Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1227

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
24-05-2018
Zaaknummer
22-005550-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met aftrek van voorarrest, wegens mishandeling van twee personen. Beroep op noodweer wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005550-16

Parketnummer: 10-170073-16

Datum uitspraak: 21 maart 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 29 november 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboortplaats] op [geboortejaar] 1957,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 12 september 2017 en 7 maart 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 16 augustus 2016 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (met) een bierfles, althans een glazen en/of hard en/of breekbaar voorwerp op/tegen het hoofd van die [benadeelde partij] heeft geslagen en/of gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot vervolging mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 16 augustus 2016 te Dordrecht [benadeelde partij] heeft mishandeld door (met) een bierfles, althans een glazen en/of hard en/of breekbaar voorwerp op/tegen het hoofd van die [benadeelde partij] te slaan en/of te gooien;

2:
hij op of omstreeks 16 augustus 2016 te Dordrecht – [benadeelde partij] heeft mishandeld door deze meermalen, (telkens) met kracht, op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of - [benadeelde partij 2] heeft mishandeld door deze met kracht, op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam te slaan en/of te stompen.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverwegingen


Inleiding

De verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [benadeelde partij] door hem met een bierflesje te slaan (feit 1), alsmede aan mishandeling van [benadeelde partij] en [benadeelde partij 2] door hen op of tegen het hoofd te slaan of te stompen. De verdachte heeft ontkend de aan hem ten laste gelegde feiten te hebben gepleegd. Hij stelt dat hij zelf is aangevallen en dat hij zich alleen heeft losgerukt en niemand heeft geslagen.

Verklaring verdachte

De verdachte heeft op 17 augustus 2016 aangifte gedaan van mishandeling. Hij heeft verklaard dat hij in [café], gevestigd op de [adres] te Dordrecht, mishandeld is door een voor hem onbekende man. Dit zou gebeurd zijn op 16 augustus 2016 tussen 20.30 uur en 20.43 uur. Gelet hierop stelt het hof vast dat de verdachte op 16 augustus 2016 aanwezig is geweest in [café].1

Verklaring aangever [benadeelde partij]

Op 16 augustus 2016 heeft [benadeelde partij] bij de politie aangifte gedaan van mishandeling, welk incident had plaatsgevonden in [café], gevestigd op [adres] te Dordrecht. Hij heeft hiertoe verklaard dat het incident rond 20.35 die avond plaatsvond. Hij stond binnen in het café en zag daar een voor hem onbekende man, gekleed in een blauw shirt en met een kaal hoofd. De man kwam op hem aflopen en viel hem direct aan. [benadeelde partij] zag en voelde dat de man hem opzettelijk en met kracht met gebalde vuisten in zijn gezicht sloeg. Hij voelde een stekende pijn. Hij zag dat de barman (het hof begrijpt: [benadeelde partij 2]) tussen hen beiden kwam staan en [benadeelde partij] zag dat de man ook de barman opzettelijk sloeg. [benadeelde partij] had op dat moment een camera om zijn nek hangen. [benadeelde partij] heeft verder verklaard dat hij daarna naar buiten is gelopen en dat de man in het blauwe shirt, zijnde de man die later door de politie is aangehouden, achter hem aan kwam. Deze man had op dat moment ook een bierfles in zijn handen. [benadeelde partij] zag en voelde dat de man vervolgens de bierfles in de richting van zijn gezicht gooide of sloeg. Hij voelde daarna een stekende pijn in zijn kin en voelde dat er bloed uit zijn kin kwam.2

Verklaring [benadeelde partij 2]

De barman, zijnde [benadeelde partij 2], heeft ook aangifte gedaan van mishandeling. Hij heeft verklaard dat hij op 16 augustus 2016 mishandeld is door [verdachte]. [benadeelde partij 2] was op dat moment werkzaam in [café] aan [adres] te Dordrecht. Hij zag dat [verdachte] het café binnen kwam lopen. Kort hierna kwam [benadeelde partij] het café binnen. [benadeelde partij 2] zag dat [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte], de verdachte) richting [benadeelde partij] liep en hem aanviel. Op dat moment kwam [benadeelde partij 2] tussen beiden en hij zag en voelde dat hij een klap met zijn (het hof begrijpt: verdachtes) rechtervuist kreeg. [benadeelde partij 2] had geen uitwendig letsel, maar voelde veel pijn aan zijn linker aangezicht.3

Verklaring getuige [getuige]

Op 16 augustus 2016 is gehoord als getuige [getuige]. [getuige] heeft verklaard dat hij die avond met een vriendin en de man die geslagen heeft [café] binnen is gegaan en dat hij buiten aan een tafeltje heeft gezeten. Hij hoorde gescheld uit de kroeg komen en zag deze man (het hof begrijpt: de man die geslagen heeft) naar buiten komen. [getuige] zag dat er ook een fotograaf aan kwam lopen (het hof begrijpt [benadeelde partij]). Hij hoorde dat de man tegen de fotograaf begon te schelden. [getuige] zag dat de man een fles bier in zijn handen had en hiermee de fotograaf vol op zijn gezicht sloeg.4

Beoordeling

Gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven is het hof van oordeel dat het de verdachte is geweest die in het café is begonnen met het gebruik van geweld en later buiten het café [benadeelde partij] heeft geslagen met een bierfles. Het hof is, met de advocaat-generaal, van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging om [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (feit 1 primair) en zal de verdachte hiervan dan ook vrijspreken. Het hof acht evenwel bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [benadeelde partij] door hem met de vuisten en met een bierfles te slaan en aan mishandeling van [benadeelde partij 2] door hem te slaan.

Gevoerd verweer

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep toekomt op noodweer en dient te worden vrijgesproken. Zij heeft hiertoe aangevoerd, kort en zakelijk weergegeven, dat de verdachte in het café werd aangevallen en dat hij hierop reageerde.

Het hof acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt zijn weerlegging in de aan de wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden zoals hiervoor beschreven onder het kopje ‘bewijsoverwegingen’.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor waartegen de verdachte zich moest verdedigen.

Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 subsidiair:
hij op of omstreeks 16 augustus 2016 te Dordrecht [benadeelde partij] heeft mishandeld door (met) een bierfles, althans een glazen en/of hard en/of breekbaar voorwerp op/tegen het hoofd van die [benadeelde partij] te slaan en/of te gooien;

2:
hij op of omstreeks 16 augustus 2016 te Dordrecht [benadeelde partij] heeft mishandeld door deze meermalen, (telkens) met kracht, op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of [benadeelde partij 2] heeft mishandeld door deze met kracht, op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam te slaan en/of te stompen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft twee personen mishandeld. Door deze mishandeling heeft de verdachte de slachtoffers niet alleen pijn (en letsel) toegebracht, maar ook gevoelens van onveiligheid bij de slachtoffers en bij personen die hiervan getuige zijn geweest veroorzaakt. De mishandelingen hebben op een zomeravond plaatsgevonden in en buiten een café.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 februari 2018. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder al onherroepelijk is veroordeeld voor een geweldsdelict en wel tot gevangenisstraffen en tot een taakstraf, welke taakstraf is uitgevoerd.

Het hof betrekt in zijn oordeel eveneens als matigende factor de omstandigheid dat het voorval in het café, zoals blijkt uit een foto die zich in het dossier bevindt, ook tot enig letsel van de verdachte zelf heeft geleid.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 830,00 (€ 230,- materieel en € 600,- immaterieel).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 830,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering, nu deze niet voldoende onderbouwd is.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 200,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 200,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22b, 36f, 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 200,00 (tweehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 16 augustus 2016.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 200,00 (tweehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 16 augustus 2016.

Dit arrest is gewezen door mr. H. van den Heuvel,

mr. A.J.M. Kaptein en mr. Chr.A. Baardman, in bijzijn van de griffier mr. L.A. Haas.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 maart 2018.

1 Proces-verbaal van aangifte d.d. 17 augustus 2016, PL1700-2016268304-1, blz. 22.

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 16 augustus 2016, PL1700-2016267432-1, blz. 13.

3 Proces-verbaal van aangifte d.d. 16 augustus 2016, PL1700-2016267458-1, blz. 19.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 16 augustus 2016, PL1700-2016267432-5, blz. 30.