Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1196

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
18-05-2018
Zaaknummer
200.220.503/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Omgang minderjarige met de ouders van de overleden moeder. Vader door voorzieningenrechter veroordeeld tot nakoming van geldende regeling op straffe van lijfsdwang/dwangsommen. Hof bekrachtigt. Daaraan doet niet af dat de rechtbank gedurende het verloop van de procedure in hoger beroep de grootouders de omgang met de minderjarige heeft ontzegd. Proceskostenveroordeling voor de vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.220.503/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : C/09/534024 / KG ZA 17-757

arrest in kort geding van 10 april 2018

inzake

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. G. van der Steen te ‘s-Gravenhage

tegen

1. [grootvader moederzijde] ,

2. [grootmoeder moederzijde] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk te noemen: de grootouders,

advocaat: mr. M.C. Reichmann te Amsterdam

Het geding

Bij exploot van 28 juli 2017 is de vader in hoger beroep gekomen van het vonnis in kort geding van 4 juli 2017 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag, gewezen tussen de grootouders als eisers in conventie en verweerders in reconventie en de vader als gedaagde in conventie en eiser in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen daarover is vermeld in rov. 1 van het bestreden vonnis.

Bij memorie van grieven heeft de vader negen grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord hebben de grootouders de grieven weersproken.

Nadien zijn bij het hof twee producties binnengekomen van de zijde van de grootouders, te weten op 13 februari 2018 (vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 2 februari 2018) en op 20 februari 2018 (beschikking van de rechtbank Den Haag van 16 februari 2018).

Op 23 februari 2018 hebben partijen hun standpunten bepleit en aansluitend arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de volgende feiten. De vader heeft een affectieve relatie gehad met [naam] (verder: de moeder). Uit deze relatie is geboren, de thans nog minderjarige: [naam] , op 4 [in] 2007 te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige). De grootouders zijn de ouders van de moeder.

2. De moeder is op 30 oktober 2013 overleden. De vader heeft vanaf 7 november 2013 in voorlopige hechtenis gezeten op verdenking van betrokkenheid bij de dood van de moeder. Na veroordeling door de rechtbank is de voorlopige hechtenis overgegaan in detentie welke geduurd heeft tot september 2016. Bij arrest van het hof Amsterdam van 17 mei 2017 is de vader vrijgesproken van betrokkenheid bij de dood van de moeder.

3. Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 27 juni 2014 is op verzoek van de grootouders een omgangsregeling vastgesteld, op grond waarvan de minderjarige bij de grootouders zal zijn:

  • -

    een weekend per maand van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend, alsmede;

  • -

    in het jaar 2014 één week in de zomervakantie;

  • -

    vanaf het jaar 2015 twee weken in de zomervakantie;

  • -

    met ingang van 2014 jaarlijks op tweede kerstdag met aansluitend een overnachting.

4. Bij vonnis in kort geding van 19 augustus 2014 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam zijn de vader en zijn toenmalige partner veroordeeld tot nakoming van de bij beschikking van 27 juni 2014 vastgestelde omgangsregeling, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte daarvan dat zij de omgangsregeling niet nakomen, met een maximum van € 5.000,-.

5. De bij beschikking van 27 juni 2014 vastgestelde omgangsregeling is bij beschikking van het hof ’s-Gravenhage van 4 februari 2015 bekrachtigd en aangevuld, in die zin dat het weekend per maand waarin de omgang tussen de grootouders en de minderjarige zal plaatsvinden, telkens het eerste weekend van de maand zal zijn, tenzij in dat weekend de ‘vader-kind dag’ in de penitentiaire inrichting van de vader zal plaatsvinden, in welk geval de minderjarige in het daaropvolgende weekend bij de grootouders zal zijn. De omgangsregeling die door de bodemrechter is vastgesteld zal hierna worden aangeduid als de reguliere omgangsregeling.

6. De vader is eind september 2016 uit detentie ontslagen (zie rov. 2). Sindsdien verblijft de minderjarige bij hem. De vader oefent het gezag over de minderjarige uit.

7. Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 2 juni 2017 is de beschikking van 27 juni 2014 nader uitgelegd. Volgens de voorzieningenrechter brengt een redelijke uitleg van de beschikking met zich dat bedoeld is om iedere maand, en dus ook in de vakanties, een weekend omgang tussen de grootouders en de minderjarige te laten plaatsvinden. In het kortgeding vonnis van 2 juni 2017 is de vader veroordeeld tot naleving van de reguliere omgangsregeling, op straffe van lijfsdwang waarvan de kosten moeten worden gedragen door de vader in die zin dat per keer dat de vader in gebreke blijft te voldoen aan de veroordeling tot uitvoering van de vastgestelde omgangsregeling, de grootouders gemachtigd worden de vader in gijzeling te doen stellen, telkens voor de duur van twee dagen.

8. Het kortgeding vonnis van 2 juni 2017 is op de voet van artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verbeterd op 21 juni 2017 en is op 22 juni 2017 aan de vader betekend.

9. In het weekend van vrijdag 2 juni tot en met maandag 5 juni 2017 heeft geen omgang plaatsgevonden tussen de grootouders en de minderjarige.

10. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter

in conventie:

  • -

    beslist dat de minderjarige vanaf maandagochtend 7 augustus tot en met maandagochtend 21 augustus 2017 bij de grootouders zal verblijven, waarbij de vader is bevolen om mee te werken aan de uitvoering van de omgang gedurende deze twee weken op straffe van lijfsdwang, inhoudende dat de grootouders worden gemachtigd de vader in gijzeling te doen stellen voor de duur van veertien dagen en indien gijzeling niet kan worden uitgevoerd, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag met een maximum van € 14.000,-;

  • -

    de vader veroordeeld, in aanvulling op het kortgeding vonnis van 19 augustus 2014 en in aanvulling op het kortgeding vonnis van 2 juni 2017, tot betaling van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor zover hij de reguliere omgangsregeling niet nakomt en de lijfsdwang niet toegepast kan worden, met een maximum van € 50.000,-;

  • -

    beslist dat de hiervoor genoemde dwangsommen vatbaar zijn voor matiging op de in rov. 4.10 en 4.11 van het bestreden vonnis vermelde wijze;

  • -

    de vader veroordeeld om de werkelijke kosten van het geding aan de grootouders te betalen, aan de zijde van de grootouders begroot op € 2.250,23;

  • -

    het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

  • -

    en het meer of anders gevorderde afgewezen.

in reconventie:

  • -

    het gevorderde zijdens de vader afgewezen;

  • -

    de vader veroordeeld om de kosten van het geding aan de grootouders te betalen, aan de zijde van de grootouders begroot op € 408,-;

  • -

    en de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

11. De vader is tijdig in hoger beroep gekomen van dit vonnis. Hij vordert in hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis vernietigt, en opnieuw rechtdoende:

  • -

    de grootouders in hun vorderingen in conventie niet-ontvankelijk verklaart dan wel deze vorderingen afwijst;

  • -

    de reguliere omgangsregeling opschort tot aan de datum van de beschikking in een door de vader aanhangig te maken bodemprocedure bij de rechtbank, waarin de vader de rechtbank zal verzoeken de Raad voor de Kinderbescherming te verzoeken te rapporteren en adviseren omtrent de wenselijkheid van voortzetting van de omgangsregeling en de wijze waarop die eventueel zou moeten plaatsvinden tussen de grootouders en de minderjarige;

  • -

    de grootouders veroordeelt in de kosten van beide instanties, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten te rekenen vanaf de termijn voor voldoening;

  • -

    een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

12. De grootouders hebben geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de vader althans om hem niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, het bestreden vonnis te bekrachtigen en de vader te veroordelen in de kosten van het hoger beroep, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

13. Tijdens het pleidooi heeft mr. Van der Steen zijn vordering om de reguliere omgangsregeling op te schorten, zoals hiervoor vermeld in rov. 11, tweede gedachtestreepje, ingetrokken. Reden hiervoor is dat de rechtbank Den Haag bij beschikking van 16 februari 2018 de grootouders het recht op omgang met de minderjarige heeft ontzegd.

Bespreking van de grieven

14. De vader heeft negen grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis. Grief 1 stelt de ontvankelijkheid van de grootouders aan de orde alsmede het spoedeisend belang van de grootouders bij de onderhavige kortgedingprocedure.

15. Anders dan de vader betoogt, heeft de voorzieningenrechter in eerste aanleg de grootouders in hun vordering kunnen ontvangen op de grond dat voldoende aannemelijk is geworden dat partijen in onderling overleg niet erin zullen slagen om afspraken te maken over de invulling van de omgangsregeling in de zomerperiode (7 augustus tot en met 21 augustus 2017). Aangezien tussen partijen verschil van mening bestaat over de inhoud en invulling van de reguliere omgangsregeling, de kortgedingrechter bij vonnis van 2 juni 2017 daarover duidelijkheid heeft moeten verschaffen, en de grootouders in het weekend van vrijdag 2 tot en met maandag 5 juni 2017 geen omgang hebben gehad met de minderjarige, kan aan de zijde van de grootouders een voldoende spoedeisend belang worden aangenomen om met het oog op de destijds aanstaande vakantie van augustus 2017 een ordemaatregel van de kortgedingrechter te vragen. Grief 1 faalt derhalve.

16. In grief 2 betoogt de vader dat de voorzieningenrechter in rov. 4.4 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft vastgesteld dat tussen partijen vast staat dat er in het jaar 2017, tot de datum van het bestreden vonnis (4 juli 2017), slechts eenmaal een weekend omgang heeft plaatsgevonden tussen de grootouders en de minderjarige, terwijl op grond van de reguliere omgangsregeling zesmaal een weekend omgang had moeten plaatsvinden.

17. Bij de bespreking van deze grief stelt het hof voorop dat rov. 4.4 van het bestreden vonnis betrekking heeft op de vordering van de grootouders tot het inhalen van vijf omgangsweekenden die zij niet hebben genoten omdat de vader de reguliere omgangsregeling niet is nagekomen. Nadat de voorzieningenrechter in rov. 4.4 tot uitgangspunt heeft genomen dat de reguliere omgangsregeling dient te worden nagekomen, en in dezelfde rechtsoverweging heeft vastgesteld dat vijf omgangsweekenden niet hebben plaatsgevonden, heeft de voorzieningenrechter in rov. 4.5 geoordeeld dat een beslissing over compensatie van de gemiste omgangsweekenden zich niet leent voor beoordeling in kort geding maar thuishoort in een bodemprocedure. De tweede grief van de vader heeft betrekking op een vaststelling door de voorzieningenrechter in het kader van de vordering van de grootouders tot het inhalen van gemiste omgangsweekenden. Aangezien deze vordering buiten de grenzen van het onderhavige appel valt, heeft de vader geen belang bij de grief.

18. Met grief 3 komt de vader op tegen de afwijzing in rov. 4.7 van het bestreden vonnis van zijn reconventionele vordering om hem vrij te stellen van de verplichting tot nakoming van de reguliere omgangsregeling voor de maand juli 2017 in verband met zijn voornemen om samen met de minderjarige op vakantie te gaan naar Marokko in de periode van 5 juli 2017 tot 2 augustus 2017.

19. Als uitgangspunt geldt dat de vader gehouden is om medewerking te verlenen aan de uitvoering van de reguliere omgangsregeling en de vader op grond van deze omgangsregeling rekening ermee had moeten houden dat de grootouders in het eerste weekend van juli 2017 omgang zouden hebben met de minderjarige. Het had op de weg van de vader gelegen om zijn voorgenomen vakantie naar Marokko daaromheen te plannen, nu het voor hem duidelijk moet zijn geweest dat de grootouders, gelet op de onenigheid tussen partijen over de naleving van de reguliere omgangsregeling, behoefte hadden aan een strikte naleving van de vastgestelde omgangsregeling. Tegen deze achtergrond was het belang van de grootouders bij het realiseren van omgang in het eerste weekend van juli 2017 groter dan het belang van de vader bij het realiseren van zijn voorgenomen vakantie met de minderjarige naar Marokko.

20. Voor zover de grief nog betoogt dat de vastgestelde omgangsregeling niet in het belang van de minderjarige is, en (naar het hof begrijpt) (ook) om die reden afgezien had moeten worden van omgang in het eerste weekend van juli 2017, verwerpt het hof dat betoog omdat de onderhavige kortgedingprocedure zich niet leent voor een inhoudelijke beoordeling van de reguliere omgangsregeling.

21. Grief 4 faalt omdat de vader daarin (wederom) de juistheid van de reguliere omgangsregeling aan de orde stelt, terwijl de onderhavige kortgedingprocedure zich niet leent voor een inhoudelijke toetsing daarvan. Daarbij merkt het hof nog op dat uit het door de vader aangehaalde verslag van Cardea Ambulante Spoedhulp van 31 mei 2017 niet kan worden afgeleid dat het belang van de minderjarige zich zodanig tegen omgang met de grootouders verzet dat reeds vooruitlopend op een bodemzaak in dit kort geding door de voorzieningenrechter beslist had moeten worden tot schorsing van de vastgestelde omgangsregeling.

22. Grief 5 behoeft geen bespreking voor zover daarin wordt opgekomen tegen rov. 4.9 van het bestreden vonnis, waarin is beslist dat geen aanleiding bestaat om de door de bodemrechter vastgestelde omgangsregeling op dit moment op te schorten in afwachting van een beslissing in een door de vader aanhangig te maken bodemprocedure. Namens de vader is de hierop betrekking hebbende vordering tijdens het pleidooi ingetrokken (zie rov. 13), zodat de vordering tot schorsing van de reguliere omgangsregeling niet meer voorligt in appel.

23. Verder voert de vader in grief 5 aan dat de vordering van de grootouders tot vaststelling van de vakantieweken ten onrechte is toegewezen, stellende dat de omgangsregeling die het hof Den Haag bij beschikking van 4 februari 2015 heeft vastgesteld ‘niet juist is’, omdat deze regeling de mogelijkheden op een vakantie van de vader en de minderjarige aanzienlijk beperkt. Het hof verwerpt dit betoog van de vader. Als de vader het niet eens was met de in de bodemzaak vastgestelde omgangsregeling, had het op zijn weg gelegen om tegen voormelde beschikking van het hof cassatieberoep in te stellen binnen de daarvoor geldende termijn, dan wel had hij om wijziging van de omgangsregeling kunnen verzoeken in een nieuwe bodemprocedure. Zoals reeds overwogen, leent de onderhavige kortgedingprocedure zich niet voor een inhoudelijke toetsing van de reguliere omgangsregeling.

24. In grief 6 voert de vader aan dat in rov. 4.10 van het bestreden vonnis ten onrechte is overwogen dat de oplegging van een dwangmiddel is aangewezen, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing. Uit de toelichting op deze grief blijkt dat de vader doelt op het dwangmiddel van lijfsdwang, zoals opgelegd in rov. 4.10 van het bestreden vonnis.

25. De vader is bij kortgeding vonnis van 2 juni 2017 veroordeeld tot nakoming van de reguliere omgangsregeling, op straffe van lijfsdwang, waarvan de kosten moeten worden gedragen door de vader, in die zin dat per keer dat hij in gebreke blijft te voldoen aan de uitvoering van de omgangsregeling, de grootouders gemachtigd zijn de vader in gijzeling te doen stellen, telkens voor de duur van twee dagen. De grief gaat eraan voorbij dat het in rov. 4.10 van het bestreden vonnis opgelegde dwangmiddel van lijfsdwang niet identiek is aan het bij kortgeding vonnis van 2 juni 2017 opgelegde dwangmiddel van lijfsdwang. Allereerst heeft het in rov. 4.10 van het bestreden vonnis opgelegde dwangmiddel van lijfsdwang specifiek betrekking op de effectuering van de omgangsregeling in de zomerperiode van 2017. Voorts verschilt het dwangmiddel van die welke is opgelegd in het kortgeding vonnis van 2 juni 2017, omdat uit het dictum van het bestreden vonnis blijkt dat het dwangmiddel inhoudt dat, wanneer de vader niet meewerkt aan de effectuering van de omgangsregeling in de zomerperiode van 2017, de grootouders gemachtigd worden de vader in gijzeling te doen stellen voor de duur van veertien dagen.

26. In grief 7 betoogt de vader dat in het bestreden vonnis ten onrechte is beslist dat de reguliere omgangsregeling dient te worden nagekomen op straffe van een nadere dwangsom van € 1.000,- per dag dat de vader de omgangsregeling niet nakomt. Het hof verwerpt deze grief en motiveert dat als volgt. Bij kortgeding vonnis van 19 augustus 2014 is de vader veroordeeld tot nakoming van de reguliere omgangsregeling, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte daarvan dat de omgangsregeling niet wordt nageleefd, met een maximum van € 5.000,-. Vast staat dat de vader de omgangsregeling in januari en maart 2017 niet heeft nageleefd en uit dien hoofde de krachtens het kortgeding vonnis van 19 augustus 2014 verschuldigde dwangsom van maximaal € 5.000,- is verbeurd (zie ook rov. 2.13 van het door mr. Reichmann in het geding gebrachte kortgeding vonnis van 2 februari 2018). Eveneens staat vast dat de vader de omgangsregeling nadien, tot aan de datum van het bestreden vonnis, evenmin (volledig) heeft nageleefd. Bij deze stand van zaken stond het de voorzieningenrechter vrij een nader dwangmiddel te verbinden aan de nakoming van de reguliere omgangsregeling, te weten een nadere dwangsom van € 1.000,- per dag dat de vader de reguliere omgangsregeling niet nakomt, met een maximum van € 50.000,-. Dat dit dwangmiddel geen effect heeft gesorteerd en de vader ook na het wijzen van het vonnis de reguliere omgangsregeling, daaronder begrepen het verblijf bij de grootouders gedurende de zomervakantie, niet is nagekomen kan hier niet aan afdoen.

27. Grief 8 houdt in dat de vader in het bestreden vonnis ten onrechte is veroordeeld in de volledige proceskosten van de grootouders. Hoewel de nodige terughoudendheid in acht dient te worden genomen bij de veroordeling van een partij in de werkelijke proceskosten van de andere partij, acht het hof de beslissing van de voorzieningenrechter, in de specifieke omstandigheden van dit geval, gerechtvaardigd. Aangezien de vader zich, ondanks de opgelegde dwangmiddelen, niet heeft gehouden aan de door de bodemrechter vastgestelde omgangregeling, het maximum aan opgelegde dwangsommen reeds was verbeurd, de grootouders en (blijkens het rapport van Cardea Ambulante Spoedhulp ook) de minderjarige elkaar graag wilden zien, hebben de grootouders zich genoodzaakt gezien om wederom een kortgedingprocedure aanhangig te maken teneinde te bewerkstelligen dat de vader zijn medewerking verleent aan de reguliere omgangsregeling. Nu de vader zich aan de reguliere omgangsregeling had te houden zolang deze niet in een bodemprocedure was gewijzigd, doet zich in dit geval een buitengewone omstandigheid voor die een veroordeling van de vader in de werkelijke proceskosten van de grootouders rechtvaardigt (vgl. HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2366).

28. Grief 9 is een veeggrief en mist als zodanig zelfstandige betekenis.

Conclusie

29. Uit het voorgaande volgt dat geen van de grieven van de vader slaagt. De vorderingen van de vader zullen dan ook worden afgewezen.

Proceskosten

30. Het hof zal de vader, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de proceskosten in hoger beroep (geliquideerd salaris advocaat 2 punten, tarief II).

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt de vader in de kosten van dit hoger beroep aan de zijde van de grootouders, tot aan deze uitspraak begroot op € 2.101,- en aldus gespecificeerd:

- € 313,- griffierecht;

- € 1.788,- salaris advocaat;

verklaart de veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. F. Ibili, D. Wachter en R.L.M.C. Janssen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2018 in aanwezigheid van de griffier.