Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1234

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
24-05-2018
Zaaknummer
22-003085-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Steekpartij Honselersdijk. Het hof spreekt de verdachte in hoger beroep vrij van (medeplegen) poging tot doodslag en poging zware mishandeling, aangezien niet bewezen is dat de verdachte het slachtoffer heeft gestoken en evenmin blijkt dat sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededader gericht op de primair tenlastegelegde poging tot doodslag dan wel de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Meer in het bijzonder blijkt niet dat het (al dan niet voorwaardelijk) opzet van de verdachte gericht was op het aan het slachtoffer toebrengen van zwaar of zelfs dodelijk letsel. Het hof acht wel bewezen dat de verdachte het slachtoffer tegen het hoofd heeft gestompt. Veroordeling wegens openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Het incident heeft plaatsgevonden ten overstaan van vele omstanders en houdt verband met een conflict over de verkoop van verdovende middelen tussen de mededader en het slachtoffer. Het hof veroordeelt de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003085-17

Parketnummer: 09-857635-16

Datum uitspraak: 2 mei 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 juni 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1994,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 18 april 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 02 september 2016 te Honselersdijk, gemeente Westland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes en/of een schroevendraaier, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, tweemaal, althans één of meerdere ma(a)l(en) heeft gestoken in de rug en/of de schouder, althans in het lichaam van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 02 september 2016 te Honselersdijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes en/of een schroevendraaier, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, tweemaal, althans één of meerdere ma(a)l(en) heeft gestoken in de rug en/of de schouder, althans in het lichaam van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 2 september 2016 te Honselersdijk, gemeente Westland, openlijk, te weten Wollebrand/Broekpolderlaan, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] door die [slachtoffer] (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in zijn (boven)lichaam (rug en/of arm/oksel) te steken tegen het hoofd te stompen en/of te schoppen terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten (een) steekwond(en) in zijn rug en/of arm/oksel en/of een klaplong en/of kneuzingen en/of zwellingen aan het hoofd, voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

2:
hij op of omstreeks 14 september 2016 te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 11 verpakkingen inhoudende netto ongeveer 5,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring.

Vrijspraken

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het slachtoffer heeft gestoken. Evenmin blijkt dat sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededader gericht op de primair tenlastegelegde poging tot doodslag dan wel de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Meer in het bijzonder blijkt niet dat het (al dan niet voorwaardelijk) opzet van de verdachte gericht was op het aan het slachtoffer toebrengen van zwaar of zelfs dodelijk letsel. Derhalve is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (medeplegen van) poging doodslag dan wel (medeplegen van) poging zware mishandeling.

De verdachte behoort dan ook te worden vrijgesproken van hetgeen aan hem onder feit 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:

hij op of omstreeks 2 september 2016 te Honselersdijk, gemeente Westland, openlijk, te weten aan de Wollebrand/Broekpolderlaan, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] door die [slachtoffer] (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in zijn (boven)lichaam (rug en/of arm/oksel) te steken en tegen het hoofd te stompen en/of te schoppen terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten (een) steekwond(en) in zijn rug en/of arm/oksel en/of een klaplong en/of kneuzingen en/of zwellingen aan het hoofd, voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer. Door aldus te handelen heeft de verdachte een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, dat als gevolg van het gebeuren lichamelijk letsel heeft opgelopen. Een feit als het onderhavige versterkt in de samenleving levende gevoelens van angst en de onveiligheid op straat. Temeer nu dit incident heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag en ten overstaan van vele omstanders.

Uit het dossier komt naar voren dat er in korte tijd meerdere forse incidenten hebben plaatsgevonden tussen het slachtoffer en diens familie aan de ene kant en de oom, tevens mededader, van de verdachte aan de andere kant. Deze incidenten blijken onderdeel te zijn van een conflict over de verkoop van verdovende middelen tussen de mededader en het slachtoffer. Hoewel het erop lijkt dat de verdachte geen onderdeel is van het conflict, is het echter wel zorgelijk dat hij een rol heeft gespeeld bij het openlijk geweld tegen het slachtoffer.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 april 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld wegens een geweldsdelict.

Het hof heeft voorts kennis genomen van een reclasseringsrapport d.d. 22 maart 2017.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat rechtens geldt dan wel gold.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. van de Poll,

mr. G. Knobbout en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. L.A. Haas.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 mei 2018.