Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1194

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
18-05-2018
Zaaknummer
200.212.100/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding omgangsregeling. Voorlopige omgangsregeling tussen de vader en de kinderen is in de bodemzaak inmiddels uitgebreid, terwijl appellanten tegen die uitbreiding geen beroep hebben ingesteld. Volgt bekrachtiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2018/66.25
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.212.100/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/518690/KG ZA 14-44

arrest van 10 april 2018

inzake

1. [de moeder],

wonende te [woonplaats] ,

2. [de grootmoeder]

wonende te [woonplaats]

appellant(en),

3. [partner grootmoeder]

feitelijk verblijvende te [woonplaats]

hierna te noemen gezamenlijk appellanten en afzonderlijk ook de moeder (appellante sub 1), de grootmoeder (appellante sub 2) en [partner grootmoeder] (appellant sub 3),

advocaat: mr. B.J. den Hartog te [woonplaats] ,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.G.M. Wensveen te Rotterdam.

Het geding

  1. Appellanten zijn op 15 maart 2017 in hoger beroep gekomen van een door de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam tussen partijen op 20 februari 2017 in kort geding gewezen vonnis. (hierna ook: het bestreden vonnis)

  2. Op 2 mei 2017 hebben appellanten van grieven gediend.

  3. Op 13 juni 2017 heeft geïntimeerde een memorie van antwoord genomen.

  4. Appellanten hebben pleidooi verzocht. Het pleidooi heeft plaatsgevonden op 14 december 2017.

  5. Daarna is arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

6. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter - uitvoerbaar bij voorraad - een omgangsregeling tussen de vader en de twee minderjarige kinderen van de vader en de moeder- [naam een en twee] - vastgesteld op straffe van een dwangsom als appellanten deze regeling niet nakomen.

7. Tegen de in het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn geen grieven gericht zodat het hof ook van die feiten zal uitgaan.

8. Appellanten hebben drie grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis. Bij gelegenheid van het pleidooi op 14 december 2017 hebben appellanten verzocht de grieven uit te mogen breiden met een grief gericht op het ontbreken van spoedeisend belang aan de zijde van geïntimeerde. Daartegen is door geïntimeerde bezwaar gemaakt zodat het hof deze aanvulling van de rechtsstrijd in hoger beroep niet toestaat omdat deze in strijd met de goede procesorde komt.

9. De eerste grief richt zich tegen het feit dat de voorzieningenrechter zich (relatief) bevoegd heeft verklaard om van de vorderingen van de vader kennis te nemen. Naar aanleiding van het door geïntimeerde in de memorie van antwoord gedane beroep op artikel 110 lid 3 Wetboek van burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op grond waarvan tegen een beslissing over de relatieve (on)bevoegdheid geen hogere voorziening open staat heeft de advocaat van appellanten deze grief bij pleidooi ingetrokken en behoeft deze geen behandeling meer.

10. Met de tweede grief komen appellanten op tegen de beslissing van de voorzieningenrechter om de veroordeling ook te laten gelden voor de appellanten 2 en 3 (grootmoeder en haar partner [partner grootmoeder] ). Appellanten voeren hiertoe aan dat de uithuisplaatsing van de betrokken minderjarigen bij appellante sub 2 - formeel woont [partner grootmoeder] niet op het adres van de grootmoeder - op 8 februari 2017 was geëindigd omdat een verlengingsverzoek met betrekking tot deze uithuisplaatsing te laat was ingediend door de gecertificeerde instelling. De grief faalt. Anders dan appellanten betogen is het bestaan van een ondertoezichtstelling en/of uithuisplaatsing niet vereist voor het door de voorzieningenrechter opleggen van de verplichting om te voldoen aan de omgangsregeling en het daarbij opleggen van het dwangmiddel van een dwangsom. Het hof acht het ook niet onjuist dat de voorzieningenrechter dat in dit geval bij het bestreden vonnis heeft gedaan nu de moeder, die het gezag over de minderjarigen heeft, met de minderjarigen sinds begin 2017 bij de grootmoeder is ingetrokken, zij eerder de uitvoering van de omgangsregeling aan de grootmoeder en [partner grootmoeder] had overgelaten op grond van haar slechte verstandhouding met de vader en nu door het vervallen van de ondertoezichtstelling en/of uithuisplaatsing er feitelijk niets (aan deze situatie) was veranderd. Verder heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat de grootouders eerder hun medewerking hebben geweigerd aan de uitvoering van een in januari 2016 door de rechtbank Rotterdam vastgestelde omgangsregeling. De voorzieningenrechter heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat de dwangsom ook aan de grootmoeder en [partner grootmoeder] opgelegd kon worden.

11. De derde grief richt zich tegen de uitbreiding van de omgangsregeling door de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis. Voorafgaand aan het pleidooi is door geïntimeerde een afschrift gestuurd aan het hof van de beschikking die de rechtbank Rotterdam op 6 juni 2017 heeft gewezen in de bodemzaak tussen partijen over - onder meer - de omgangsregeling. Ten aanzien van de minderjarige [kind een] heeft de rechtbank dezelfde omgangsregeling vastgesteld als de voorzieningenrechter heeft gedaan in het bestreden vonnis. Ter gelegenheid van het pleidooi is het Hof gebleken dat de beschikking van 6 juni 2017 in kracht van gewijsde is gegaan nu geen van partijen daartegen hoger beroep heeft ingesteld. Met betrekking tot [kind een] hebben appellanten dan ook geen belang bij deze grief meer.

12. Datzelfde geldt ten aanzien van de minderjarige [kind twee] nu de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling in feite dezelfde is als die door de voorzieningenrechter is vastgesteld met de uitbreiding dat er tot 10 februari 2018 een opbouwregeling zou (hebben) moeten gelden. Ter gelegenheid van het pleidooi is vast komen te staan dat appellanten geen medewerking of uitvoering hebben gegeven aan de door de voorzieningenrechter vastgestelde omgangsregeling ten aanzien van [kind twee] . Bij het voorgaande geldt als toetsingskader dat het hof zich in deze kortgeding-procedure heeft te richten naar het oordeel van de rechtbank in de bodemzaak en er naar het oordeel van het hof in hoger beroep geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die dat anders maken, dit mede in het licht van de omstandigheid dat appellanten geen hoger beroep tegen de beschikking van 6 juni 2017 hebben ingesteld en het oordeel van de rechtbank grotendeels overeenkomt met dat van de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis. Voor zover dat oordeel afwijkt – daarmee doelt het hof op de opbouwregeling – is dat niet een zodanige afwijking dat deze tot vernietiging van het bestreden vonnis op dit onderdeel zou moeten leiden.

13. De conclusie is dat de voorgedragen grieven falen en het bestreden vonnis bekrachtigd zal worden. Als in het ongelijk gestelde partij zullen appellanten hoofdelijk in de proceskosten aan de zijde van geïntimeerde worden veroordeeld. Deze kosten worden tot op heden begroot op € 2.101,- (€ 313,- wegens griffierecht en twee punten tarief II liquidatietarief).

Beslissing

Het hof

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt appellanten hoofdelijk in de proceskosten aan de zijde van geïntimeerde welke kosten tot op heden begroot worden op € 2.101,-;

verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D. Wachter, A. Zonneveld en K. van Barneveld-Peters en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2018 in aanwezigheid van de griffier.