookaccount A], te weten: een film met audioboodschap van Al Adnani ([zaaksdossier A] p. 1208-1229),

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben.

3A (eerste cumulatief/alternatief): deelname aan een terroristische organisatie

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014,

te Den Haag en/of elders in Nederland en/of te Irak en/of te Syrië,

heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit:

- [ medeverdachte B] (geboortedatum) en/of

- [ medeverdachte A] (geboortedatum) en/of

- [ medeverdachte D] (geboortedatum) en/of

-[medeverdachte E] (geboortedatum) en/of

- [ medeverdachte C] (geboortedatum) en/of

- [ medeverdachte F] (geboortedatum)

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, namelijk

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

B. doodslag (te) plegen met een terroristisch oogmerk en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

D. voorbereiding en/of bevordering van de misdrijven genoemd in artikel 176a Sr jo 157 Sr en/of 288a Sr jo 287 Sr en/of 289a Sr te begaan met een terroristisch oogmerk en/of

E. het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of van munitie van de categorieën II en/of III (te) begaan met een terroristisch oogmerk dan wel met het oogmerk om een

terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

EN/OF

3B (tweede cumulatief/alternatief): deelname aan een criminele organisatie

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014,

te Den Haag en/of elders in Nederland en/of te Irak en/of te Syrië,

heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit:

- [ medeverdachte B] (geboortedatum) en/of

- [ medeverdachte A] (geboortedatum) en/of

- [ medeverdachte D] (geboortedatum) en/of

[medeverdachte E] (geboortedatum) en/of

- [ medeverdachte C] (geboortedatum) en/of

- [ medeverdachte F] (geboortedatum)

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

A. het in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding opruien tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt en/of

B. het verspreiden, openlijk tentoon stellen en/of aanslaan en/of het ter verspreiding in voorraad hebben van geschriften en/of afbeeldingen, waarin tot enig strafbaar feit of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt en/of

C. het in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding aanzetten tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap en/of

D. het zich of een ander opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen of trachten te verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf dan wel zich kennis of vaardigheden daartoe verwerven of een ander bij brengen en/of

E. het zonder toestemming van de Koning werven voor de gewapende strijd, terwijl de gewapende strijd waarvoor wordt geworven, het plegen van (een) terroristisch(e)

misdrij(f)(ven) inhoudt en/of

F. het financieren van terrorisme en/of

G. opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977.

Dagvaarding II

Feit 1

(Zaak PL1500-2014 165022)

1A (eerste cumulatief/alternatief: aanzetten tot haat, discriminatie en geweld door twee of meer verenigde personen

hij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 4 juli 2014 en/of 24 juli 2014

te Den Haag, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen,

(telkens) in het openbaar, mondeling of hij geschrift of afbeelding heeft aangezet tot haat tegen en/of tot discriminatie van mensen (als bedoeld in artikel 90quater Wetboek van Strafrecht) en/of tot gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen, te weten de Joden, althans mensen van Joodse afkomst, (telkens) wegens hun ras en/of godsdienst,

door meermalen, althans eenmaal,

(telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

in het openbaar:

een zwarte vlag met daarop in witte letters/tekenen de Arabische tekst van de islamitische geloofsbelijdenis inhoudende dat er geen god is dan Allah en in de witte cirkel/het zegel in zwarte letters/tekenen de Arabische tekst dat Mohammed zijn profeet is (de zogenoemde IS-vlag/zegelvlag) te tonen/dragen; en/of

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

in het openbaar te roepen/zeggen:

  • -

    “Khabar Khabar ya Yahudm Yaish Mohammad Sawa ya’ud” en/of

  • -

    “Khaybar Khaybar, ya yahud, Jaish Muhammad, sa yahud” en/of

  • -

    “Khaybar, Khaybar, ya yahud, jaishu Mohammed sa ya’ud”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

en/of

  • -

    “Moeten de effecten van de Europeanen voelen door onze eigen heilige land aan die vuile Joden te geven” en/of

  • -

    “Wij blijven spreken totdat Shaam gezuiverd wordt van deze Joden.” (…) “Ja, we spreken van de Joden. Zijn de Joden niet diegene die in het gebied wonen? Zijn de Joden niet diegene die in 1948 naar Shaam zijn geëmigreerd? Ja dat zijn de Joden. Mensen noemen hen Zionisten, maar wij noemen hen Joden.”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

en/of

- “ “Dood aan de Zionist. Vuile Joden. Dood aan de Zionist”, althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking.

EN/OF

2: smaadschrift ambtenaar

(Zaak PL1500-2014172841)

hij op of omstreeks 27 juli 2014 te Den Haag, in elk geval in Nederland,

opzettelijk, door middel van verspreiding en/of het openlijk tentoonstellen en/of aanslaan van een afbeelding en/of een geschrift,

de eer en/of de goede naam van [betrokkene B] (zijnde politieambtenaar van politie-eenheid Den Haag gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening) heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven,

immers heeft verdachte met voormeld doel een afbeelding (met daarop afgebeeld [betrokkene B] in politie-uniform) en/of (daarbij) de tekst “De agenten op hoefkade deden hard mee met anti-joden protest, zoals het genoemd werd. Zelfs met ‘ISIS vlag’ wapperen!” (afbeelding en/of geschrift weergegeven op pagina 10) verspreid en/of tentoongesteld en/of aangeslagen door deze via zijn, verdachtes, Twitteraccount te verspreiden.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De verdediging heeft aangevoerd dat de Nederlandse terrorismebepalingen niet van toepassing zijn wegens strijd met overweging 11 uit de Preambule van het Kaderbesluit Terrorisme uit 20024; handelingen in de context van een gewapend conflict zijn uitgesloten van de werking van het Kaderbesluit vanwege de daarin genoemde ‘internationaalrechtelijke exceptie’. De strafbaarheid van terrorisme wordt onderworpen aan het internationaal humanitair recht. Dit leidt volgens de verdediging tot ontslag van rechtsvervolging omdat de feiten niet kunnen worden gekwalificeerd nu de desbetreffende bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht hier in strijd zijn met hogere regelgeving, nl. het genoemde Kaderbesluit en de daarbij behorende Preambule.

Het hof verwerpt dit verweer omdat het uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. De tekst van de wet (Wet terroristische misdrijven) biedt geen steun voor de toepassing van de ‘internationaalrechtelijke exceptie’;

de wetgever heeft er niet voor gekozen om de uitsluitingsclausule van overweging 11 van de Preambule te implementeren. De Hoge Raad bevestigde recent zijn oordeel dat tijdens een intern gewapend conflict zowel het humanitaire oorlogsrecht als het commune strafrecht van toepassing is.5Er is geen aanleiding hierover prejudiciële vragen te stellen.

Het hof voegt nog toe dat uit de parlementaire voorbereiding van de Wet terroristische misdrijven kan worden opgemaakt dat in ogenschouw is genomen dat de gewapende strijd tegen een onderdrukkend regime, onder (bijzondere) omstandigheden kan worden aangemerkt als een terroristisch misdrijf. Dit heeft niet geleid tot een uitdrukkelijke beperking van de wetsbepalingen in de vorenbedoelde zin.6Ook het beroep op het verzetsrecht als – in heel ander verband – beschreven door Remmelink7 loopt hierin vast. Ook dat verweer wordt verworpen.

Vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting

Namens de verdachte heeft de verdediging een beroep gedaan op de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting (artikel 9 en 10 EVRM).

Het beroep stuit naar het oordeel van het hof af op artikel 17 EVRM. In de onderhavige zaak is komen vast te staan dat de verdachte de vrijheid van meningsuiting heeft ingezet voor doeleinden die overduidelijk in strijd zijn met de geest van het EVRM: zij hebben, geïnspireerd door religieus fundamentalisme, aangezet tot het meedoen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië, waarin altijd terroristische misdrijven worden gepleegd. Dat kan worden gekwalificeerd als te zijn gericht op de vernietiging van de in het Verdrag beschermde rechten en vrijheden. Daarom ontvalt aan hem al bij voorbaat de bescherming van artikel 9 en 10 EVRM (vergelijk ook EHRC 2017/169. EHRM, 27-6-2017, 343678/14).

Het hof overweegt daarbij nog, dat ook een materiële toets op basis de artikelen 9 en 10 EVRM niet tot een ander oordeel leidt. Het EVRM zelf en de beperkingssystematiek van het EVRM brengen dat met zich mee. Volledigheidshalve zal het hof de daaromtrent gemaakte afwegingen hieronder weergeven.

Het hof verwerpt het beroep van de verdediging op

artikel 9 EVRM (godsdienstvrijheid), dat bescherming biedt aan uitingen voor zover zij naar objectieve maatstaven een directe uitdrukking van godsdienst of levensovertuiging vormen. De bewezenverklaarde uitingen die oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd – en dus opruien tot terroristische misdrijven dan wel geschriften die daartoe opruien verspreiden – kunnen naar objectieve maatstaven niet worden beschouwd als het directe belijden van een godsdienst.

De verdediging heeft verder bepleit dat het ten laste gelegde handelen wordt beschermd door artikel 10 EVRM. De door de tenlastelegging beoogde strafbepaling dient dan ook buiten toepassing te blijven en de verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof stelt vast dat met de veroordeling van de verdachte ter zake van uitingsdelicten inbreuk wordt gemaakt op het recht van de verdachte op vrije meningsuiting als bedoeld in artikel 10, eerste lid, EVRM. Het hof heeft dan ook te onderzoeken of die inbreuk gerechtvaardigd is als bedoeld in artikel 10, tweede lid, EVRM.

Het recht op vrijheid van meningsuiting staat aan een strafrechtelijke veroordeling niet in de weg indien zo een veroordeling een op grond van voornoemde verdragsbepaling toegelaten – te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van genoemde vrijheid vormt.

De artikelen 131 en 132 Sr vormen toegankelijke en voorzienbare beperkingen. Gelet op hetgeen de verdachte wist van de strijd in Syrië, nl. dat de gewapende strijdgroepen in Syrië ernstige misdrijven pleegden, zoals moord, doodslag, het teweegbrengen van ontploffingen e.d. met een terroristisch oogmerk, was voor hem voorzienbaar dat (het verspreiden ter) opruiing tot ‘deelname aan de gewapende jihadstrijd’ als strafbaar feit in de zin van deze artikelen zou worden aangemerkt.

De bepalingen moeten worden beschouwd als in het kader van het EVRM toegestane, wettelijke inperking van de vrijheid van meningsuiting die in een democratische samenleving noodzakelijk is. Uit de Europese jurisprudentie moet worden afgeleid dat “noodzakelijk” inhoudt: een dringende maatschappelijke noodzaak (“pressing social need”) waarbij aan de lidstaten een zekere vrijheid toekomt bij de waardering van die noodzaak. Bij die waardering moet een afweging worden gemaakt tussen het fundamentele belang van de vrijheid van meningsuiting (het individuele grondrecht) en het fundamentele belang van bescherming van de democratische (rechts-)staat (het algemene fundamentele maatschappelijke belang) plaatsvinden. Een aanvaardbare beperking van de vrijheid van meningsuiting dient in ieder geval te voldoen aan eisen van proportionaliteit.

Het hof oordeelt dat nu de bewezen verklaarde feiten opruien tot deelname aan de gewapende jihadstrijd – waarvan de betekenis hierboven is weergegeven – in beginsel de Nederlandse democratische rechtsstaat in gevaar is. De terroristische misdrijven die worden gepleegd door degenen die – na te zijn opgeruid – vanuit Nederland uitreizen en deelnemen aan de gewapende jihadstrijd zijn hiervoor al weergegeven en besproken.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de inbreuk op verdachtes recht op zijn vrijheid van meningsuiting niet in strijd is met artikel 10 EVRM. Een veroordeling voor het bewezen verklaarde handelen is naar het oordeel van het hof derhalve niet in strijd met voornoemde verdragsbepaling.

Toetsing aan het grondwettelijk beperkingssysteem leidt tot dezelfde uitkomst.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Dagvaarding I

Ten aanzien van het onder 1A bewezen verklaarde:

het in het openbaar bij geschrift en/of bij afbeelding opruien tot enig strafbaar feit, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 1B bewezen verklaarde:

een geschrift en/of afbeelding waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, verspreiden, terwijl hij weet, dat in het geschrift en/of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt en terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2A bewezen verklaarde:

medeplegen van het in het openbaar bij geschrift en/of bij afbeelding opruien tot enig strafbaar feit, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd,

en

het in het openbaar bij geschrift en/of bij afbeelding opruien tot enig strafbaar feit, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt.

Ten aanzien van het onder 2B bewezen verklaarde:

medeplegen van het verspreiden van een geschrift en/of een afbeelding waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, terwijl hij weet, dat in het geschrift en/of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt en terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd,

en

een geschrift en/of afbeelding waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, verspreiden, terwijl hij weet, dat in het geschrift en/of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt en terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt.

Ten aanzien van het onder 3A bewezen verklaarde:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

Ten aanzien van het onder 3B bewezen verklaarde:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Dagvaarding II

Ten aanzien van het onder 1A bewezen verklaarde:

het in het openbaar mondeling aanzetten tot haat tegen mensen wegens hun ras en/of godsdienst, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaard:

smaadschrift, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

De strafoplegging

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaten-generaal hebben gevorderd dat de verdachte ter zake van het bij dagvaarding I onder 1A, 1B, 2A, 2B, 3A en 3B en het bij dagvaarding II onder 1A, 1B en 2 ten laste gelegde, rekening houdende met de overschrijding van de redelijke termijn, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar en 7 maanden, met aftrek van voorarrest (daaronder begrepen de door de verdachte ondergane overleveringsdetentie). De omstandigheid dat de verdachte gedetineerd is op de Terrorisme Afdeling (hierna: TA) dient naar het oordeel van de advocaten-generaal niet tot strafmatiging te leiden.

Voorts hebben de advocaten-generaal gevorderd dat het hof

– indien het hof aan de verdachte een straf oplegt waarbij een fictieve datum van de voorwaardelijke invrijheidstelling in zicht komt – de voorlopige hechtenis niet zal opheffen, maar zal schorsen met ingang van de fictieve einddatum onder de voorwaarden zoals opgenomen in het op schrift gestelde repliek.

Standpunten van de verdediging

Met betrekking tot de op te leggen straf heeft de verdediging – overeenkomstig de overgelegde pleitaantekeningen – kort gezegd het volgende aangevoerd.

De verdediging is van oordeel dat de straf die aan de verdachte wordt opgelegd lager dient te zijn dat de straf die aan daadwerkelijke strijders wordt opgelegd.

Daarnaast heeft de verdediging bepleit dat het hof in strafmatigende zin rekening dient te houden met de omstandigheid dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden, met de omstandigheid dat de verdachte vanaf het moment van zijn aanhouding gedetineerd zit op de TA en de omstandigheid dat ten tijde van de ten laste gelegde periode minder bekend was over IS, er een maatschappelijke discussie gaande was over Syriëgangers, waarbij de meningen verdeeld waren en er nog geen uitspraken waren gewezen in dit soort zaken.

De verdediging verzet zich tegen het verzoek van het openbaar ministerie om, indien 2/3 van de straf er reeds nu op zit, de voorlopige hechtenis niet op te heffen, maar te schorsen.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opruiing tot terroristische misdrijven en verspreiding van geschriften en/of afbeeldingen waarin wordt opgeruid tot terroristische misdrijven. Daarnaast heeft de verdachte deelgenomen aan een organisatie die het plegen van (terroristische) misdrijven tot oogmerk had. Dit alles teneinde steun te verwerven voor IS(IS), Al Qaida en daaraan gelieerde strijdgroepen.

IS(IS), Al Qaida en daaraan gelieerde groepen het Midden-Oosten zijn als terroristische groeperingen gebrandmerkt vanwege hun ongehoord wrede en de samenleving ontwrichtende daden. Zij hebben talloze doden op hun geweten, zijn (mee) verantwoordelijk voor de verschrikkelijke vernielingen van huizen, landbouw en infrastructuur en het ondraaglijk lijden en de angsten van velen en zij hebben, in naam van Allah, een bloedige sektarische strijd aangewakkerd. Tot op de dag van vandaag zijn de gevolgen hiervan voelbaar. Het onnoemlijk leed dat hierdoor is veroorzaakt komt natuurlijk niet geheel op het conto van de verdachte en zijn mededaders, maar zij hebben daar wel aan bijgedragen en aan willen bijdragen door hun opruiende en wervende daden. Zij hebben de omgekomen zogenoemde ‘Syriëgangers’ geroemd en hun ‘martelaarsdood’ verheerlijkt terwijl familie van ‘uitreizigers’ wanhopig trachtte hun kinderen voor onberaden stappen te behoeden. Voor het veroorzaakte leed is de verdachte blind geweest, en alhoewel hij het nu wellicht allemaal anders zou aanpakken, is van daadwerkelijke inkeer en meeleven met de slachtoffers niet gebleken.

De verdachte was zeer goed geïnformeerd over de gebeurtenissen in het Midden-Oosten, onder meer omdat hij het Arabisch goed beheerst. Hij had uitgesproken meningen en stak niet onder stoelen of banken dat hij IS(IS) steunde; hij had een sterke zendingsdrang, toonde zich initiatiefrijk en had een zeker overwicht op de anderen wellicht ook omdat hij wat ouder was. Hij was samen met [medeverdachte A] de spil van de organisatie die zich op de bewezenverklaarde wijze bezig hield met het verwerven van steun voor terroristische strijdgroepen. Met name voor [medeverdachte A] was hij een belangrijk klankbord en adviseur, maar ook voor anderen was hij belangrijk. Zo nam hij [medeverdachte C] nogal eens op sleeptouw, hij ging vaak met anderen eten en voetballen, hij regelde het gemeenschappelijk gebruik van het pand op de [adres] en hij trad graag naar buiten als er met de ‘buitenwereld’ moest worden gecommuniceerd. Die communicatie was overigens eenzijdig; hij stond niet open voor een ander geluid dan het zijne.

Voorts heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het aanzetten tot haat tegen Joden door het roepen van de leus: “Khaybar Khaybar, ya yahud, Jaish Muhammad, sa yahud”. Aldus handelende heeft de verdachte mensen van Joodse afkomst gekrenkt en gekwetst en de openbare orde verstoord.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan smaadschrift. Hij heeft politieambtenaar [betrokkene B] in haar eer en goede naam aangerand en ervan blijk gegeven geen respect te hebben voor het openbaar gezag.

Het hof heeft bij de op te leggen straf voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 januari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, doch niet voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.

Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte sinds het begin van zijn detentie is gedetineerd op de TA. De verdachte heeft derhalve een groot deel van de voorlopige hechtenis doorgebracht in het ‘oude regime’ van de TA, een zwaar regime waarin fasering naar afdelingen met meer vrijheden nauwelijks mogelijk was, anders dan thans het geval is. Het hof zal hier bij de strafoplegging in beperkte mate in strafmatigende zin rekening mee houden.

Met betrekking tot de redelijke termijn overweegt het hof het volgende. Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte in verband met de bewezenverklaarde feiten in voorlopige hechtenis verkeert, te gelden dat in de regel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn indien de stukken van het geding meer dan zes maanden na het instellen van het hoger beroep ter griffie van de appelrechter zijn binnengekomen. Voorts heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen 16 maanden nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdediging op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Het hof stelt vast dat in de onderhavige strafzaak op

17 december 2015 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld, waarna de stukken van het geding pas op

21 september 2016 (hierbij dient overigens te worden opgemerkt dat het hof het uitgewerkte proces-verbaal van de terechtzitting pas later heeft ontvangen) - mitsdien niet binnen 6 maanden – ter griffie van het hof zijn binnengekomen. Op 30 maart 2017 heeft een regiezitting plaatsgevonden. De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden in de periode van 30 januari 2018 tot en met 6 april 2018. Het onderhavige arrest wordt gewezen op 25 mei 2018. De behandeling van de terechtzitting in hoger beroep is derhalve niet binnen 2 jaar nadat hoger beroep is ingesteld afgerond met een eindarrest. Deze overschrijding is onder meer gelegen in de omvang en de bewerkelijkheid van de zaak, de omstandigheid dat de zaak van de verdachte gelijktijdig met de zaak van vijf medeverdachten behandeld diende te worden en de omstandigheid dat de zaak behandeld diende te worden in een extra beveiligde zittingszaal, welke omstandigheden niet voor rekening van de verdachte kunnen komen. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de redelijke termijn is overschreden. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat slechts een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats is. Het hof is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar, in beginsel een passende en geboden reactie vormt. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en de omstandigheid dat de verdachte een groot deel van de voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in het ‘oude regime’ van de TA, zal het hof in plaats van de hiervoor overwogen gevangenisstraf, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar en 6 maanden opleggen.

Hetgeen door de verdediging is betoogd met betrekking tot een maatschappelijke discussie en het gemis aan rechtelijke uitspraken in strafzaken als deze – wat van de juistheid van het gestelde verder ook zij – maakt het oordeel van het hof niet anders.

Vordering tot schorsing van de voorlopige hechtenis

De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het hof - indien het hof aan de verdachte een straf oplegt waarbij een fictieve datum van de voorwaardelijke invrijheidstelling in zicht komt – de voorlopige hechtenis van de verdachte zal schorsen onder voorwaarden met ingang van de fictieve einddatum. De verdediging heeft zich daartegen verzet.

Het hof acht geen termen aanwezig om de voorlopige hechtenis van de verdachte te schorsen met ingang van de fictieve einddatum. Dit verzoek zal derhalve worden afgewezen.

Beslag

De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het, zoals vermeld op de beslaglijst (als bijlage B gehecht aan dit arrest), onder 1 genoemde voorwerp (de agenda) aan verdachte kan worden teruggegeven.

Het onder 2 genoemde voorwerp dient naar het oordeel van het openbaar ministerie verbeurd te worden verklaard. Het betreft immers het schrift met daarin aantekeningen over onder meer [namen].

Uit deze aantekeningen blijkt hoe verdachte geprobeerd heeft structuur aan te brengen in de organisatie. Ook blijkt uit deze aantekeningen op welke wijze zij hun tot terroristische misdrijven opruiend materiaal wilden verspreiden. Dit schrift is dan ook vatbaar voor verbeurdverklaring nu met behulp van dit schrift de strafbare feiten zijn begaan/voorbereid (artikel 33a lid 1 onder b Sr).

Voor wat betreft het onder 3 genoemde voorwerp (aantekeningen van een lezing) is het openbaar ministerie van oordeel dat dit verbeurd dient te worden verklaard.

De verdachte wordt verweten dat hij veelvuldig heeft opgeruid tot terroristische misdrijven onder meer door het geven van verscheidende lezingen, zodat moet worden geconcludeerd dat dit een voorwerp betreft met behulp waarvan de opruiing tot terroristische misdrijven is begaan/voorbereid (artikel 33a lid 1 onder c Sr).

Ten aanzien van de onder 4 en 5 genoemde voorwerpen (de vlaggen) is eveneens de verbeurdverklaring gevorderd.

Naar het oordeel van het openbaar ministerie betreffen dit voorwerpen met behulp van welke de opruiing tot een terroristisch misdrijf is begaan of voorbereid (artikel 33a lid 1 onder c Sr), nu uit het dossier blijkt dat dit de zogenoemde tawheedvlaggen betreffen, deze vlag veelvuldig wordt gebruikt in een jihadistische context en op de vele demonstraties en opruiende bijeenkomsten die (mede) door de verdachte zijn georganiseerd in overleg met hem dergelijke vlaggen zijn gevoerd en getoond.

Ten aanzien van de onder 6 en 7 genoemde voorwerpen (de laptops) vordert het openbaar ministerie de verbeurdverklaring, nu op deze laptops tot terroristische misdrijven opruiend materiaal is aangetroffen. Deze laptops zijn dan ook aan te merken als voorwerpen met betrekking tot/met behulp van welke de opruiing/ de verspreiding van tot terroristische misdrijven opruiend.

Het hof zal – overeenkomstig de vordering van het openbaar ministerie - de teruggave van het onder 1 genoemde voorwerp (de agenda) gelasten.

Wat betreft deze overige op de beslaglijst vermelde inbeslaggenomen voorwerpen gelast het hof tevens de teruggave aan de verdachte. Anders dan het openbaar ministerie is het hof van oordeel dat niet, dan wel onvoldoende, is komen vast te staan dat zij vanwege enig direct verband met een bewezenverklaard feit als bedoeld in artikel 33a Sr vatbaar zijn voor verbeurdverklaring.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57, 63, 131, 132, 137d, 140, 140a, 261 en 267 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding II onder 1B ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 1A, 1B, 2A, 2B, 3A en 3B en het bij dagvaarding II onder 1A en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bij dagvaarding I onder 1A, 1B, 2A, 2B, 3A en 3B en het bij dagvaarding II onder 1A en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. Agenda;

2. Blauw schrift;

3. Papieren van een lezing;

4. Grote zwarte vlag met Arabische tekst;

5. Kleine zwarte vlag met Arabische tekst;

6. Laptop, oplader, muis, kabel, netspanning, serienummer C5N0BC187342204, SINAAHK2113NL;

7. Laptop, merk Sony, type Vaio, serienummer 275239625001686, SIN AAHK2112NL.

Wijst af de vordering tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de fictieve einddatum.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries, mr. H.C. Wiersinga en mr. D.M. Thierry, in bijzijn van de griffiers mr. C.B. Jans en mr. L.A.M. Karels.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 mei 2018.

BIJLAGE A

Tenlastelegging – na wijziging in hoger beroep -:

Dagvaarding I (parketnummer 09-767174-13)

1A (eerste cumulatief/alternatief): opruiing tot een terroristisch misdrijf

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014,

te Den Haag en/of elders in Nederland,

meermalen, althans eenmaal,

in het openbaar, mondeling en/of bij geschrift en/of afbeelding, heeft opgeruid tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, terwijl datgeen waartoe wordt opgeruid (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,

te weten het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,

door:

het plaatsen van berichten en/of filmpjes op social media (zoals twitter en/of Facebook te weten:

tweets (berichten) van en/of re-tweets (doorgestuurde berichten) door [Twitteraccount A] en/of [Twitteraccount B], te weten:

  • -

    14 september 2013 betreffende een foto van de Tawheedvlag inzake de gewapende Jihadstrijd bij een (replica VS) politieauto met daarbij de tekst: “voor aanvang van de 15 km lange breakout run foto van onze vlag, nota bene bij een replica VS politieauto” ([zaaksdossier A] p. 542); en/of

  • -

    in de periode van 15 september 2013 tot en met 23 september 2013 met daarin propaganda voor de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak door Jabhat al-Nusra en/of IS(IS) en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd en/of het martelaarschap in die gewapende Jihadstrijd ([zaaksdossier A] p. 543 (boven) met de tekst op 542 (onder), p. 544 (boven) met de tekst op 543 (onder), 544 (midden), 545 (boven) met de tekst op 544 (onder), 545 (midden), 546 (midden) en 547 (midden)); en/of

  • -

    29 juli 2014 een bericht “Als de pers in NL de laatste video van IS(IS) ziet gaat het nieuws niet meer over #MH17 Deze overtreft Salilul Sawaarim 4” betreffende een film van IS(IS) met daarin zeer gewelddadige beelden van IS(IS) ter propaganda en/of verheerlijking en/of gewenning aan geweld ten behoeve van de terroristische organisatie IS(IS) ([zaaksdossier A] p. 596-599); en/of

  • -

    in de periode van 18 augustus 2014 tot en met 25 augustus 2014 met daarin propaganda voor de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak door IS(IS) en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd en/of het martelaarschap in die gewapende strijd en/of de terroristische organisatie IS(IS) (p. [zaaksdossier A] 555-556 bericht 6 en/of bericht 8),

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben; en/of

in de periode van 1 december 2013 tot en met 3 februari 2014 Facebookberichten van of gedeeld door “[Facebooknaam verdachte] en/of “[bijnaam verdachte]” ([zaaksdossier A] p. 563-572 en 645), te weten:

• berichten waarin martelaren en/of de martelaarsdood wordt/worden verheerlijkt ([zaaksdossier A] p. 565 en 567); en/of

• berichten die een aansporing inhouden om deel te nemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak ([zaaksdossier A] p. 566); en/of

• berichten die de gewapende jihadstrijd in Syrië en/of Irak verheerlijken en/of propaganda bevatten voor IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra ([zaaksdossier A] p. 568 (boven), 570 (onder)); en/of

• berichten met afbeeldingen van een zwarte vlag met daarop in witte letters/tekenen de Arabische tekst van de islamitische geloofsbelijdenis inhoudende dat er geen god is dan Allah en in de Witte cirkel/het zegel in zwarte letters/tekenen de Arabische tekst dat Mohammed zijn profeet is (de zogenoemde IS-vlag/zegelvlag), in combinatie met wapens of strijdtaferelen die de gewapende strijd verheerlijken en/of vernietiging van Nederlandse militairen inhouden ([zaaksdossier A] p. 570 (boven)),

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben.

Artikel 131 Wetboek van Strafrecht

EN/OF

1B (tweede cumulatief/alternatief): verspreiding van tot een terroristisch misdrijf opruiend materiaal

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014,

te Den Haag en/of elders in Nederland,

meermalen, althans eenmaal

een geschrift(en) en/of afbeelding(en) en/of (audio)bestand(en) waarin tot enig strafbaar feit of

tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, terwijl datgeen waartoe bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,

te weten het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een)

misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,

heeft verspreid, openlijk tentoongesteld en/of aangeslagen,

terwijl hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat in het geschrift en/of afbeelding en/of (audio)bestand zodanige opruiing voorkomt,

en/of met gelijke wetenschap of gelijke reden tot vermoeden de inhoud van deze geschriften en/of afbeeldingen en/of (audio)bestanden openlijk ten gehore heeft gebracht,

immers heeft verdachte

berichten en/of filmpjes geplaatst op social media (zoals twitter en/of Facebook, te weten:

tweets (berichten) van en/of re-tweets (doorgestuurde berichten) door [Twitteraccount A] en/of [Twitteraccount B], te weten:

  • -

    14 september 2013 betreffende een foto van de tawheedvlag inzake de gewapende Jihadstrijd hij een (replica VS) politieauto met daarbij de tekst: “voor aanvang van de 15 km lange breakout run foto van onze vlag, nota bene hij een replica VS politieauto” ([zaaksdossier A] p. 542); en/of

  • -

    in de periode van 15 september 2013 tot en met 23 september 2013 met daarin propaganda voor de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak door Jabhat al-Nusra en/of IS(IS) en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd en/of het martelaarschap in die gewapende Jihadstrijd ([zaaksdossier A] p. 543 (boven) met de tekst op 542 (onder), p. 544 (boven) met de tekst op 543 (onder), 544 (midden), 545 (boven) met de tekst op 544 (onder), 545 (midden), 546 (midden) en 547 (midden)); en/of

  • -

    29 juli 2014 een bericht “Als de pers in NL de laatste video van IS(IS) ziet gaat het nieuws niet meer over #MH17 Deze overtreft Salilul Sawaarim 4” betreffende een film van IS(IS) met daarin zeer gewelddadige beelden van IS(IS) ter propaganda en/of verheerlijking en/of gewenning aan geweld ten behoeve van de terroristische Organisatie IS(IS) ([zaaksdossier A] p. 596-

599); en/of

- in de periode van 18 augustus 2014 tot en met 25 augustus 2014 met daarin propaganda voor de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak door IS(IS) en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd en/of het martelaarschap in die gewapende strijd en/of de terroristische organisatie IS(IS) ([zaaksdossier A] p. 555-556 bericht 6 en/of bericht 8),

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben; en/of

in de periode van 1 december 2013 tot en met 3 februari 2014 Facebookberichten van of gedeeld door “Facebooknaam verdachte]” en/of “[bijnaam verdachte]” ([zaaksdossier A] 563-572 en 645), te weten:

• berichten waarin martelaren en/of de martelaarsdood wordt/worden verheerlijkt ([zaaksdossier A] p. 565 en 567); en/of

• berichten die een aansporing inhouden om deel te nemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak ([zaaksdossier A] p. 566); en/of

• berichten die de gewapende jihadstrijd in Syrië en/of Irak verheerlijken en/of propaganda bevatten voor IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra ([zaaksdossier A] p. 568 (boven), 570 (onder)); en/of

• berichten met afbeeldingen van een zwarte vlag met daarop in witte letters/tekenen de Arabische tekst van de islamitische geloofsbelijdenis inhoudende dat er geen god is dan Allah en in de witte cirkel/het zegel in zwarte letters/tekenen de Arabische tekst dat Mohammed zijn profeet is (de zogenoemde IS-vlag/zegelvlag), in combinatie met wapens of strijdtaferelen die de gewapende strijd verheerlijken en/of vernietiging van Nederlandse militairen inhouden ([zaaksdossier A] p. 570 (boven);

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben.

Artikel 132 Wetboek van Strafrecht

2A (eerste cumulatief/alternatief): medeplegen van opruiing tot een terroristisch misdrijf

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014,

te Den Haag en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

in het openbaar, mondeling en/of bij geschrift en/of afbeelding, heeft opgeruid tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, terwijl datgeen waartoe wordt opgeruid (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,

te weten het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,

door:

A. het (mede)beheren van de website van [Website A] en/of te sturen op de inhoud van deze website en/of mee te werken aan de inhoud van deze website en/of op deze website lezingen en/of andere berichten en/of al dan niet zelfgeschreven publicaties te plaatsen en/of te laten plaatsen, te weten:

  • -

    de videofragmenten en/of “Het Graf - Aboe Yazeed” en/of Jihaad voor Allah - Aboe Yazeed” en/of “Drie grote tekenen voor de Dag des Oordeels - Aboe Yazeed” (Zaaksdossier B p. 83-91 en Algemeen dossier ordner III p. 68-88); en/of

  • -

    opiniebijdragen van [bijnaam verdachte] op de website van [Website A], te weten: “Hoewel ISIS wordt aangevallen roept zij tot verbroedering” en/of “Iedereen is schuldig, behalve wij” en/of “AIVD het traject van leugens en bedrog” en/of “Het is tijd om toe te geven: Al Qaida wint de oorlog” en/of artikelen en/of beeldmateriaal, telkens ter propaganda en/of goedkeuring van de gewapende Jihadstrijd en/of terroristische organisaties zoals IS(IS) en/of Al Qaida in de periode van 1 mei 2013 tot en met 30 april 2014 (Zaaksdossier B p. 1219-1228); en/of

  • -

    artikelen en/of berichten en/of lezingen op de website van [Website A] in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014, te weten: “VS voorzien de zionistische staat van nieuwe munitie” en/of “OM gaat islamvlaggen verbieden tijdens demonstraties” en/of “IS boekt grote overwinning op Koerdische strijders” en/of “VS geven gewoon extra geld voor Israëlisch raketafweersysteem” en/of “IS verovert grootse Christelijke stad in Irak en bereikt Koerdistan” en/of “Schilderswijk laat neo-nazimars niet doorlopen” en/of “IS-aanhangers duiken onder, aldus een koerier op een scooter” (Zaaksdossier B p. 1254-1277);

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben; en/of

B. het (mede)beheren van de (digitale) radiozender Ghurabaa en/of het optreden als contactpersoon voor deze radiozender en/of het overleggen over de inhoud en/of het uitzenden van/via deze radiozender en/of op deze radiozender lezingen, liederen en/of andere geluidsfragmenten ten gehore te brengen, te weten:

  • -

    lezingen van Anwar al-Awlaki, te weten: “Hijrah” en “Jihad with the messenger of Allah”, welke Anwar al-Awlaki de gewapende Jihad legitimeert (Zaaksdossier B 214-228 en Algemeen Dossier III p. 15-21); en/of

  • -

    liederen, welke liederen de gewapende Jihadstrijd verheerlijken en/of daartoe oproepen, te weten: “De blanke tirannie” (Abou Hafs) en/of “Je hebt overwonnen” (Abu Hafs) en/of “Het Paradijs” (Abu Hafs) en/of “De overwinning” en/of “O de Natie van Islam” en/of “Een waardevolle natie” (Zaaksdossier B p. 228-235 en Algemeen Dossier III p. 7-14 en p. 22); en/of

- een lezing van [medeverdachte B] op 14 februari 2014, waarin IS(IS) en Jabhat al-Nusra en/of hun leiders en/of de gewapende Jihadstrijd worden verheerlijkt en waarvoor propaganda wordt gevoerd en/of waarin het na enkele weken terugkeren uit Syrië wordt afgekeurd en/of waarin Allah wordt gesmeekt om een overwinning voor Abu Bakr al-Baghdadi, IS(IS) en Jabhat al-Nusra ([zaaksdossier A] p. 1392, 2073-2075),

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben; en/of

C. het maken van diverse filmpjes en/of het plaatsen en/of het delen van diverse filmpjes op/via (hyperlinks naar) de website www.youtube.com, te weten:

  • -

    de film “een oproep aan de Broeders en Zusters op te staan voor Syrië” (Zaaksdossier B p. 43-44 en [zaaksdossier A] p. 938-942); en/of

  • -

    de film “oh oh Aleppo” ([zaaksdossier A] p. 600, Zaaksdossier B p. 936-937 en Zuur p. 657-670); en/of

  • -

    de film “erkennen kalifaat” ([zaaksdossier A] p. 1344-1345); en/of

  • -

    de film “video Al Adnani” inhoudende een audioboodschap van Al-Adnani ([zaaksdossier A] p. 1208-1229),

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben; en/of

D. het plaatsen van berichten en/of filmpjes op diverse (andere) social media (zoals twitter en/of Facebook te weten

Facebookberichten op van of gedeeld door “[Facebooknaam verdachte]” en/of “[bijnaam verdachte]” en/of “[naam II]” en/of “[naam III]”, althans verdachte en/of zijn mededader(s), te weten:

- in de periode van 2 december 2013 tot en met 30 april 2014 met daarin propaganda en/of verheerlijking van het martelaarschap in het kader van de gewapende Jihadstrijd en/of het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of de terroristische organisaties IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra ([zaaksdossier A] p. 1244-1343 - gehele profiel [naam I]), te weten:

• berichten waarin direct wordt opgeroepen af te reizen naar Syrië en/of deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd (berichten 16, 17, 24 en 128); en/of

• berichten waarin martelaren en/of de martelaarsdood wordt/worden verheerlijkt en waarin gesuggereerd wordt dat het deelnemen aan de jihadstrijd een nastrevenswaardig doel is en dat het sterven in die strijd het hoogst haalbare is, en dus navolging verdient (Berichten 55, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 68, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 80, 81, 82, 83, 84,85, 114, 115, 116, 117, 118, 135, 149, 173, 174, 176, 179, 304 en 310); en/of

• berichten over (Nederlandse) strijders waarin de jihadstrijd een hoge morele waardering krijgt net als de deelnemers aan die strijd en de suggestie wekken dat deze deelnemers navolging verdienen. (Berichten 9, 18, 19, 27, 28, 51, 54, 56, 57, 58, 59, 86, 87 (2x), 88, 89, 90, 91, 92, 93, 94, 95, 96, 97, 100, 101, 104, 105, 106, 110, 177, 211, 212, 221, 222, 281 en 329); en/of

• berichten over of met afbeeldingen van kinderen met wapens, waarin geappelleerd wordt aan de mannelijkheid van jongeren die reeds deelnemen aan de gewapende jihadstrijd en waarin de suggestie wordt gewekt dat deze jongeren navolging verdienen. (Berichten 21, 22, 32, 33, 46, 47, 48, 50 en 308); en/of

• berichten met afbeeldingen van hartverscheurende taferelen die suggereren dat de kijker iets aan deze situatie moet gaan doen (Berichten 14, 15, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 316 en 322); en/of

• berichten met afbeeldingen van een zwarte vlag met daarop in witte letters/tekenen de Arabische tekst van de islamitische geloofsbelijdenis inhoudende dat er geen god is dan Allah en in de witte cirkel/het zegel in zwarte letters/tekenen de Arabische tekst dat Mohammed zijn profeet is (de zogenoemde IS-vlag/zegelvlag), in combinatie met wapens of strijdtaferelen die de gewapende strijd verheerlijken en door de directe link met de actuele strijd in Syrië en/of Irak tevens een aansporing inhouden om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië en/of Irak (Afbeelding 3 en 7, Berichten 52, 65, 123, 178, 204 (2x), 205 en 262) en/of

• berichten die de gewapende jihadstrijd (al dan niet in Syrië en/of Irak) verheerlijken en/of propaganda bevatten voor IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra en/of (een) andere terroristische organisatie(s)/ groepering(en) (Afbeeldingen 1, 2, 4 en 5; Berichten 6, 23, 26, 29, 30, 31, 34, 35, 36, 49, 98, 99, 102, 103, 111, 112, 119, 120, 124, 125, 126, 127, 129, 130, 131, 132, 133, 134, 136, 137, 138, 139, 140, 141, 142, 143, 144, 145, 146, 147, 148, 150, 151, 152, 153, 154, 155, 156, 157, 158, 159, 160, 161, 162, 163, 164, 165, 166, 167, 168, 169, 170, 171, 172, 175, 180, 181, 182, 183, 184, 185, 186, 187, 188, 189, 190, 191, 192, 193, 194, 195, 196, 197, 198, 199, 200, 201, 202, 203, 206, 207, 208, 209, 210, 213, 214, 215, 216 (2x), 218, 219, 220, 223, 224, 225, 226, 227, 228, 229, 230, 231, 232, 233a, 233b, 234, 235, 236, 237, 238, 239, 240, 241, 242, 243, 244, 245, 246, 247, 248, 249, 250, 251, 252, 253, 254, 255, 256, 257, 258, 259, 260, 261, 265, 266, 267, 268, 269, 270, 271, 273, 276, 277, 278, 279, 280, 282, 283, 284, 286, 287, 288, 289, 290, 291, 292, 293, 294, 295, 296, 297, 298, 299, 300, 301, 302, 303, 305, 306, 307, 309, 311, 312, 313, 314, 315, 317, 318, 319, 321, 323, 324, 325, 327, 328, 330, 331, 332, 333, 334, 335, 336, 337, 338, 339, 340, 341, 342, 343, 344, 345, 346, 347, 348, 349, 350, 351 en 352); en/of

18 mei 2014 een bericht “Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en Shaam levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië. Deel 4 van de buitengewone serie Salilu Sawarim:

http://m.youtube.com/watch?v=rwop8h6htqq” zijnde een film van IS(IS) met Nederlandse ondertiteling, met een speelduur van ongeveer één uur met daarin zeer gewelddadige beelden van IS(IS) ter propaganda en/of verheerlijking en/of gewenning aan geweld ten behoeve van de terroristische organisatie IS(IS) ([zaaksdossier A] p. 586-595 en 647); en/of

  • -

    op 19 augustus 2014 het delen van zoektermen naar de link voor de film met betrekking tot de onthoofding van journalist James Foley door IS(IS), waarmee propaganda en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd door IS(IS) wordt gevoerd en/of gewenning aan geweld ten behoeve van de terroristische organisatie IS(IS) wordt gekweekt ([zaaksdossier A] p. 1350); en/of

  • -

    op 20 augustus 2014 een bericht inhoudende: “De Amerikaan op de video is kaalgeschoren, als boodschap aan de Obama administratie en het scheren van de haarden en haren van broeders op Gitmo. Ze geven een bericht aan de soldaten van de VS, want een invasie zal zeker komen, vroeg of laat! Dit #IS leger lijkt enorme dorst te hebben naar Amerikaans leger bloed”, waarmee propaganda en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd door IS(IS) wordt gevoerd ([zaaksdossier A]

p. 1351),

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben.

Artikel 131 en 47 Wetboek van Strafrecht

EN/OF

2B (tweede cumulatief/alternatief): medeplegen van verspreiding van tot een terroristisch misdrijf opruiend materiaal

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014,

te Den Haag en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal

een geschrift(en) en/of afbeelding(en) en/of (audio)bestand(en) waarin tot enig strafbaar feit of

tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, terwijl datgeen waartoe bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,

te weten het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,

heeft verspreid, openlijk tentoongesteld en/of aangeslagen,

terwijl hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat in het geschrift en/of afbeelding en/of (audio)bestand zodanige opruiing voorkomt,

en/of met gelijke wetenschap of gelijke reden tot vermoeden de inhoud van deze geschriften en/of afbeeldingen en/of (audio)bestanden openlijk ten gehore heeft gebracht,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

A. de website van [Website A] (mede) beheerd en/of gestuurd op de inhoud van deze website en/of meegewerkt aan de inhoud van deze website en/of op deze website lezingen en/of andere berichten en/of al dan niet zelfgeschreven publicaties geplaatst en/of laten plaatsen, te weten:

  • -

    de videofragmenten “Het Graf - Aboe Yazeed” en/of “Jihaad voor Allah - Aboe Yazeed” en/of “Drie grote tekenen voor de Dag des Oordeels - Aboe Yazeed” (Zaaksdossier B p. 83-91 en Algemeen dossier ordner III p. 68-88); en/of

  • -

    opiniebijdragen van [bijnaam verdachte] op de website van [Website A], te weten: “Hoewel ISIS wordt aangevallen roept zij tot verbroedering” en/of “Iedereen is schuldig, behalve wij” en/of “AIVD het traject van leugens en bedrog” en/of “Het is tijd om toe te geven: Al Qaida wint de oorlog” en/of artikelen en/of beeldmateriaal, telkens ter propaganda en/of goedkeuring van de gewapende Jihadstrijd en/of terroristische organisaties zoals IS(IS) en/of Al Qaida in de periode van 1 mei 2013 tot en met 30 april 2014 (Zaaksdossier B p. 1219-1228); en/of

  • -

    artikelen en/of berichten en/of lezingen op de website [Website A] in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014 betreffende propaganda voor en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd, te weten: “VS voorzien de zionistische staat van nieuwe munitie” en/of “OM gaat islamvlaggen verbieden tijdens demonstraties” en/of “IS boekt grote overwinning op Koerdische strijders” en/of “VS geven gewoon extra geld voor Israëlisch raketafweersysteem” en/of “IS verovert grootse Christelijke stad in Irak en bereikt Koerdistan” en/of “Schilderswijk laat neo-nazimars niet doorlopen” en/of “IS-aanhangers duiken onder, aldus een koerier op een scooter” (Zaaksdossier B p. 1254-1277),

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben; en/of

B. (digitale) radiozender Ghurabaa (mede) beheerd en/of opgetreden als contactpersoon voor deze radiozender en/of overlegd over de inhoud en/of via deze radiozender uitgezonden en/of op welke radiozender lezingen, liederen en/of andere geluidsfragmenten ten gehore gebracht, te weten:

- lezingen van Anwar al-Awlaki, te weten: “Hijrah” en “Jihad with the messenger of Allah”, welke Anwar al-Awlaki de gewapende Jihad legitimeert (Zaaksdossier B 214-228 en Algemeen Dossier III p. 15-21); en/of

  • -

    liederen, welke liederen de gewapende Jihadstrijd verheerlijken en/of daartoe oproepen, te weten: “De blanke tirannie” (Abou Hafs) en/of “Je hebt overwonnen” (Abu Hafs) en/of “Het Paradijs” (Abu Hafs) en/of “De overwinning” en/of “O de Natie van Islam” en/of “Een waardevolle natie” (Zaaksdossier B p. 228-235 en Algemeen Dossier III p. 7-14 en p. 22); en/of

  • -

    een lezing van [medeverdachte B] op 14 februari 2014, waarin IS(IS) en Jabhat al-Nusra en/of hun leiders en/of de gewapende Jihadstrijd worden verheerlijkt en waarvoor propaganda wordt gevoerd en/of waarin het na enkele weken terugkeren uit Syrië wordt afgekeurd en/of waarin Allah wordt gesmeekt om een overwinning voor Abu Bakr al-Baghdadi, IS(IS) en Jabhat al-Nusra ([zaaksdossier A] p. 1392, 2073-2075),

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben; en/of

C. diverse filmpjes gemaakt en/of geplaatst en/of gedeeld op/via (hyperlinks naar) de website www.youtube.com, te weten:

  • -

    de film “een oproep aan de Broeders en Zusters op te staan voor Syrië” (Zaaksdossier B p. 43-44 en [zaaksdossier A] p. 933-942); en/of

  • -

    de film “oh oh Aleppo” ([zaaksdossier A] p. 600, Zaaksdossier B p. 936-937 en Zuur p. 657-670); en/of

  • -

    de film “erkennen kalifaat” ([zaaksdossier A] p. 1344-1345); en/of

  • -

    de film “video Al Adnani”, inhoudende een audioboodschap van Al-Adnani ([zaaksdossier A] p. 1208-1229),

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge opruiend karakter hebben; en/of

D. berichten en/of filmpjes geplaatst op diverse (andere) social media (zoals twitter en/of Facebook, te weten:

Facebookberichten geplaatst op van of gedeeld door “[Facebooknaam verdachte]” en/of “[bijnaam verdachte]” en/of “[naam II]” en/of “[naam III]”, althans verdachte en/of zijn mededader(s), te weten:

- in de periode van 2 december 2013 tot en met 28 april 2014 met daarin propaganda en/of verheerlijking van het martelaarschap in het kader van de gewapende Jihadstrijd en/of het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of de terroristische organisaties IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra ([zaaksdossier A] p. 1244-1343 - gehele profiel [naam I]), te weten:

• berichten waarin direct wordt opgeroepen af te reizen naar Syrië en/of deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd (berichten 16, 17, 24 en 128); en/of

• berichten waarin martelaren en/of de martelaarsdood wordt/worden verheerlijkt en waarin gesuggereerd wordt dat het deelnemen aan de jihadstrijd een nastrevenswaardig doel is en dat het sterven in die strijd het hoogst haalbare is, en dus navolging verdient (Berichten 55, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 68, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 80, 81, 82, 83, 84, 85, 114, 115, 116, 117, 118, 135, 149, 173, 174, 176, 179, 304 en 310); en/of

• berichten over (Nederlandse) strijders waarin de jihadstrijd een hoge morele waardering krijgt net als de deelnemers aan die strijd en de suggestie wekken dat deze deelnemers navolging verdienen. (Berichten 9, 18, 19, 27, 28, 51, 54, 56, 57, 58, 59, 86, 87 (2x), 88, 89, 90, 91,92, 93, 94, 95, 96, 97, 100, 101, 104, 105, 106, 110, 177, 211, 212, 221, 222, 281 en 329); en/of

• berichten over of met afbeeldingen van kinderen met wapens, waarin geappelleerd wordt aan de mannelijkheid van jongeren die reeds deelnemen aan de gewapende jihadstrijd en waarin de suggestie wordt gewekt dat deze jongeren navolging verdienen. (Berichten 21, 22, 32, 33, 46, 47, 48, 50 en 308); en/of

• berichten met afbeeldingen van hartverscheurende taferelen die suggereren dat de kijker iets aan deze situatie moet gaan doen (Berichten 14, 15, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 316 en 322); en/of

• berichten met afbeeldingen van een zwarte vlag met daarop in witte letters/tekenen de Arabische tekst van de islamitische geloofsbelijdenis inhoudende dat er geen god is dan Allah en in de witte cirkel/het zegel in zwarte letters/tekenen de Arabische tekst dat Mohammed zijn profeet is (de zogenoemde IS-vlag/zegelvlag), in combinatie met wapens of strijdtaferelen die de gewapende strijd verheerlijken en door de directe link met de actuele strijd in Syrië en/of Irak tevens een aansporing inhouden om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië en/of Irak (Afbeelding 3 en 7, Berichten 52, 65, 123, 178, 204 (2x), 205 en 262); en/of

- berichten die de gewapende jihadstrijd (al dan niet in Syrië en/of Irak) verheerlijken en/of propaganda bevatten voor IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra en/of (een) andere terroristische organisatie(s)/ groepering(en) (Afbeeldingen 1, 2, 4 en 5; Berichten 6, 23, 26, 29, 30, 31, 34, 35, 36, 49, 98, 99, 102, 103, 111, 112, 119, 120, 124, 125, 126, 127, 129, 130, 131, 132, 133, 134, 136, 137, 138, 139, 140, 141, 142, 143, 144, 145, 146, 147, 148, 150, 151, 152, 153, 154, 155, 156, 157, 158, 159, 160, 161, 162, 163, 164, 165, 166, 167, 168, 169, 170, 171, 172, 175, 180, 181, 182, 183, 184, 185, 186, 187, 188, 189, 190, 191, 192, 193, 194, 195, 196, 197, 198, 199, 200, 201, 202, 203, 206, 207, 208, 209, 210, 213, 214, 215, 216 (2x), 218, 219, 220, 223, 224, 225, 226, 227, 228, 229, 230, 231, 232, 233a, 233b, 234, 235, 236, 237, 238, 239, 240, 241, 242, 243, 244, 245, 246, 247, 248, 249, 250, 251, 252, 253, 254, 255, 256, 257, 258, 259, 260, 261, 265, 266, 267, 268, 269, 270, 271, 273, 276, 277, 278, 279, 280, 282, 283, 284, 286, 287, 288, 289, 290, 291, 292, 293, 294, 295, 296, 297, 298, 299, 300, 301, 302, 303, 305, 306, 307, 309, 311, 312, 313, 314, 315, 317, 318, 319, 321, 323, 324, 325, 327, 328, 330, 331, 332, 333, 334, 335, 336, 337, 338, 339, 340, 341, 342, 343, 344, 345, 346, 347, 348, 349, 350, 351 en 352); en/of

18 mei 2014 een bericht “Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en Shaam levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië. Deel 4 van de buitengewone serie Salilu Sawarin:

http://m.youtube.com/watch?v=rwop8h6htqq” zijnde een film van IS(IS) met Nederlandse ondertiteling, met een speelduur van ongeveer één uur met daarin zeer gewelddadige beelden van IS(IS) ter propaganda en/of verheerlijking en/of gewenning aan geweld ten behoeve van de terroristische organisatie IS(IS) ([zaaksdossier A] p. 586-588 en 647); en/of

- op 19 augustus 2014 het delen van zoektermen naar de link voor de film met betrekking tot de onthoofding van journalist James Foley door IS(IS), waarmee propaganda en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd door IS(IS) wordt gevoerd en/of gewenning aan geweld ten behoeve van de terroristische organisatie IS(IS) wordt gekweekt ([zaaksdossier A] p. 1350); en/of

- op 20 augustus 2014 een bericht inhoudende: “De Amerikaan op de video is kaalgeschoren, als boodschap aan de Obama administratie en het scheren van de baarden en haren van broeders op Gitmo. Ze geven een bericht aan de soldaten van de VS, want een invasie zal zeker komen, vroeg of laat! Dit #IS leger lijkt enorme dorst te hebben naar Amerikaans leger bloed”, waarmee propaganda en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd door IS(IS) wordt gevoerd ([zaaksdossier A] p. 1351),

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben; en/of

Facebookberichten binnen de (besloten) Facebookpagina [Facebookaccount A], waarin (kort gezegd) propaganda en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd door IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra wordt gevoerd door het plaatsen van berichten en/of films en/of afbeeldingen in dit kader en/of het (mede)beheren van die (besloten) Facebook [Facebookaccount A], te weten: een film met audioboodschap van Al Adnani ([zaaksdossier A] p. 1208-1229),

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben.

Artikel 132 en 47 Wetboek van Strafrecht

3A (eerste cumulatief/alternatief): deelname aan een terroristische organisatie

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014,

te Den Haag en/of elders in Nederland en/of te Irak en/of te Syrië,

heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit:

- [ medeverdachte B] (geboortedatum) en/of

- [ medeverdachte A] (geboortedatum) en/of

- [ medeverdachte D] (geboortedatum) en/of

-[medeverdachte E] (geboortedatum) en/of

- [ medeverdachte C] (geboortedatum) en/of

- [ medeverdachte F] (geboortedatum)

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, namelijk

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

B. doodslag (te) plegen met een terroristisch oogmerk en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

D. voorbereiding en/of bevordering van de misdrijven genoemd in artikel 176a Sr jo 157 Sr en/of 288a Sr jo 287 Sr en/of 289a Sr te begaan met een terroristisch oogmerk en/of

E. het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of van munitie van de categorieën II en/of III (te) begaan met een terroristisch oogmerk dan wel met het oogmerk om een

terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

Artikel 140a Wetboek van Strafrecht

EN/OF

3B (tweede cumulatief/alternatief): deelname aan een criminele organisatie

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014,

te Den Haag en/of elders in Nederland en/of te Irak en/of te Syrië,

heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit:

- [ medeverdachte B] (geboortedatum) en/of

- [ medeverdachte A] (geboortedatum) en/of

- [ medeverdachte D] (geboortedatum) en/of

- [ medeverdachte E] (geboortedatum) en/of

- [ medeverdachte C] (geboortedatum) en/of

- [ medeverdachte F] (geboortedatum)

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

A. het in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding opruien tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt en/of

B. het verspreiden, openlijk tentoon stellen en/of aanslaan en/of het ter verspreiding in voorraad hebben van geschriften en/of afbeeldingen, waarin tot enig strafbaar feit of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt en/of

C. het in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding aanzetten tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap en/of

D. het zich of een ander opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen of trachten te verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf dan wel zich kennis of vaardigheden daartoe verwerven of een ander bij brengen en/of

E. het zonder toestemming van de Koning werven voor de gewapende strijd, terwijl de gewapende strijd waarvoor wordt geworven, het plegen van (een) terroristisch(e)

misdrij(f)(ven) inhoudt en/of

F. het financieren van terrorisme en/of

G. opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977.

Artikel 140 Wetboek van Strafrecht

Dagvaarding II (parketnummer 09-765004-15)

Feit 1

(Zaak PL1500-2014 165022)

1A (eerste cumulatief/alternatief: aanzetten tot haat, discriminatie en geweld door twee of meer verenigde personen

hij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 4 juli 2014 en/of 24 juli 2014

te Den Haag, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen,

(telkens) in het openbaar, mondeling of hij geschrift of afbeelding heeft aangezet tot haat tegen en/of tot discriminatie van mensen (als bedoeld in artikel 90quater Wetboek van Strafrecht) en/of tot gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen, te weten de Joden, althans mensen van Joodse afkomst, (telkens) wegens hun ras en/of godsdienst,

door meermalen, althans eenmaal,

(telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

in het openbaar:

een zwarte vlag met daarop in witte letters/tekenen de Arabische tekst van de islamitische geloofsbelijdenis inhoudende dat er geen god is dan Allah en in de witte cirkel/het zegel in zwarte letters/tekenen de Arabische tekst dat Mohammed zijn profeet is (de zogenoemde IS-vlag/zegelvlag) te tonen/dragen; en/of

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

in het openbaar te roepen/zeggen:

  • -

    “Khabar Khabar ya Yahudm Yaish Mohammad Sawa ya’ud” en/of

  • -

    ‘Khaybar Khaybar, ya yahud, Jaish Muhammad, sa yahud” en/of

  • -

    “Khaybar, Khaybar, ya yahud, jaishu Mohammed sa ya’ud”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

en/of

  • -

    “Moeten de effecten van de Europeanen voelen door onze eigen heilige land aan die vuile Joden te geven” en/of

  • -

    “Wij blijven spreken totdat Shaam gezuiverd wordt van deze Joden.” (…) “Ja, we spreken van de Joden. Zijn de Joden niet diegene die in het gebied wonen? Zijn de Joden niet diegene die in 1948 naar Shaam zijn geëmigreerd? Ja dat zijn de Joden. Mensen noemen hen Zionisten, maar wij noemen hen Joden.”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

en/of

- “ “Dood aan de Zionist. Vuile Joden. Dood aan de Zionist”, althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking.

Artikel 137d Wetboek van Strafrecht

EN/OF

1B (tweede cumulatief/alternatief) belediging van groep mensen door twee of meer verenigde personen

hij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 4 juli 2014 en/of 24 juli 2014,

te Den Haag in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

zich (telkens) in het openbaar, mondeling en/of bij geschrift of afbeelding opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten de Joden, althans mensen van Joodse afkomst,

wegens hun ras en/of godsdienst, door opzettelijk beledigend:

een zwarte vlag met daarop in witte letters/tekenen de Arabische tekst van de islamitische geloofsbelijdenis inhoudende dat er geen god is dan Allah en in de witte cirkel/het zegel in zwarte letters/tekenen de Arabische tekst dat Mohammed zijn profeet is (de zogenoemde IS-vlag/zegelvlag) te tonen en/of te dragen; en/of

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen

in het openbaar (tijdens een of meerdere demonstratie(s) te roepen/zeggen:

  • -

    “Khabar Khabar ya Yahudm Yaish Mohammad Sawa ya’ud” en/of

  • -

    “Khaybar Khaybar, ya yahud, Jaish Muhammad, sa yahud” en/of

  • -

    “Khaybar, Khaybar, ya yahud, jaishu Mohammed sa ya’ud”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

en/of

  • -

    “Moeten de effecten van de Europeanen voelen door onze eigen heilige land aan die vuile Joden te geven.” en/of

  • -

    “Wij blijven spreken totdat Shaam gezuiverd wordt van deze Joden.” (…) “Ja, we spreken van de Joden. Zijn de Joden niet diegene die in het gebied wonen? Zijn de Joden niet diegene die in 1948 naar Shaam zijn geëmigreerd? Ja dat zijn de Joden. Mensen noemen hen Zionisten, maar wij noemen hen Joden.”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

en/of

- “ “Dood aan de Zionist. Vuile Joden. Dood aan de Zionist”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking.

Artikel 137c Wetboek van Strafrecht

2: smaadschrift ambtenaar

(Zaak PL1500-2014172841)

hij op of omstreeks 27 juli 2014 te Den Haag, in elk geval in Nederland,

opzettelijk, door middel van verspreiding en/of het openlijk tentoonstellen en/of aanslaan van een afbeelding en/of een geschrift,

de eer en/of de goede naam van [betrokkene B] (zijnde politieambtenaar van politie-eenheid Den Haag gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening) heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven,

immers heeft verdachte met voormeld doel een afbeelding (met daarop afgebeeld [betrokkene B] in politie-uniform) en/of (daarbij) de tekst “De agenten op hoefkade deden hard mee met anti-joden protest, zoals het genoemd werd. Zelfs met ‘ISIS vlag’ wapperen!” (afbeelding en/of geschrift weergegeven op pagina 10) verspreid en/of tentoongesteld en/of aangeslagen door deze via zijn, verdachtes, Twitteraccount te verspreiden.

Artikel 261 en 267 Wetboek van Strafrecht

1 TK 2003-2004, 28 463, nr. 10 p. 12

2 Ibid. blz. 30. Zie ook: www.memri.org, January 24, 2012. New Jihad Group in Syria Announces Its Establishment. “A new jihad group, Jabhat Al Nusra Li-Ahl Al-Sham, (….) whose goal is to topple the Syrian regime, has released a video announcing its establishment. The 16 minute video, wich was produced by the group’s media company Al-Manara Al-Baida, was posted January 24, 2012 on the jihadi forum Shumoukh Al-Islam after a two day promotion campaign that included large banners and a countdown to the release.”

3 Report of the IICISAR, A/HRC/25/65, d.d. 12.02.2014, p. 8.

4 Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding 2002/475/JBZ, PbEG L 164 van 22 juni 2002, p.4. Overweging 11 van de Preambule luidt: Dit kaderbesluit is niet van toepassing op handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal recht, noch is het van toepassing op handelingen ondernomen door strijdkrachten van een staat bij de uitoefening van hun officiële taken, voor zover onderworpen een andere bepalingen van internationaal recht.

5 HR 4 april 2017, ECLI:NL:2017:577, NJ 2018, 108.

6 Zie (met veel verdere gegevens) nrs. 197-201 van de cpg van A-G Hofstee vóór HR 4 april 2017 ECLI:NL:HR:2017:575, NJ 2018,107.

7 J. Remmelink, ‘Het recht van verzet als strafuitsluitingsgrond, Liber Amicorum Th.W. van Veen, 1985, p. 319 e.v.