Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1212

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
04-07-2018
Zaaknummer
200.205.334/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 143 lid 2 Rv. Geen daad van bekendheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.205.334/01

Rolnummer rechtbank : 4984622 RL EXPL 16-10885

arrest van 29 mei 2018

inzake

D. [appellante] HOLDING B.V.

gevestigd te Monster, gemeente Westland,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. E. Spijer te Honselersdijk,

tegen

Nely [geïntimeerde] ,

wonende te Monster, gemeente Westland,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

niet verschenen.

Het geding

Bij exploot van 14 november 2016 heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 18 augustus 2016. [appellante] heeft bij memorie van grieven (met producties) één grief aangevoerd. Vervolgens is een datum voor arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

De feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

1.1

Sinds 27 augustus 2014 huurt [geïntimeerde] van [appellante] de woonruimte aan de [adres] tegen een huurprijs van € 676,- per maand. In de huurovereenkomst is bepaald dat de Algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte (hierna: de algemene bepalingen) van toepassing zijn. In de algemene bepalingen is onder meer een boete gesteld op het niet tijdig betalen van de huur.

1.2

[geïntimeerde] heeft een huurachterstand laten ontstaan. [appellante] heeft [geïntimeerde] tevergeefs gesommeerd de achterstallige huur te betalen.

De procedure in eerste aanleg

2.1

Bij dagvaarding van 26 augustus 2015 heeft [appellante] gevorderd, samengevat weergegeven:

- ontbinding van de huurovereenkomst;

- veroordeling van [geïntimeerde] tot ontruiming van de woning;

- veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 7.436,- aan achterstallige huur en € 8.250,- aan boete, een en ander te vermeerderen met rente;

- veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 676,- aan maandelijkse huur en € 750,- aan boete per maand dat zij na augustus 2015 in het gehuurde blijft;

-veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

2.2

De vorderingen van [appellante] zijn toegewezen bij verstekvonnis van 24 september 2015 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag (hierna: het verstekvonnis), met dien verstande dat de gevorderde maandelijkse boete is gematigd.

2.3

[geïntimeerde] heeft bij dagvaarding van 24 maart 2016 verzet tegen het verstekvonnis ingesteld. Zij heeft onder meer aangevoerd dat zij pas op 25 februari 2016 kennis heeft genomen van het verstekvonnis en dat zij die dag direct € 10.000,- aan [appellante] heeft betaald zodat de huurachterstand nog slechts € 816,- bedraagt. Ook heeft zij aangevoerd dat het boetebeding oneerlijk is.

[appellante] heeft vervolgens een akte genomen en zich op het standpunt gesteld dat [geïntimeerde] niet tijdig in verzet is gekomen en daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

2.4

Bij vonnis van 18 augustus 2016 (hierna: het bestreden vonnis) heeft de kantonrechter [geïntimeerde] ontvankelijk verklaard in het verzet, het verstekvonnis vernietigd, de vordering tot betaling van de huurachterstand toegewezen tot het bedrag van € 816,- (te vermeerderen met rente), de overige vorderingen (de boete) afgewezen en de proceskosten gecompenseerd. In het bestreden vonnis is, voor zover hier relevant, overwogen:

Het verstekvonnis is (…) op 4 februari 2016 niet in persoon betekend maar aan de dochter van [geïntimeerde] . [appellante] heeft als productie 3 een e-mail overgelegd met daarin een telefoonnotitie waaruit blijkt dat de schuldhulpverlening contact heeft opgenomen met de deurwaarder met betrekking tot de huurachterstand. Daaruit kan, anders dan [appellante] stelt, niet worden afgeleid dat [geïntimeerde] kennis heeft genomen van het vonnis zelf, maar slechts dat zij op de hoogte was van de huurachterstand. Naar het oordeel van de kantonrechter is aldus geen sprake van een door [geïntimeerde] gepleegde daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis eerder dan 25 februari 2016 aan haar bekend was”.

Het hoger beroep

3.1

Met haar grief komt [appellante] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] tijdig verzet heeft ingesteld. Samengevat weergegeven voert [appellante] het volgende aan:

- de betekening van het verstekvonnis heeft op 4 februari 2016 plaatsgevonden aan de dochter van [geïntimeerde] en het is ongeloofwaardig dat de dochter van [geïntimeerde] de ontvangst van het vonnis niet eerder dan drie weken na de betekening met haar moeder heeft gedeeld;

- de deurwaarder heeft de gemeente Westland er bij brief van 2 februari 2016 van op de hoogte gesteld dat op 25 februari 2015 een ontruiming zou plaatsvinden. Een ambtenaar van de gemeente Westland, [ambtenaar] (hierna: [ambtenaar] ), heeft naar aanleiding hiervan contact opgenomen met [geïntimeerde] en heeft ruim vóór 25 februari 2016 een gesprek met [geïntimeerde] gehad ter voorkoming van de ontruiming. Het is niet geloofwaardig dat de inhoud van het vonnis toen niet aan de orde is gekomen. [ambtenaar] heeft in een gesprek met [appellante] te kennen gegeven de zaak in ieder geval een week eerder, dus op 17 februari 2016, in behandeling te hebben genomen;

- op 19 februari 2016 heeft [ambtenaar] contact opgenomen met de deurwaarder om te bezien of de ontruiming kon worden voorkomen of uitgesteld. Ook naar aanleiding hiervan heeft [ambtenaar] contact gehad met [geïntimeerde] zodat [geïntimeerde] op de hoogte moet zijn geweest van het vonnis op grond waarvan ontruiming mogelijk was.

[appellante] heeft bewijs van haar stellingen aangeboden en in dat verband verwezen naar een door haar bij dit hof ingediend verzoek om een voorlopig getuigenverhoor ten behoeve van het horen van [geïntimeerde] , haar dochter, [ambtenaar] en de heer [appellante] .

3.2

[geïntimeerde] is in hoger beroep niet verschenen. Het hof zal ambtshalve beoordelen of de aangevoerde grief meebrengt dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd. In het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep dient hetgeen [geïntimeerde] in eerste aanleg heeft aangevoerd ook in hoger beroep in aanmerking te worden genomen.

3.3

Het gaat in deze zaak om de vraag of [geïntimeerde] tijdig verzet heeft ingesteld. In artikel 143 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is kort gezegd bepaald dat het verzet moet worden gedaan bij exploot van dagvaarding binnen vier weken na de betekening van het vonnis aan de veroordeelde in persoon, of na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is. Nu vast staat dat het verstekvonnis niet aan [geïntimeerde] in persoon is betekend moet dus worden beoordeeld of [geïntimeerde] vóór 25 februari 2016 (zie onder 2.3) een daad heeft gepleegd waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis haar bekend is.

3.4

Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat pas sprake is van een daad van bekendheid als bedoeld in artikel 143 lid 2 Rv indien de veroordeelde zelf een tegenover een derde kenbare gedraging heeft verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat hij over voldoende gegevens met betrekking tot (de inhoud van) zijn veroordeling beschikte om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten (vgl. o.a. HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4071 en HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ0652).

3.5

Uit hetgeen [appellante] heeft aangevoerd volgt niet dat [geïntimeerde] zelf een gedraging heeft verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat zij over voldoende gegevens met betrekking tot (de inhoud van) haar veroordeling beschikte. De stellingen van [appellante] (zie onder 3.1) komen er in de kern op neer dat verondersteld moet worden dat anderen – de dochter van [geïntimeerde] en/of [ambtenaar] – [geïntimeerde] op de hoogte hebben gebracht van de ontvangst dan wel de inhoud van het vonnis. De enkele veronderstelling dat anderen [geïntimeerde] op de hoogte zullen hebben gebracht levert echter geen daad van [geïntimeerde] op waaruit ondubbelzinnig de bekendheid met de strekking en de hoofdinhoud van het vonnis volgt. Verder is gesteld noch gebleken dat sprake is van een daad van bekendheid van een derde die in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als een daad van [geïntimeerde] en derhalve aan haar kan worden toegerekend. Het standpunt van [appellante] dat [geïntimeerde] niet tijdig in verzet is gekomen en daarom niet-ontvankelijk is, is dan ook terecht verworpen.

3.6

Aan het bewijsaanbod van [appellante] gaat het hof voorbij. Dat aanbod is onvoldoende specifiek, althans niet ter zake dienend. Voor zover al moet worden aangenomen dat [appellante] met het aanbod bedoeld heeft bewijs te leveren van de door haar gestelde feiten zoals weergegeven onder 3.1, dan kan dat bewijs niet leiden tot de door [appellante] beoogde niet-ontvankelijkheid. Zoals hiervoor overwogen volgt uit die gestelde feiten immers niet dat [geïntimeerde] een (aan haar toe te rekenen) daad van bekendheid als bedoeld in artikel 143 lid 2 Rv heeft verricht.

3.7

De conclusie is dat de grief faalt. Een proceskostenveroordeling blijft achterwege nu [geïntimeerde] niet is verschenen en dus geen kosten heeft gemaakt. [appellante] dient haar eigen kosten te dragen.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 18 augustus 2016.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.E. Honée, M.P.J. Ruijpers en G. Dulek-Schermers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 mei 2018 in aanwezigheid van de griffier.